
– lees het hele artikel op: https://www.de-lage-landen.com/
Door Lisa Rooijackers
In elk nummer van de lage landen signaleren Lisa Rooijackers en Carl De Strycker om beurten opmerkelijke bundels, bijzondere fenomenen of tendensen uit de recente Nederlandstalige poëzie. Deze keer vormen engagement en verbinding de rode draad.
Dat dichters naast het dichterschap andere functies bekleden, is in de literaire wereld meer norm dan afwijking. De broodschrijver, om nog maar te zwijgen van de brooddichter, is een bedreigde diersoort die minder sympathie of financiering kan verwachten dan de koalabeer. Maar ook los van dat bedroevende feit zijn er nu eenmaal veel dichters die zich niet tot één tak van sport willen beperken en, zoals de vier schrijvers die in deze bespreking aan bod komen, bijvoorbeeld ook muzikant, theatermaker, filosoof, kunstenaar, performer, docent, journalist of columnist zijn. Wellicht dat zij daarom geneigd zijn om te spelen met de grenzen van genres.
Tsead Bruinja (1974) werkt regelmatig samen met muzikanten en beeldende kunstenaars, Eva Meijer (1980) combineert in hun roman Dagen van glas proza met poëzie, brieven en een onderzoeksverslag, Steve Marreyt (1983) maakte onder zijn alias Edgar Wappenhalter een elpee geïnspireerd op gedichten van Sonja Prins en Max Greyson (1988) modelleert zijn jongste bundel naar een klassieke tragedie. Ze kijken verder dan hun neus lang is, of hun navel diep, hoe persoonlijk hun werk ook wordt.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat in deze bundels, verschenen tussen eind 2024 en begin 2025, sprake is van een zeker engagement. Hoe eigenzinnig de invulling daarvan in elk werk ook is, één aloude boodschap resoneert telkens in meerdere en mindere mate: we hebben elkaar nodig.
Voormalig Dichter des Vaderlands Tsead Bruinja opent zijn veelzijdige bundel Wat deed ik daar (ondertitel: een voluptueus biografies visiedocument met intermezzo’s en af en toe een gedicht) met een motto van M. Vasalis’ gedicht ‘Duif’ uit Vergezichten en gezichten: “(…) en ieder leek een bos, zo vol, zo wonderlijk / en in zichzelf gekeerd, prevelend opgericht.” Zoals alle gezichten uit Vasalis’ omgeving voor iets groters komen te staan, zo is ook Bruinja meesterlijk in het creëren van vergezichten door het gedetailleerd en kleurrijk portretteren van wat dichtbij is – de derde afdeling bestaat zelfs alleen maar uit portretten van Friese ouderen. Een van de landschappen die uiteindelijk door zijn gedichten en gezichten schemert, is een in zichzelf gekeerde maatschappij. Daar wil iedereen eigen lijf en bezit beschermen en slaat angst voor de minder fortuinlijke Ander om in vijandigheid. Die vijandigheid is voelbaar bij de buurman met zijn prikkeldraad, maar ook in nationaal (asiel)beleid: “onze regering weet niet meer waar ze haar barmhartigheid heeft gelaten”.
Tsead Bruinja ruit in zijn gedichten niet op, hij toont mogelijkheden, een alternatief
Toch wijst Bruinja niet alleen op verbitterde buren die elkaar online opjutten tegen “ongewenste bezoekers”, een verdwenen minderjarige asielzoeker die onder de afkorting “M.o.b.” (“Met onbekende bestemming vertrokken”) zomaar wordt weggearchiveerd, of de “voor luchtfietserij bevattelijke medemens”. Hij toont ook een veerkrachtige vrouw die een gehaktbal door de helft hakt, een gepensioneerde die zich bij stichting VluchtelingenWerk aanmeldt, en het open gezicht van een kind. Ook zij zijn deel van wat ons “samen” dan ook is.
Het gedicht ‘ik zou je het liefst’ bevat de ontstaansgeschiedenis van een alternatieve, humane maatschappij. Een man heeft “de oplossing voor alles” bij zich in een doosje, waardoor steeds meer mensen zich bij hem voegen. Er wordt koffiegezet, vrienden halen vrienden erbij en “iedereen wil alles verhelpen”. Zo maakt het doosje op slinkse wijze zijn belofte waar, want in dit samenzijn schuilt een heilzaamheid, een geheel dat zijn delen sterker maakt: “en langzaam komt de hele horde bij het doosje staan // wat zijn jullie blij dat jullie elkaar eindelijk hebben gevonden / nooit meer willen jullie elkaar kwijt”.
Bruinja vertelt de lezer niet of dit een ijdele droom of een concrete aanmoediging is. De dichter ruit niet op, hij toont mogelijkheden, een alternatief. Ondertussen blijft de taal een doel op zichzelf en bekent niet altijd eenduidige kleur. Bruinja bedankt voor gebruikelijke wetmatigheden (dan worden gedichten “voor de politie”), neemt ruimte om te spelen en experimenteren en dat levert veel taaljuwelen op. Zoals in het extreem klankrijke ‘licht, schaduw kwam eerst, toch?’, dat uit de letters van de woorden “licht”, “schaduw” en “boom” bestaat en waar de taal dus leidend is:
wild licht wil bos als schacht
wil schoot als bad
lacht sluw
om wat?
Neemt de taal in het ene gedicht het voortouw, in het andere onteert Bruinja haar op crimineel bevredigende wijze: “achterlijk gedicht // met je onnavolgbare katoenen gekef / ik geef je een spuitje tegen de interpretatie”.
(…)
Lees het hele artikel op: https://www.de-lage-landen.com/