Of ik ook een verleden in de dance had, wilde een van de redacteuren van de Leeuwarder Courant weten. De krant van gisteren zou namelijk geheel in het teken staan van dat genre, vanwege een feest in de oude drukhal van het Dagblad van het Noorden. Men wilde weten of ik misschien nog gabber was geweest. Hakken en zagen heb ik nooit gedaan, maar in de tweede helft van de jaren negentig heb ik in Groningen wel een stukje dancecultuur opgesnoven. Tijdens het eerste jaar van mijn studie ontmoette ik mensen met 'dolfijntjes' en 'tietjes'. Zo heten de xtc-pillen die bedrukt waren met een lief visje (dat dolfijnen ook aan groepsverkrachting deden, wisten we toen nog niet) of met een stipje, dat de makers deed denken aan de tepels van hun moeder, waar ze tijdens hun gelukzalige momenten massaal naar terugverlangden.
De huidige varianten
In Kollum had mijn arsenaal aan verdovende middelen zich beperkt tot bessen-jus, grote hoeveelheden bier en paracetamol op zondag. Alle drugs waarover werd gesproken, zouden je linea recta naar de goot leiden. Heroïne kende ik alleen van de serie over de Gooische Herenstraat 10. Maar ik keek met mijn klasgenoten ook naar de film over The Doors en droomde ervan om net zo beneveld (verlicht dacht ik toen) als Jim Morrison een menigte op te hitsen tot grote extase. Dat resulteerde overigens in een vrij sneue imitatie van een scène uit die film. Op een feestje probeerde ik op mijn knieën via mijn mond een gitarist een metalen buisje te overhandigen, zodat hij wild slide zou gaan spelen. De gitarist in kwestie, van het type boekhouder, had geen idee wat hem overkwam. Ik besloot het faken van de bijbehorende orale seks maar op te geven en las nog een gedicht voor.
De dolfijntjes en de tietjes kwamen daarna pas. Een vriend nam me mee naar een ondergrondse danstent aan het begin van de Groninger Herenstraat. Ik nam een half pilletje en een uur later wilde ik ineens overdreven graag knuffelen met een vriendin die daar niet op zat te wachten. Ik zocht mijn geluk vervolgens op de dansvloer, waar ik te dicht tegen een veel oudere vrouw stond op te rijden. Later kwam ik erachter dat dit in de Ringo te Veenklooster misschien bij de plaatselijke gebruiken hoorde; op de dansvloer in Groningen moest je op je eigen eilandje blijven. Naast het leeftijdsverschil tussen mij en mijn danspartner bleek er overigens ook een groot verschil in seksuele voorkeur tussen ons te bestaan. Haar lesbische vriendinnen hebben flink staan lachen.
Ik heb dus wel een verleden in de dance, maar dan meer als onsuccesvolle toerist. Dansen doe ik soms nog met gebruik van wat chemische hulpmiddelen. Mezelf voor lul zetten door films na te doen, probeer ik te beperken.
*
Deze column verscheen eerder in de Leeuwarder Courant: www.lc.nl
De ellende begon met Rudi Carrell. Hij presenteerde in 1983 de eerste reeks van de 1,2,3-Show op de televisie. Wij keken daar met hele gezin naar, niet alleen vanwege de spelletjes, maar ook vanwege de sketches. Iemand uit ons gezin, waarschijnlijk mijn moeder, raadde ons aan om een lot te kopen bij de Rabobank in Kollum; voor ons twee minuten lopen. Ik had nog nooit zo in spanning gezeten als tijdens de avond van die uitzending. De bouw van het schip Ms De Zonnebloem, een schip voor vakantiereizen voor mensen met een fysieke beperking, waar de opbrengsten van de loterij voor bestemd waren, was een schrale troost, toen van de lange cijferreeks op mijn lot alleen het voorlaatste getal juist bleek te zijn. Carrell kon van mij 1,2,3 de boom in.
Ted de Braak, de opvolger van Carrell, voor een lot.
Als het een les was die mijn moeder ons probeerde te leren dan was die niet helemaal doorgedrongen tot mijn jeugdige brein. Want zo rond mijn vijftiende stond ik mijn zakgeld in een gokkast te gooien bij Snackbar Vogel. Ik had vijfentwintig gulden bij me en leek even met vijftig gulden naar huis te kunnen gaan. Maar na de eerste winst stond ik al gauw op verlies. Bijna het hele geeltje werd opgeslokt door de eenarmige bandiet. Ik had nog net genoeg over voor de turkeystick met pindasaus die door de eigenaar uit het vet werd gehaald nadat hij zijn bouvier had geaaid. Bij Vogel kreeg je gratis hondenhaar bij en door al je snacks.
Sindsdien heb ik geen lot meer gekocht en geen gokkast meer aangeraakt. Toch voelt het alsof ik nooit helemaal uit de greep ben geraakt van de kansspelen. In de literatuur zijn er namelijk genoeg prijsfestijnen waarvoor je een poëziebundel of roman kunt insturen. Daarna is het tandenknarsend wachten op de bekendmaking van de winnaar of de genomineerden. Reikhalzend kijk je uit naar de extra aandacht voor je boek, de pleister op je miskende getergde schrijvershart.
Afgelopen week zat ik als een bezetene iedere dag de website van de VSB Poëzieprijs te checken. Ik had mijn uitgever zo ver gekregen mijn bundel net voor de deadline uit te brengen, zodat ik niet nog een jaar hoefde te wachten. In de jury zat een dichter die zich voorheen positief over mijn werk had uitgelaten. De sterren leken gunstig te staan. Ik had goede hoop.
Er kwam echter geen mailtje met een mededeling onder embargo; geen vrolijk telefoontje. Even nam ik mezelf kwalijk dat ik er weer in was gestonken. Ik vertelde mezelf dat ik niet op die nominatie had mogen hopen. Vervolgens stuurde ik een gedicht in voor de Turing Gedichtenwedstrijd. U kunt dat tot 15 november ook doen. De hoofdprijs is 10.000 euro; de troostprijs een door u zelf te bestellen turkeystick pinda.
Deze column verscheen eerder in de Leeuwarder Courant: www.lc.nl
Begin deze week werd door het CBS bekend gemaakt dat mannen gelukkiger zijn dan vrouwen. Volgens nu.nl zijn mannen 'vaak gelukkiger dan vrouwen' en volgens de website van de NOS zijn mannen maar 'iets gelukkiger dan vrouwen', terwijl vrouwen 'dingen die ze doen vaker zinvol' vinden. Daarnaast scheen het geluksgevoel bij mannen voort te komen uit het feit dat zij kalmer zijn. Men moet het leven dus rustig en als bijzonder zinvol ervaren, wil men het ultieme geluk bereiken.
Ik vroeg me af hoe je geluk zou kunnen meten en wat je met de resultaten van zo'n onderzoek zou moeten doen. Moeten we juist niet oppassen met het bekendmaken van dit soort cijfers? Straks komen de gelukszoekers in hun oranje reddingsvesten er nog achter.
Ik moest ook denken aan de boekpresentatie van de nieuwe poëziebloemlezing Ik weet niet welke weg je neemt van Arie Boomsma. Boomsma maakte een persoonlijke keuze uit de poëzie over de dood, net als hij eerder had gedaan met de liefde. Het was een klein feestje bij een boekhandel in Amsterdam-West, waar werd voorgelezen en soep werd gegeten. Boomsma's ouders waren er ook, evenals zijn vrouw. Als ik toen had geweten van het geluksonderzoek had ik waarschijnlijk gekeken naar wie er het gelukkigst uitzag.
Ik moest denken aan die presentatie omdat er één gedicht in de bloemlezing stond dat zowel door de moeder, de vader als de zoon werd aangehaald. De moeder noemde dat gedicht als eerste. Ze zei dat ze het graag zou willen voordragen, maar dat ze bang was dat ze het einde niet zou halen zonder in tranen uit te barsten. Haar bloemlezende zoon droeg het vervolgens voor, maar was ook zichtbaar geraakt tijdens het laatste deel van het gedicht. Waarna zijn vader bekende dat hij het gedicht eveneens niet met droge ogen had kunnen voorlezen.
Het ging om het vers 'Ik heb je niet begraven vader' van de Vlaamse dichteres Lut de Block. Dat opent met de regels: "Ik heb je niet begraven vader, / ik sleep je jaren op mijn rug. // Toen je stierf, vluchtte ik weg in het ritueel / van de in leven houdende herinnering.' Die ontkenning van de dood van de vader wordt vervolgens zintuigelijk omschreven: "En toen de kist er was en heerlijk geurde / naar zwart en smart en veel familieleden / wist ik ze leeg of vol met stenen. // Want jij was weg, / je hield ons allen voor de gek."
Misschien is er inderdaad een verschil in hoe mannen en vrouwen het leven en de dood ervaren. Bij de boekpresentatie van Boomsma zag ik echter vooral overeenkomsten. Ik zag mensen die bij elkaar en in de literatuur het geluk hadden gevonden. Het lukte mij zonder moeite om bij dit inzicht kalm te blijven.
*
Deze column verscheen eerder in de Leeuwarder Courant – www.lc.nl
Toen je stierf, vluchtte ik weg in het ritueel van de in leven houdende herinnering. Ik dacht: zolang er bloed is op de keukenvloer is leven mogelijk.
En toen de kist er was en heerlijk geurde naar zwart en smart en veel familieleden wist ik ze leeg of vol met stenen. Want jij was weg, je hield ons allen voor de gek.
En later verzon ik allerlei verhalen. Jij was ontvoerd, beroofd van al je zinnen… Maar eens zou je verschijnen, mij eindelijk bevrijden, want
ik heb je niet begraven vader. Ik sleep je jaren op mijn rug.
Wat optredens betreft, ben ik niet al te kieskeurig. Een optreden in een hot tub samen met publiek en collega's op Nieuwjaarsdag tussen winkelend publiek te Utrecht, vond ik prima. Een beetje gedichten lopen schreeuwen door de trein tussen Arnhem en Nijmegen, was te doen. Met een wit pak aan de deelnemers aan een Friese wandeltocht oproepen dat het geen zin had en dat ze beter om konden keren; geen enkel probleem. Ik doe kortom veel, misschien te veel, voor het geld en de roem.
Afgelopen zaterdag mocht ik aantreden in een oude snackbar in Leeuwarden. Heksenhamer en Bastard Sugar organiseerden daar een aflevering van Leeuwarden Draait Door, een geslaagde persiflage op De Wereld Draait Door. In plaats van flashy lcd-schermen stonden er oude beeldbuizen door de snackbar verspreid; filmpjes werden heerlijk klungelig ingestart vanaf een laptopje en achter de bar stond Magere Hein vanuit een doodskist blikjes bier uit te delen.
Voor aanvangsttijd kwam er een verwarde man binnen met een verwaarloosd gebit. Misschien kwam hij af op de Afrikaanse muziek die binnen gedraaid werd of dacht hij dat er een nieuwe coffeeshop was geopend. Hij maakte een dansje en vroeg om wat geld, maar daarvoor moest hij later terugkomen. Een half uur later nam hij met een joint in zijn hand onder applaus ineens plaats voor de camera.
Het duo Douwe Dijkstra en Sytse Sneekweek probeerden de man te interviewen. Hij bleek een dealer te zijn die bij zijn klanten en de politie bekendstaat als Jimmy. Die naam was waarschijnlijk makkelijker te onthouden dan zijn Arabische naam. Jimmy leek de vragen maar half te begrijpen. Hij lachte en wij lachten mee, maar het voelde ongemakkelijk.
Aan het einde van het gesprek stelde Dijkstra voor om met de pet rond te gaan voor Jimmy. Ik had er twee euro in kunnen gooien, maar koos ervoor om mij te beperken tot zeventig cent. Anderen waren ruimhartiger. Dijkstra en Sneekweek vroegen Jimmy wat hij ervoor ging kopen. Het antwoord was drugs. Er werd nog wat gegrapt over hoeveel hij kon krijgen voor de ingezamelde tien euro en toen was Jimmy vertrokken.
Zelf heb ik er tijdens mijn interview met beide heren ook nog een grap over gemaakt, maar onderweg bleef het voorval door mijn hoofd spoken. Had Jimmy nooit gevraagd mogen worden? Was zijn bijdrage een persiflage op emo-ramptoerisme in de media? Of Nam de organisatie van Leeuwarden Draait Door hem eigenlijk juist heel serieus?
Ik was er nog niet uit toen ik 's avonds in de Oude Hortus te Utrecht mijzelf in een waadpak hees en in een vijver stapte. Ik ging aan het werk en droeg voor tussen de bladeren van de Victoria Amazonica, de grootste waterlelie ter wereld. Ik doe veel.
Deze column verscheen eerder in de Leeuwarder Courant – www.lc.nl
De gedichtenbundel Binnenwereld, buitenwijk, natuurlijke omstandigheden is opgebouwd uit afdelingen met gelijknamige titels (en een onderdeel ‘wingewest’). Dit klinkt symbolisch, maar de titels dekken zo te zien de lading niet helemaal. Het gedicht ‘Fukushima’ maakt deel uit van de Binnenwereld, het gedicht ‘However is a fancy but’, over de vijf meest voorkomende vormen van spijt op het sterfbed, staat inBuitenwijk, het gedicht ‘Drone 3 – afstandbestuurbare karma-agent’ is gerubriceerd onder de Natuurlijke omstandigheden. Verrassend dus dat Bruinja ons daarmee op het verkeerde been zet. Of is de betekenis te ver gezocht en is het in die zin alleen maar vrijblijvend? Op het omslag van de bundel een foto van een blinde, gepleisterde bakstenen muur. Voor een boekje met gedichten getiteld Binnenwereld, buitenwijk, natuurlijke omstandigheden is dat een programmatische foto. Het belooft in elk geval weinig romantiek.
Tsead Bruinja (1974) heeft al enige tientallen publicaties op z’n naam staan, inclusief enkele bloemlezingen. Het betreft hoofdzakelijk poëzie, deels in het Fries. Zijn nieuwe werk is lichtvoetig en anekdotisch – maar begrijpelijk of toegankelijk kan het niet worden genoemd. Hij speelt soms met merkwaardige, typografische ordening, met schuine strepen en extra wit en zelfs met tekst die lichtgrijs is afgedrukt in contrast met zwarte woorden. Ongetwijfeld met een reden – maar die is niet altijd duidelijk. Maar de raadselachtigheid van sommige van zijn gedichten maakt ze niet minder poëtisch. Soms is het gewoon een mooi spel met taal zoals in het gedicht In kannen en kruiken:
zijn we van plan zal gaan gebeuren komt eraan kan niet lang meer duren hebben we aan gedacht hadden we ons voorgenomen zullen we niet vergeten is bij ons in goede handen komen we samen uit gaan we aan werken kunt u ons op afrekenen is in kannen en kruiken (…)
Via drones komt de techniek Bruinja’s poëzie binnen alsook verwijzingen naar werk van anderen (vintage, postmodern, van Willy Alberti tot Palinurus). De actualiteit komt aan bod ( Assad, Mark Rutte, een verwijzing naar ‘de sp-leider’), punten en komma’s ontbreken en aan neologismen geen gebrek. Grote gevoelens, doorgaans een populair poëtisch ingrediënt, zijn in Binnenwereld (!) ver te zoeken of worden van zo zakelijke context voorzien dat voor de hand liggende emoties geen kans krijgen. Een poëtisch procedé dat de dichter meermalen toepast – en met succes – is het effect van herhaling. Bijvoorbeeld in het gedicht Echt:
wij weten niet waar we aan beginnen als we beginnen verbazen ons over wat er uit de verhuisdozen komt willen niet weten waar we aan beginnen
het karton bewaren we achter een kast in de gang uitgevouwen dieven van de nacht mogen ze meenemen vuilnismannen niet denken te menen waar we aan beginnen kunnen niet weten waar we mee thuiskomen of waar we het achterlaten
spreken ergens te laat af het niet meer te doen en stoppen het te doen het is een druppel op een lauwwarme plaat die niet sist maar langzaam verdampt we verdwijnen tussen de randen
je herinnert je niet alleen de mooie dingen je herinnert je het verkrampte gezicht de woede ziekte vermoeidheid het vergelen
wij weten niet waar we aan beginnen moeten kiezen en kibbelen over wat er mee of naar de kringloop gaat gaan aan elkaar voorbij voegen gezichten toe aan de carrousel beginnen opnieuw
menen het dan pas echt
Bruinja’s gedichten zijn in woordkeus en opbouw constant afwisselend. Alsof de dichter telkens weer aan de verwachting van de lezer wil ontsnappen, alsof hij ongrijpbaar wil zijn. Anderzijds wil de dichter de lezer wel verder helpen: op zijn uitgebreide website zijn de gedichten uit deze bundel te horen en is er ook achtergrondinformatie beschikbaar, afzonderlijk per gedicht gepresenteerd.
Sterk is Bruinja in poëtische statements, beknopt (geschikt om te twitteren). Pakkend en toch ongrijpbaar. Bijvoorbeeld:
er is veel wat je kan als je niks meer kunt
of, in het gedicht ‘Bouillon’, met een politieke ondertoon,
nog even en ik ga de poëzie in om de wereld te verbeteren
of
nederlanders vinden zichzelf geweldig ik vind Nederlanders ook geweldig
Bruinja’s gedichten zijn beslist de moeite waard om teproeven. Waarbij zich onwillekeurig het befaamde credo van Harry Mulisch aan je opdringt: ‘Het beste is, het raadsel te vergroten’. Bruinja heeft zich met zijn jongste bundel uitstekend van die taak gekweten.
Aan de audio-opnames merk je het goed; gesproken komen de ritmische gedichten uit Binnenwereld, buitenwijk, natuurlijke omstandigheden goed tot hun recht. Neem een gedicht als het lange ‘De vis in de zee’. De heldere, zachte, glijdende stem – een watervalletje uit een Friese bron – van Tsead Bruinja draagt sterk bij aan een prettige luisterervaring. Op papier is de helft van de gedichten uit 'Binnenwereld, buitenwijk, Natuurlijke omstandigheden' minder bijzonder.
Vijftien jaar geleden is het dat Bruinja’s – Friestalige – poëziedebuut, De wizers yn it read (De wijzers in het rood), bij een reguliere uitgeverij verscheen. In de tussentijd is Bruinja ontpopt tot een veelgevraagde dichter. Hij trad op op het Poetry International Festival en andere internationale literatuurfestivals, publiceerde gedichten over actualiteiten in kranten als het NRC Handelsblad en liet zich horen, eveneens met gedichten over actualiteiten, in het EO-radioprogramma Dit is de Dag. Een grote greep gedichten uit zijn nieuwe bundel is geschreven voor die actualiteitenmedia, een ander deel ter gelegenheid van uiteenlopende zaken en een klein deel kende geen andere opdrachtgever dan alleen Bruinja’s hart of hoofd. Dat vind ik jammer; de actualiteit wordt er, verpakt in Bruinja’s poëzie, meestal niet aantrekkelijker op, en andersom, poëzie verpakt in actualiteit, evenmin. Liever lees ik gedichten die Bruinja op eigen initiatief schrijft, gedichten die geboren worden uit een onafhankelijke drang van het hart.
De gedichten uit Binnenwereld, buitenwijk staan allemaal, hetzij soms in eerdere versie en sommige ook in het Fries, op Soundcloud. Daar brengt Bruinja ze ten gehore en heeft hij toelichtingen bij zijn werk gepubliceerd. Wat is dat fijn; een dichter die zijn bundel voordraagt en de opname ervan beschikbaar stelt voor iedereen en voor wellicht altijd. Dat zouden er meer mogen doen, moeilijk hoeft het niet te zijn; het kost minder geld en tijd dan het maken van een cd als toevoeging bij een dichtbundel.
De dichtbundel getuigt, behalve van gevoel voor ritme, van klankverwondering en taalvermaak. Zie en hoor bijvoorbeeld de titels ‘Satelliet diplomaat’, ‘Pokon ja!’, ‘Koekoesspuug’. Met taalvermaak is het eenvoudige gedicht ‘In kannen en kruiken’ tot stand gekomen. De eerste drie regels: ‘zijn we van plan zal gaan gebeuren / komt er aan kan niet lang meer duren / hebben we aan gedacht hadden we ons voorgenomen’. Enzovoorts. Taalgenot wordt afgewisseld met welgemeende zorgen, al dan niet zorgen om het welzijn van de wereld, zoals in ‘Fukushima’.
fukushima
de aarde is een tas om de schouders van de maan de aarde is een tas met slappe hengsels uitgerekte hengsels want de zon is zo zwaar
ik werd verliefd op de eerste regel haar a’s lonkten haar beelden schreeuwden om een vervolg
de zon hangt in een tas om de maan haar schouders
ik krijg er warme handen van het zet de televisie aan
de beeldspraak verdwijnt in een tunnel ik moest denken aan de lekkende kerncentrale zou het daar iets over zeggen? moet ik het gedicht daar naartoe buigen?
ermee onder de armen naar een radioactief strand waar oude mannen op klapstoeltjes tevreden in hun emmers kijken naar vissen die veel groter worden?
of zwemt in datzelfde water een aarde?
was het niet een tas maar een emmer?
In ‘Fukushima’ gebeuren verwarrende dingen. De zon bevindt zich in de aarde en de aarde is een tas om de schouders van de maan. Misschien is de aarde niet een tas, maar hangt er een emmer om de schouders van de maan en ligt in die emmer de zon. Maar die emmer is misschien iets heel anders en de aarde kan zich bevinden in het water in die emmer. Kernrampen hebben de zotste gevolgen. Tegenstrijdigheden in poëzie kunnen geweldig intrigeren, hier echter gebeurt dat wat mij betreft niet, hoe krachtig de beelden ook zijn. Dat het niet intrigeert, komt vooral door de tweede en vijfde strofe waarin de dichter zich expliciet toont, en doordat de beelden haperen. De expliciete instap van de dichter in het gedicht ontregelt het verloop en betekent helaas een sprong uit dat beeld van een stukje heelal. Het geeft het idee dat de dichter niet meer wist hoe hij het begin met het mooie beeld moest vervolgen.
Er zijn meer passages in de bundel die niet intrigeren. Een flink deel van de bundel komt over alsof er weinig moeite is gedaan om indrukwekkende woorden en zinnen te vinden; teksten spreken niet echt tot de verbeelding, ontstijgen het alledaagse taalgebruik niet of komen uit de mond van andere mensen onder wie politici. Wellicht zijn dat de gevolgen van het schrijven in opdracht van actualiteitenmedia. De gedichten die ik bedoel bevatten passages als deze: ‘op tv ontduikt mark rutte een vraag / over de grote groep succesvolle allochtonen / die hij met zijn partijprogramma schoffeert’, ‘het is een druppel op een lauwwarme plaat’ en ‘maar de natuur houdt je geen hand boven het hoofd / en je regering wil in je kasten kijken / van je tafel eten’. Dit is geen originele of mooie poëzie. Enjambement en afwezigheid van interpunctie maken in deze gevallen weinig goed en voor ritme en emotie geldt hetzelfde.
Het andere flinke deel van Binnenwereld, buitenwijk intrigeert wel. ‘was niet bang de diepte in te gaan / was bang dat diepte er niet was // werkte vanuit de lucht aan een landingsbaan // liefde muurvast’ staat in ‘De vis is in de zee’. Vooral de derde regel geeft te denken; als dit over bindingsangst gaat bijvoorbeeld, is dit zeer treffend. Deze regels komen bovendien bewonderenswaardig eerlijk en persoonlijk over en dit gaat op voor het hele gedicht. Het lijkt me dat dit een oprecht Bruinja-gedicht is en die vind ik het indrukwekkendst.
Andere intrigerende gedichten zijn het gekke, effectief vertragende ‘Ik geef je het woord’ – doet denken aan de regels ‘Wat weet ik van de vogel / als ik zijn zingen niet versta’ van Willem Hussem –, het geslaagde ‘Wat je met een stad kunt doen’ dat experimenteel aan de haal gaat met de (actuele) verwoestingen van steden en de driedelige reeks ‘Drone’ over het wel en wee van bijen, mieren en mensen die aan hun kolonies werken. Het fragment ‘en merk wanneer je zachter praat / dat deze kamer kleiner wordt // ik heb niet veel eelt op mijn handen / niet veel op mijn hart of tong // roep me // dan weet ik / waar we staan’ komt op een mooie manier dichtbij en de verduidelijking ‘voor hem geeft de lamp geen licht / maar brandt de lamp’ is erg mooi. Allemaal te lezen in Binnenwereld, buitenwijk. En te horen op Soundcloud.
Er staan twee zwarte sportschoenen voor een muur van witbruine keien. In die muur zit een bord gemetseld met zwarte randen. Waarschijnlijk is het een straatnaambord. Ik weet het niet zeker. De tekst is geschreven in tekens die ik niet ken. De sportschoenen horen vast bij de man wiens arm beetgehouden wordt door een andere gekleurde man met een embleem op zijn blauwe t-shirt en een zonnebril die op zijn voorhoofd en in zijn stekeltjeshaar hangt. Die man hoort misschien weer bij de gewapende man tegenover hem, die ook naar de grond kijkt. Beide mannen hebben witte handschoenen aan en kijken naar de licht getinte man die op het trottoir ligt. Ik schat hem midden twintig.Een straaltje bloed loopt over zijn slaap, over zijn rechteroog, over zijn neus. En verdwijnt in de schaduw van het linkerdeel van zijn gezicht, dat naar de grond gericht ligt omdat hij aan zijn arm omhoog hangt, vastgehouden door de man met de zonnebril. De jongeman ligt met zijn hoofd op een bebloede doek of op zijn eigen uitgetrokken blouse. De gewapende man staat precies in het midden van de foto en midden voor de ontklede dode, waardoor we zijn genitaliën niet zien. We kunnen wel de vierkante vormen van de straattegels om hem heen zien, door het bloed dat tussen de naden loopt.
Kijkend naar de zool van zijn sportschoenen, stond de man niet recht op zijn voeten. Ik heb dat ook, dat ik niet helemaal recht op mijn voeten sta. In mijn schoenen zitten steunzolen die ervoor zorgen dat ik niet te veel leun op de zijkanten. Toch slijten ze nog steeds rechts- en linksachter het meeste af.
Maar dat is niet waarom ik het over deze foto wil hebben, die u niet ziet, maar waarvan ik het beeld zo goed mogelijk heb geprobeerd te schetsen. Ik wil het ook niet hebben over het feit dat de dode op de foto een Palestijnse man is die werd doodgeschoten nadat hij een agent had aangevallen met een mes. Ik wil het niet over die ongelijkheid hebben, over de wanhoop die zich van deze jongeman meester moeten hebben gemaakt om zijn toekomst op deze manier te laten bekorten. Ik wil het niet hebben over de angst van de kinderen van Israëlische soldaten en agenten.
Ik wil het hebben over de wreedheid van schoonheid. Dit is een klacht tegen hoe zonlicht op een witte rechterborst kan vallen en de kracht van een man kan laten zien, niet alleen de kracht om te moorden, maar ook de kracht om een kind op zijn arm te tillen of een vriend te omarmen. Ik protesteer tegen de vervloekte symmetrie van tegels en stenen die mij foto's intrekt. Was ik maar blind of scheel.
*
Deze column verscheen eerder in de Leeuwarder Courant: www.lc.nl
De foto werd gemaakt door Yotanm Ronen. Ik zag hem op een fotopagina van de NRC: