– Janita Monna over 'Springtij' (Querido) in Trouw vandaag
– Janita Monna over 'Springtij' (Querido) in Trouw vandaag
https://www.nporadio1.nl/nos-met-het-oog-op-morgen/
Tsead Bruinja, Jan Dirk van den Burg en Daan Roovers, wat ze met elkaar gemeen hebben? Ze zijn allemaal de 'Des Vaderlands' geweest in 2020. Tsead is dichter, Dirk Jan fotograaf en Daan de denker des Vaderlands. wat is volgens hen de stand van ons land?
Na ons kwam deze sterke column van Tom Lanoye over hoe rijke landen vaccins hamsteren (en de arme landen daar de dupe van worden)
Ik trek mij terug en wacht.
Dit is de tijd die niet verloren gaat:
iedre minuut zet zich in toekomst om.
Ik ben een oceaan van wachten,
waterdun omhuld door 't ogenblik.
Zuigend eb van het gemoed,
dat de minuten trekt en dat de vloed
diep in zijn duisternis bereidt.
Er is geen tijd. Of is er niets dan tijd?
– Nu we bijna aan het eind van het jaar beland zijn en ik binnenkort het stokje mag overdragen als DDV, blik ik de komende dagen terug door de vijf columns die ik tot nu toe voor poëzietijdschrift Awater heb geschreven te delen. In een speciaal nummer van Awater dat in de Poëzieweek verschijnt, staat mijn laatste column als DDV. Wie de gedichten wil lezen die ik heb geschreven als DDV kan terecht op www.dichterdesvaderlands.nl/
In plaats van weelderige tuinen en koele theaters was mijn podium de afgelopen maanden een telefoon. Ik en mijn aerosols bedienden twee poëtische helpdesks, een in België en een in Nederland. Bij Dichter van Wacht in België belde de luisteraar in bij een computer om daarna te worden doorverbonden met de dichter. Bij Dichter aan de Lijn, de Nederlandse variant, kregen we een lijstje met nummers dat we zelf mocht afwerken. De ene keer waande ik mij een Jehovagetuige met zijn voet tussen de deur, de andere keer speelde ik voor therapeut, soms was ik een dichter die de les moest worden gelezen.
Tijdens Dichter van Wacht werd ik gebeld door een eenzame oude mevrouw die vertelde over het applaudisseren voor de zorg bij haar in de straat. Om vijf voor acht stond bijna iedereen al buiten, verlegen om een praatje. Mevrouw had een kat gehad waar ze zeer op gesteld was geweest. Een jaar geleden was de poes overleden. Een bejaard oppashondje bood troost en gezelschap. Maar na een maand moesten de eigenaars haar helaas laten inslapen. Het zou wel even duren voordat mevrouw weer aan een huisdier toe was.
Ik sprak ook een medewerkster van een zelfmoordlijn. Ze had een paar minuten over en was benieuwd hoe het eraan toeging bij Dichter van Wacht. Er was een psycholoog die in het ziekenhuis het personeel bijstond. 's Avonds terwijl ze alleen thuis zat, wilde ze wel even een andere stem horen dan die van haar cliënten. Een moeder belde samen met haar achtjarige dochter. Haar juf had gezegd dat de Renaissance ook wel de Gouden Eeuw wordt genoemd. Een poging van moeder om dat misverstand uit de wereld te helpen werd niet gewaardeerd. Nog steeds verhuizen mensen naar dit dorp om hun kinderen er naar school te laten gaan.
Na Dichter van Wacht ging ik aan de slag als Dichter aan de Lijn. In Nederland belden we zelf. Julia, het eerste nummer dat ik had ingetoetst, reageerde verbaasd. Ze wist van niks en dacht dat haar zoon haar had opgegeven. Bij het tweede nummer werd er niet opgenomen. Ik besloot mijn gedicht op de voicemail achter te laten. Halverwege werd de voordracht afgekapt. Bij het derde nummer werd er wel opgenomen en daarna meteen opgehangen.
Ik sloot de avond af met Paul B. uit Amsterdam. Paul opperde dat het einde wel van mijn gedicht af kon. Hij had zelf net een gedicht van Hans Andreus voorgedragen bij de uitvaart van zijn neef, een manager van Nederlandse zangers die op 62-jarige leeftijd overleden was aan corona. Ik vroeg Paul of ik nog een gedicht mocht voorlezen. Dat mocht. Het gedicht had van hem na de laatste regel nog wel even door kunnen gaan.
Op 4 mei, na de twee minuten stilte, kwam mijn boodschap bij Bea wat ongelegen. “Het is heel erg jammer, maar ik zit net op de TV naar De Oorlog in 100 foto’s te kijken.” Ik liet haar en keerde terug naar mijn bellijst. Gisela was net als Julia door iemand anders opgegeven. Haar Duitse accent maakte mijn voordracht (ik had gedichten over de oorlog uitgezocht) net iets meer beladen. Ze reageerde geëmotioneerd. Na Gisela volgde Karin, bij wie ik, inmiddels wijzer geworden, een kort gedicht achterliet op haar voicemail. Ze belde mij vrij snel terug en bekende dat ze nog nooit van mij of het initiatief had gehoord. Onverwacht werd het een leuk gesprek.

In het kielzog van de eerste editie van 'Dichters van wacht' selecteerden de bloemlezers Luuk Gruwez en Thomas Möhlmann één gedicht van elk van hun collega-dichters van wacht. De bundel werd uitgegeven door PoëzieCentrum in samenwerking met Verb(l)ind vzw.
Het was dus niet alleen maar kommer en kwel aan de telefoon. Ik sprak een blije edelsmid van 70 die net een nieuwe hartklep had gekregen en er was Jacqueline die mijn telefoontje niet meer had verwacht. Eigenlijk wilde ze na mijn voordracht zeggen dat ze het gedicht te lang vond, maar ze slikte haar woorden in en vroeg vriendelijk uit welke bundel het gedicht kwam. Die ging ze kopen. Vera zat met een glas whiskey (dronk ze normaal nooit) te genieten van de storm. Ik belde precies op het juiste moment. Als laatste sprak ik met Christy. Christy had eigenlijk niet veel met poëzie, maar zag Dichter aan de Lijn voorbijkomen op instagram. Ze was het min of meer vergeten, verwachtte niet meer gebeld te worden, “maar vond het toch leuk.”
“God straft wie rocker in Holland wil zijn,” zong Jan Rot in 1992. In 2020 was het dankzij Paul, Bea, Christy en de organisatie van Dichter van Wacht en Dichter aan de Lijn een genot om dichter te zijn.
Dit was het gedicht dat ik als eerste voordroeg tijdens de opnames voor het item over Dichter aan de Lijn. De voordracht van 'Grachtengordelgedicht met duur eten' sneuvelde op de snijtafel, maar cameraman Benjamin Kamps (https://benjaminkamps.com/) stuurde hem op mijn verzoek door voor eigen gebruik.
na het elkaar niet omhelzen en het bespreken
van het elkaar niet omhelzen
na de vitello tonnato de saltimbocca
en het viertal glazen witte wijn
die het gesprek met de 87-jarige vriendin
over het wel of niet doorgaan met publiceren
als je op leeftijd bent
en misschien niet meer
beschikt over de scherpste pen
over laat vloeien
in het vergelijken van verliefdheden
het verschil in temperament
na de extra limoncello
die na de limoncello van het huis
nog besteld moest worden
aan het einde van het gesprek
dat je in eerste instantie wilde afblazen
vanwege je droge keel
kijk je de vriendin aan
die betaald heeft
voor je eten
je geeft haar een knuffel een dunne kus op de wang
en begint meteen je te verontschuldigen
ze wuift het weg en zegt in een zijstraat van de jordaan
waar fietsen net wat te dicht op elkaar staan
ik denk dat ik weet wat je bedoelt
in de halflege tram naar huis gaat het door je heen
het heeft mij goed te pakken
dit wikken en dit wegen
maar nog niet stevig genoeg
Neem een abonnement
Met een abonnement op poëzietijdschrift Awater blijft u op de hoogte van wat zich afspeelt in de Nederlandstalige poëzie. In Awater - het grootste poëzietijdschrift van Nederland – vindt u nieuws, achtergronden en poëziekritiek. Daarnaast ontvangt u drie keer per jaar de meest interessante dichtbundel uit het actuele aanbod.
De kosten voor een abonnement (3 x Awater, 3 x bundel) zijn € 75 per jaar.
Of neem een Awater-abonnement sec (3 x Awater) voor slechts € 25 per jaar.
Als klein hummeltje voer Jan de Jong mee op het vrachtschip van zijn ouders. Ook in de Tweede Wereldoorlog brachten zij suikerbieten van Friesland naar Groningen om vervolgens met turf uit Drenthe terug te keren. Moeder stond aan het roer. Vader nam de andere taken op zich. Op het dek speelde Jan die met een touw aan de roef zat vastgebonden.

Foto door Rosa van Ederen – http://www.rosavanederen.nl/
Nu is Jan een van de bewoners van de Talma Hoeve, een woonzorgcentrum in het Friese dorp Veenwouden. Het is de derde locatie op een tour die ik maak met muzikant Arnold de Boer, fotografe Rosa van Ederen en wisselende gastdichters. Twee dagen lang luisteren we naar vrolijke of schrijnende levensverhalen en maken we samen met de bewoners nieuw werk. Jan wordt gekoppeld aan Rosa die meteen een taxibusje bestelt om met Jan een foto te maken van een spoorbrug uit zijn jeugd.
Spoorwegstaking 1944
September '44 de staking was begonnen.
Toen was het, dat een stakende spoorwegbeambte,
bij nacht de baan langs kwam gelopen.
In het water lag een bootje,
met een schipper voor hem gereed,
Die zei: “Stap maar in jongen,
Dan vaar ik je naar je stee…”
Dit is het begin van de vertaling van een Fries gedicht dat Jans moeder schreef. Het vertelt over een man die in de oorlog naar zijn onderduikadres gebracht moest worden. Voordat ze kunnen vertrekken, moet hij nog iets kwijt; er is er nog ‘één bij die niet mee kan naar de boer’. Als een hond wordt die verzopen. Dan kan de reis worden voortgezet. ‘Het waren onderduikers./ moordenaars waren het niet,’ besluit het gedicht, ‘want wat ze daar verzopen,…./ was de spoorwegbeambte zijn oude pet.’
Rosa en Jan maken nog een paar foto’s, onder andere van de rododendron bij woonzorgcentrum Talma Hûs in hetzelfde dorp. Het is de plek waar voor Jan ‘de vlam in de pan sloeg’ tussen hem en zijn inmiddels overleden vrouw. Hij was een schildersknecht van 17, zij een hulp van 15. Op Rosa’s foto zie je de zon bijna als een geest door de rododendrons knallen, een felle witte waas die de hele rechter bovenhoek van het beeld beslaat. Op een andere foto zie je alleen de hand van Jan, een dubbele trouwring om zijn ringvinger. Hij knijpt in de rem van het handvat van zijn rollator met daarnaast op het naamschildje 'drive’ als merk. Even denk ik dat hij het vulpistool van een benzinepomp indrukt.

Foto door Rosa van Ederen – http://www.rosavanederen.nl/
De oorlog komt vaker ter sprake tijdens onze tour. Een oud-bakker die niet meedoet, komt aan het eind van de eerste dag een praatje maken dat uitloopt op een ellenlange monoloog. Ik wil niet onbeleefd zijn en hem zeggen dat ik aan de slag moet. Hij vertelt over zijn eerste dagen als bakker en beklaagt zich over de onwil van zijn medebewoners om te praten over de oorlog, in zijn geval die in Indonesië, waar hij niet alleen kookte, maar ook als scherpschutter een Jap uit een boom schoot. Van niets heeft hij spijt.
Bij het optekenen van al die kleine geschiedenissen vergeet je bijna dat je met oude geheugens te maken hebt. Via facebook wordt Rosa door een achterneef van Jan op een interessant feitje gewezen. De spoorwegbeambte was geen vreemde van de familie. Het was de broer van Jans vader. De achterneef vond het ‘wel bijzonder dat Jan niet verteld had dat de spoorbeambte zijn oom was, “want het is wel een bekend familieverhaal. Maar misschien was hij wel overdonderd door het fotomodel zijn.’ Daarna moet de achterneef zijn eigen verhaal kwijt over hoe zijn grootouders elkaar op het ijs hebben ontmoet. Een Duitse soldaat zou opgemerkt hebben ‘is dat niet de dochter van de gevluchte spoorwegbeambte?’ Aangifte deed hij niet.
Eind maart is het wanneer ik deze column schrijf. Jan de Jong en de oud-bakker krijgen even geen bezoek. Bij Rosa, Arnold en mij, ieder van ons gezond en hongerig naar nieuwe oude verhalen, begint het te jeuken. Wij willen door, wij willen terug.
Hieronder een item van Omrop Fryslân over ons bezoek aan Veenwouden. Op hun website schreef Onno Falkena een verslag.

Neem een abonnement
Met een abonnement op poëzietijdschrift Awater blijft u op de hoogte van wat zich afspeelt in de Nederlandstalige poëzie. In Awater - het grootste poëzietijdschrift van Nederland – vindt u nieuws, achtergronden en poëziekritiek. Daarnaast ontvangt u drie keer per jaar de meest interessante dichtbundel uit het actuele aanbod.
De kosten voor een abonnement (3 x Awater, 3 x bundel) zijn € 75 per jaar.
Of neem een Awater-abonnement sec (3 x Awater) voor slechts € 25 per jaar.
– Nu we bijna aan het eind van het jaar beland zijn en ik binnenkort het stokje mag overdragen als DDV, blik ik de komende dagen terug door de vijf columns die ik tot nu toe voor poëzietijdschrift Awater heb geschreven te delen. In een speciaal nummer van Awater dat in de Poëzieweek verschijnt, staat mijn laatste column als DDV. Wie de gedichten wil lezen die ik heb geschreven als DDV kan terecht op www.dichterdesvaderlands.nl/
Er zijn weinig opdrachten die ik weiger. Als volbloed republikein schreef ik zonder schroom een vers bij het overlijden van Prinses Christina, ik liet voor de Ambassade van de Noordzee de ene potvis aan de andere potvis vragen of Trump ‘echt hoeren op een Moskous hotelbed had laten plassen waar Obama eerder op had geslapen’ en ook bij de viering van 25 jaar Stichting Achmea Slachtoffer en Samenleving liet ik van mij horen. Ik ben een dichter van het hele Vaderland. Of toch misschien niet van alles en iedereen.
Op 23 oktober kwam het eerste verzoek binnen waar ik goed over na moest denken. Moniek de Jongh van Food Inspiration | Shoot my food communication vroeg mij een gedicht te maken waarin ik ‘een lans zou breken voor de frituursnack’. Ik had geen idee van de benarde positie waarin de fastfoodsector zich bevond. Bij mij om de hoek, in de Jan Evertsenstraat te Amsterdam-West, floreren Cafetaria 't Eefje, Snackbar Marja en Evert Snack volop.
Niets blijkt minder waar. Moniek schrijft: ‘In een wereld waar door de invloed van social media alles en iedereen doorlopend onder een vergrootglas ligt, is het soms lastig om nog uit te komen voor je cravings of er aan toe te geven. Zeker als het gaat om onderwerpen waarvan het bewezen is dat het “slecht” is voor jezelf of voor de planeet.’ Dat ben ik met Moniek eens. Bij dancefestivals en andere sociale gelegenheden was ik nogal eens geneigd om mij te goed te doen aan Nederlands grootste exportsucces. Door de beelden van gedumpt drugsafval, vaak in stille lommerrijke omgevingen, en ook door het geweld dat het vakgebied van de dealers kenmerkt, vraag ik mij af of dat pilletje nog wel kan.
Moniek werkt in de communicatie en weet heel goed dat je met een sterke vergelijking een heel eind komt. Ze zegt: ‘Zo was er al vliegschaamte: je weet dat vliegen slecht is voor het milieu, en toch doen we het massaal. Onder druk van de publieke opinie durven we er alleen niet altijd meer openlijk voor uit te komen… En nu is er dus ook snackschaamte. De schaamte om te kiezen voor en genieten van een vette hap, terwijl je weet dat het niet goed is voor je. In onze wereld lijkt gezond eten – met de alomtegenwoordigheid van vegan restaurants, flexitariërs, vitaminboost-sapjes, en ga maar door – de nieuwe norm. Het helpt dat groentegerechten, vol kleuren en structuren, een stuk meer “Instagrammable” zijn dan de gemiddelde frituursnack.’ Weer een goed punt, Moniek, al gaat het leven van groente ook niet altijd over rozen. Denk maar aan het droeve lot van jonge sla die ‘in september,/ net geplant, slap nog, in vochtige bedjes’ amper door Rutger Kopland verdragen kon worden of aan de witlof waarvan kinderen niets willen weten in ‘Koor van ongehoorde waaibomen’ van Erik Menkveld:
KOOR VAN ONGEHOORDE WAAIBOMEN
En nu we planken zijn
in deze vloer, horen ze
ons voor geen meter,
terwijl wij bij de minste
beroering vervaarlijk
kraken en zij tijdens
koken of woorden tal
van voeten verplaatsen.
Zelfs nu we tafel zijn
waar ze aan eten met onze
poten tussen hun benen
en onder hun blote handen
ons hout, zijn we vergeten:
gesprekken voeren ze aan ons
en kinderen die van geen
witlof willen weten.
Maar allemaal hebben we
blad gedragen, tegen
wilde luchten de wind
in ons tekeer voelen
gaan. En onder sommige
van ons is daar naar
geluisterd en diep
in gedachten gestaan.
© 2001, Erik Menkveld
Uit: Schapen nu! (De Bezige Bij, Amsterdam, 2001)
Ik ben een fan van beide. Om mijn wat problematische stoelgang op gang te houden, eet ik iedere dag een kruiwagen aan fruit en groente. Als ik in een café kom met mijn grote geliefde wil ik ossenworst of bitterballen bij de Westmalle Dubbel en twaalf jaar lang was de belangrijkste reden om met Bas Kwakman, schrijver en voormalig directeur van Poetry International, een poëzieavond te organiseren op camping Stortemelk te Vlieland, de royale schaal snacks die directeur Jan ons voorschotelde na het optreden. Die schaal werd door mij eerst tot ‘Snackship Potemkin’ gedoopt, waarna ‘De Bruine Fruitschaal’ het overnam. Nooit hoorde ik onze gastdichters smeken om een bosje wortels of een glimmend radijsje.
‘Er is een tegengeluid nodig,’ vindt Moniek de Jong, ‘wij pleiten voor snackvreugde! We hopen op een “smakelijk” gedicht waarin de loftrompet wordt afgestoken over de frituursnack. De kroket, de frikandel, de bamischijf, de mexicano, de….: het blijft per slot van rekening ons culinaire erfgoed!’ Ik heb haar moeten teleurstellen. Het voelde toch een beetje vies, alsof ik reclame ging maken voor sigaretten. Ik heb haar aangeraden het eens te proberen bij collega Justin Samgar die eerder champagnemerk Moët & Chandon in het zonnetje zette. En anders moet ze eens een kijkje nemen op de website 1001gedichten.nl. Daar staan pareltjes op als ‘Moe zo moe’ geschreven door de dichter Asympt (pseudoniem van de dertienjarige Amy) : ‘Ik voel me heel moe/ Ik heb ook zoveel gedoe/ Ik word gek/ Daarom neem ik een snack// Ik voel me ook beroerd/ omdat iemand weer heeft gezeurd/ Het is gewoon vervelend/ Dat iemand dat verzint.’
P.s. voordragen in een snackbar ben ik dan weer wel een groot voorstander van:
Later is er een gedicht dat ik schreef voor Beetsterzwaag op de zijkant van Cafetaria De Jong geplaatst:

Foto door Sietse de Boer / Tekst door Renske Woudstra
Burgemeester Ellen van Selm onthulde donderdag 12 maart de definitieve plek voor het gedicht ‘Iepen/Open’ van dichter des vaderlands Tsead Bruinja. Het gedicht heeft een plek in het zijraam van De Jong’s Cafetaria aan de Hoofdstraat in Beetsterzwaag.
wy kinne tsjinoer inoar stean gean
mei spandoeken en megafoans
roppe en raze dat it in aard hat
of we kinne in ferhaal betinke
oer hoe't we hjir bedarre binne
en wat de iene oan de oare ha kin
de wurkjende minske sjoch ik graach
de boartsjende minske ha ik it leafst
*
wij kunnen tegenover elkaar gaan staan
met spandoeken en megafoons
om het hardst roepen en schreeuwen
of we kunnen een verhaal bedenken
over hoe we hier samen zijn beland
en wat de ene aan de andere kan hebben
de werkende mens zie ik graag
de spelende mens heb ik het liefst
Voor die plek is gekozen omdat er bij het cafetaria sinds LF2018 regelmatig literaire activiteiten zijn onder de noemer Literair Snacken. Het gedicht is een cadeau van stichting Culturele Hoofdstraat aan het dorp. Aansluitend op de onthulling organiseerde Boeken van Fryslân het programma ‘Foar freonen en troch freonen’ met optredens van de dichters Martin Reints, Anne Feddema en Edwin de Groot.
Bron: https://sa24.nl/vaste-plek-voor-gedicht/
Neem een abonnement
Met een abonnement op poëzietijdschrift Awater blijft u op de hoogte van wat zich afspeelt in de Nederlandstalige poëzie. In Awater - het grootste poëzietijdschrift van Nederland – vindt u nieuws, achtergronden en poëziekritiek. Daarnaast ontvangt u drie keer per jaar de meest interessante dichtbundel uit het actuele aanbod.
De kosten voor een abonnement (3 x Awater, 3 x bundel) zijn € 75 per jaar.
Of neem een Awater-abonnement sec (3 x Awater) voor slechts € 25 per jaar.
Op maandagavond 21 december stond NPO Radio 1 volledig in het teken van kunst en cultuur. In Zes Uur Cultuur spraken presentatoren Jellie Brouwer (NTR) en Pieter van der Wielen (VPRO) met een diverse groep makers uit de wereld van muziek, literatuur, theater, musical en cabaret.
Meer Dieleman: http://www.snowstar.nl/artist/broeder-dieleman/ – Zes Uur Cultuur (de hele uitzending): https://www.nporadio1.nl/podcasts/nooit-meer-slapen/
Kerstspecial van de Poëziepodcast
Podium Harlingen is een project gestart: Een minuutje vriendschap. Iedere dag post het Harlinger mediabedrijf rond 12 uur een nieuwe minuut televisie op hun website http://www.podiumharlingen.nl. In Een minuutje vriendschap zal steeds op verschillende manieren stil worden gestaan bij het maatschappelijk belang van vriendschap bij de oplossing van de sociaal-maatschappelijke problemen die uit de corona-crisis voortkomen. Directe aanleiding vormt de tijdelijke stopzetting van twee culturele projecten: de Karavaan van de Vriendschap (opdrachtgever: de gemeente Leeuwarden) en de Avonden van de Vriendschap (opdrachtgever: Leger des Heils).
https://podiumharlingen.nl/persbericht-minuutje-vriendschap/
– Nu we bijna aan het eind van het jaar beland zijn en ik binnenkort het stokje mag overdragen als DDV, blik ik de komende dagen terug door de vijf columns die ik tot nu toe voor poëzietijdschrift Awater heb geschreven te delen. In een speciaal nummer van Awater dat in de Poëzieweek verschijnt, staat mijn laatste column als DDV. Wie de gedichten wil lezen die ik heb geschreven als DDV kan terecht op www.dichterdesvaderlands.nl/
‘Is dat niet zwaar, al dat schrijven in opdracht?’ vragen mensen mij vaak. Ik zeg dan dat ik hiervóór al veel werk op aanvraag heb geschreven en dat het wel meevalt. Voor het gemak laat ik de vertwijfeling weg die zich vlak voor iedere deadline meester van mij maakt. Ik vind mijzelf op die momenten een complete mislukkeling en wil de handdoek het liefst voor eeuwig in de ring gooien.
Tijdens de vijf jaar dat ik gelegenheidsgedichten schreef voor het EO-radioprogramma Dit is de Dag overkwam mij dit maandelijks. Dichters kregen van de royale evangelisten tachtig euro, 180.000 luisteraars en anderhalf uur de tijd om een gedicht in elkaar te draaien rond een onderwerp of vier, bijvoorbeeld over Emile Roemer die beweerde als gemeenteraadslid eigenhandig een fietsenrek te hebben verplaatst.
Het succes van Dit is de Dag leidde, mede dankzij de Nederlandse poëzie, tot een spin-off. Bij Dit is de zondag draaide het om een gast en een heel leven. Begin 2013 mocht geestelijk verzorger Rita Renema aanschuiven. Renema werkte in een palliatief centrum. Na haar ervaringen als verzorger en als kankerpatiënte had ze de stichting ‘Als kanker je raakt’ opgericht. Nu was ze zelf terminaal ziek. Ik schreef voor haar ‘Vertrek’, waarin twee mensen aan een rivier neerstrijken om ‘nog een keer te vragen/ wat die ander van het uitzicht vindt.’ De dood kreeg mijn pen beter op gang dan de SP.
VERTREK
er is veel wat je kan
als je niks meer kunt
voor je vertrekt
om hulp vragen
iemand ervoor bedanken
in gedachten samen aan de oever
van een snel stromende rivier gaan staan
de ander vragen op je te letten
tijdens het pootjebaden
een kleed uitspreiden op het gras
als rijpe bessen je wensen eten
de idealen uitschenken
die je eerder wild en dronken maakten
en dan gaan liggen
om naar de overkant te staren
en nog een keer te vragen
wat die ander van het uitzicht vindt
Daarom was ik blij met de uitnodiging om iets te schrijven ter gelegenheid van de Nationale Dag Aandacht voor Sterven. Het ging de organisatie om ‘het “normale”, natuurlijke sterven, als iets dat bij het leven hoort.’ om het geven van ‘kracht en vertrouwen’. Het honorarium was meer dan tien keer het schamele gage van de EO.
Ik rekende mezelf rijk en begon mij te verdiepen in wilde vakantieplannen met mijn nieuwe vriendin. Eerst moest ik namens het Landelijk Expertisecentrum Sterven bij de NRC nagaan of die de verse pennenvrucht zou gaan afdrukken. Zo niet dan wilde men toestemming om hem elders te slijten. De NRC kon niks toezeggen en was geen groot voorstander van publicatie bij een concurrent. Het feest ging niet door. Ik kon naar het geld fluiten. Het Expertisecentrum wilde geen gedicht maar een advertentie.
Niet getreurd. De vakantie op het Groninger platteland, inclusief hot tub, werd bekostigd met een gedicht dat ik schreef voor Rikkert Zuiderveld, die als laatste der poëtische Mohikanen afscheid nam van Dit is de Dag. Lang leve de EO en lang leve de dood!
laat de laatste de eerste zijn
de laatste der mohikanen uncas
zoon van opperhoofd chingachgook
was in het gelijknamige boek
de jongste nog levende mohikaan
tot hij stierf en zijn vader
de twijfelachtige eer toeviel
de laatste te zijn
maar de mohikanen leven
ze spannen rechtszaken aan
om hun land terug te winnen
bouwen vakantieoorden en casino’s
waarmee ze hun kinderen
naar school laten gaan
laten wij ons als dichters verenigen
en een commerciële omroep beginnen
met spelletjesprogramma’s waarin we kijkers
met een brede glimlach hun complete vermogen
laten vergokken
met de advertenties bekostigen we het werk
van noodlijdende collega’s die nergens meer aan de bak komen
richten we schrijversscholen op waar debutanten
rustig kunnen zoeken naar iets wezenlijks
vrij van algoritmes kijk- en luistergrafieken
komen zij tot de kern van het bestaan
laten ze los wat ze dachten te hebben
en wat ze dachten te zijn
beginnen ze aan een nieuwe reis
met nieuwe vragen
bijvoorbeeld over het behoud van zandweggetjes
en hoeveel kauwgomballen er nodig zijn aan een boom
wil het jaar
een goed kauwgomballenjaar zijn

P.s. als bonus het gedicht over Roemer:
HOBBYPOLITIEK SLOOPPOLITIEK
er staan nog geen geschenken vermeld
op de internetpagina van sp-leider emile roemer
maar bij deze krijgt hij van mij een cadeau
namelijk een lichte herschrijving van zijn bio
begin quote
mijn eerste ervaring in de politiek was een fietsenrek
dat bij het zwembad stond aan de overkant
van een drukke straat
het gemeentebestuur wilde de verplaatsing
op de begroting van het volgende jaar zetten
toen heb ik op een avond met een hele club mensen
het rek naar de overkant gesjouwd
ik ben de politiek ingegaan
om de wereld te verbeteren
hoezo moet zoiets maanden duren?
einde quote
het doet een beetje denken aan mijn buurjongetje manu
die toen hij vorige week de zee zag
zwembad riep
is dit de droom die je leeft emile
een stukje zekerheid een beetje erbij voor de minima?
een streep door de jsf de waterschappen en de uwv?
wat is je droom?
welk fietsenrek ga je verplaatsen
in nederland?
en waarom speelt je dweilorkest
niet eens iets ambitieuzers?
slaap in je oefenhok emile
droom denk sloop en kom terug
met iets grandioos
mik eens op a love supreme
je stáát niet voor een zwembad
je staat voor de zee
Neem een abonnement
Met een abonnement op poëzietijdschrift Awater blijft u op de hoogte van wat zich afspeelt in de Nederlandstalige poëzie. In Awater - het grootste poëzietijdschrift van Nederland – vindt u nieuws, achtergronden en poëziekritiek. Daarnaast ontvangt u drie keer per jaar de meest interessante dichtbundel uit het actuele aanbod.
De kosten voor een abonnement (3 x Awater, 3 x bundel) zijn € 75 per jaar.
Of neem een Awater-abonnement sec (3 x Awater) voor slechts € 25 per jaar.
– Nu we bijna aan het eind van het jaar beland zijn en ik binnenkort het stokje mag overdragen als DDV, blik ik de komende dagen terug door de vijf columns die ik tot nu toe voor poëzietijdschrift Awater heb geschreven te delen. In een speciaal nummer van Awater dat in de Poëzieweek verschijnt, staat mijn laatste column als DDV. Wie de gedichten wil lezen die ik heb geschreven als DDV kan terecht op www.dichterdesvaderlands.nl/
‘Twee nieuwe verzoekjes,’ schreef Luuk Maas van de Schrijverscentrale op 30 januari. Ik was amper twaalf dagen in dienst als Dichter des Vaderlands en het regende nog geen optredens. Het was stil en ik wilde maar al te graag de hort op als ambassadeur van de poëzie. Het eerste verzoek ging om een muzikale wandeling tijdens een Bachfestival te Dordrecht in 2020. Het tweede betrof ‘Het laatste woord’ op 14 februari te Leeuwarden. ‘In het programma wordt het Valentijnsthema steeds ludiek gecombineerd met thema’s als rechtstaat, democratie en wetten (er is bijvoorbeeld een stukje “verliefd op vrouwe justitia”),’ schreef Luuk. Men wilde ook een nieuw gedicht ‘liefst met diezelfde combi’. Gretig zegde ik toe.
Op 6 februari plaatste de organisator op Facebook de volgende warrige update: ‘Naar aanleiding van een flyer (proclamatie burgerinitiatief) opgestart in Friesland in het kader van het 100e jubileumjaar van de algemene kieswet die Piter Jelles Troelstra heeft geïnitieerd, over de vraag: “aan wie behoord [sic] in een democratie eigenlijk het laatste woord toe”, werd Tsead Bruinja, de Dichter des Vaderlands, zo geïnspireerd dat die graag op Valentijnsdag 14 februari 2019 zijn verliefdheid op de directe democratie in de symbolische gestalte van Vrouwe Justitia (kieswet), in Leeuwarden in de bibliotheek (dbieb) via een gedicht de startschot voor dit feest gaat lossen.’ In krom Nederlands was ik ingelijfd en verliefd verklaard.
De strijdlustige proclamatie, onderaan Luuks mailtje, had ik over het hoofd gezien. Hij was gericht aan leden van de Tweede en de Eerste Kamer en riep op tot ondersteuning van een motie. Nieuwe wetten zouden volgens die motie pas rechtsgeldig worden na een referendum. Op zich weinig mis mee, dacht ik. Het ging echter meer om een bevel dan een oproep: ‘Indien u dit democratische proces niet respecteert zal ik, zolang wij als stemgerechtigden niet het laatste woord krijgen, niet meer gaan stemmen, en zal ik uw ondemocratische houding aan mijn naasten bekendmaken en hen aanmoedigen om ook niet meer te stemmen totdat “Het Laatste Woord” staatrechtelijk is verankerd.’ Ik was ingelijfd, verliefd verklaard en had, zonder het te weten, mij achter een groteske bedreiging geschaard.

organisator Jurgens Redczus
De poster met mijn stralende hoofd hing door heel Leeuwarden. Ik moest wel gaan en schreef een gedicht over absurde wetten, zoals de Franse wet die het burgers verbiedt hun varken Napoleon te noemen. Er was saté met friet en de organisator bleek een lieve man. Mocht u een politiek karretje hebben staan dan weet ik nog wel een gewillig blind Fries paard.
de waarheid hebben we in pacht de wijsheid
hebben we uitgeleend aan mensen van wie we de onkunde
net wat kleiner achten dan de onze
dat levert vreemde wetten op
in frankrijk mag je je eigen varken niet napoleon noemen
in australië is het verboden het dier dat je gaat opeten
een naam te geven
in china mag je iemand die aan het verdrinken is niet redden
dat gaat in tegen het lot
je mag in chicago niet eten op een plek die in brand staat
in nederland is het verboden een inbreker op te sluiten op het toilet
en blijft je schoonmoeder na de scheiding
voor eeuwig je schoonmoeder
ook al heb je er al meerdere
er schuilt grote schoonheid in de wet
en nog grotere in directe democratie
dus kom in opstand volk dat buigen vreemd is
ontwaak en houd u krachtig
eis naast de kamers en lobby’s je eigen plein van inspraak
dan kunnen we samen bij een fikkend pandje
napoleons eten
en onze schoonmoeders redden van verdrinking
om hen vervolgens te kunnen opsluiten
met de inbreker op het toilet
Neem een abonnement
Met een abonnement op poëzietijdschrift Awater blijft u op de hoogte van wat zich afspeelt in de Nederlandstalige poëzie. In Awater - het grootste poëzietijdschrift van Nederland – vindt u nieuws, achtergronden en poëziekritiek. Daarnaast ontvangt u drie keer per jaar de meest interessante dichtbundel uit het actuele aanbod.
De kosten voor een abonnement (3 x Awater, 3 x bundel) zijn € 75 per jaar.
Of neem een Awater-abonnement sec (3 x Awater) voor slechts € 25 per jaar.
In 2004 interviewde ik Alfred Schaffer voor het tijdschrift Krakatau, o.a. over zijn voorbeelden John Ashberry, Nachoem M. Wijnberg en Wouter Godijn. Aan het einde van de tekst typte ik een radio-interview uit van VPRO's De Avonden waarbij Schaffer een eigen gedicht toelichtte, bijna regel voor regel. Het leek mij een mooi inkijkje in het vroegere werk van de huidige P.C. Hooftprijswinnaar.
Alfred Schaffer (1973) studeerde in Leiden Moderne Nederlandse Literatuur en Film en Theaterwetenschappen. In 1996 vertrok hij naar Zuid-Afrika, waar hij sindsdien verbonden is aan de Universiteit van Kaapstad. In 2000 verscheen bij uitgeverij Thomas Rap zijn debuut, ‘Zijn opkomst in de voorstad', dat werd genomineerd voor de C. Buddingh'-prijs en bekroond met de Jo Peters Poëzieprijs. Zijn tweede bundel, Dwaalgasten (2002), werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs. In 2003 verscheen de bibliofiele bundel ‘Definities en hallucinaties' (met tekeningen van Judith Veldhoen) bij Perdu. Deze bundel maakte deel uit van de eerder genoemde Jo Peters Poëzieprijs die dit jaar gewonnen werd door Hagar Peeters.
Onlangs verscheen Schaffers vierde bundel ‘Geen hand voor ogen' bij Uitgeverij de Bezige Bij. In diverse interviews noemde hij een aantal van zijn inspiratiebronnen, waaronder het werk van de Amerikaanse dichter John Ashbery en dat van de Nederlandse dichter Nachoem M. Wijnberg. Reden genoeg om hem over die dichters en over zijn eigen werkwijze eens een paar vragen te stellen.
Bij het lezen van je bundels valt op dat je graag je werk opdeelt in afdelingen en dat je kiest voor een aantal terugkerende vormen. Welke rol spelen structuur en vorm bij het samenstellen van je bundels?
Ik begin met het schrijven van gedichten en pas bij de samenstelling van een bundel probeer ik een verhaallijn te ontdekken. Bij het schrijven aan mijn derde bundel ‘Definities en Hallucinaties' wilde ik één vorm volhouden. Ik had behoefte aan vastigheid. Een vorm kies je om jezelf enigszins in te perken. Je bekijkt wat je hebt geschreven en vraagt je af: ‘Hoe scherp zeg ik het nou?' Neem een sonnet. Bij het maken daarvan moet je scherp letten op je formulering. Je kijkt langer of het goed is. Bij het vrije vers lijkt het anders te liggen. Toch vraag ik me ook bij zo'n gedicht af of de vorm die ik gebruik echt nodig is. Onlangs heb ik een cyclus geschreven voor een tijdschrift. Het was in de periode na mijn VSB nominatie, waarin ik, door alle aandacht voor mijn werk, last gekregen had van hyperventilatie en paniekaanvallen. Ik wilde in die cyclus zowel inhoudelijk als qua vorm de kortademigheid verwerken, onder andere door het gebruiken van lange zinnen. Ik heb goed na moeten denken over de noodzakelijkheid van die vorm.
Zou je de titel en het motto van de eerste afdeling van je bundel willen toelichten?
In ‘En profil' is wel sprake van een persoonlijkheid, maar die wordt niet frontaal getoond. Ik vind de gedichten vrij schizofreen. Mijn psycholoog vond dat ook en snapte na het lezen van mijn gedichten beter waaruit mijn angst en paniek voortkwamen. Hij wees me erop hoe mijn gedichten vaak van perspectief verspringen, bijvoorbeeld van een hij naar een wij. Volgens hem duidde dat op een versnipperd onderbewuste. Voor ‘En profil' heb ik een motto van de schrijver Jorge Louis Borges gebruikt: ‘I do not know which of us has written this page.' uit Borges and I. Deze regel is afkomstig uit een kort verhaal van Borges waarin hij speelt met het dubbelleven dat hij leidt als professor en schrijver. Het deed me denken aan mijn eigen persoonlijke crisis. Ik kwam drie maanden lang bijna mijn huis niet uit.
De essayist Roland Barthes beweerde dat het ‘ik' bestaat uit taal en tekst. We kennen onszelf door wat we over onszelf zeggen en schrijven. Dat ‘ik' is dus geconstrueerd en daardoor verzonnen. Hoe zie jij in verband met je crisis en je eigen schrijven het ‘ik'?
Ik worstel met het mysterie van het ik. Ik probeer in mijn gedichten via beelden te zoeken en te denken. Achter elk concept zit bovendien een neurose, ook achter het ontkennen van het ‘ik' dat Barthes doet. Alles komt ergens vandaan. De generatie voor ons werd zich via de veranderingen in de media en de politiek meer bewust van dat ‘ik' en de manier waarop we onze identiteit vormgeven. Dat het ik onpersoonlijk is geloof ik niet. Goeie kunst is juist heel persoonlijk. Ik schrijf mijn woorden en vind mijn gedachten. Dat is wat poëzie zo belangrijk maakt.
Wat waardeer je aan het werk van de Amerikaan John Ashbery?Kun je een gedicht van hem noemen dat volgens jou duidelijk maakt waar zijn werk over gaat?
mijn erotische dubbelganger
Hij zegt dat hij geen zin heeft om vandaag te werken.
Dat komt goed uit. Hier in de schaduw
Achter het huis, beschut tegen straatgeluiden
Kun je allerlei soorten oude gevoelens doornemen,
Een paar ervan weggooien, andere bewaren.
Het woordenspel
Tussen ons wordt heel intens wanneer er minder
Gevoelens zijn om ons in verwarring te brengen.
Weer een dooddoener? Nee, maar de laatste dingen
Die jij steeds weet te zeggen zijn charmant en redden me
Voor de nacht dat doet. We blijven drijven
Op onze dromen als op een woonboot van ijs,
Doorschoten met vragen en spleten van sterrenlicht
Die ons wakker houden, denken aan de dromen
Terwijl ze gebeuren. Een hele ervaring. Wat je zegt.
Ik zei het maar kan het verbergen. Al wil ik dat niet.
Dank je. Je bent een heel aardig iemand.
Dank je. Jij ook.
© John Ashbery
© Vertaling: J. Bernlef en Peter Nijmeijer
uit ‘De mandril op de slagboom' (Uitgeverij Meulenhoff, 1995)
Ik herkende me in dit werk toen ik het voor het eerst las. Er wordt een situatie in gecreëerd die niet kan. Ashbery beschrijft een gesprek met een bepaalde noodzaak, waarvan de context ontbreekt. Bij mijn tweede bundel ‘Dwaalgasten' probeerde ik zelf ook uit mijn context te komen. Daarnaast heeft de toon die Ashbery hanteert iets geslepens, iets cynisch, maar dan wel op een speelse manier ingekleurd.
Het volgende gedicht vind ik trouwens ook erg mooi:
op north farm
Ergens reist iemand als een razende naar je toe,
Met ongelooflijke snelheid reist hij dag en nacht,
Door sneeuwstormen en woestijnhitte, over wilde stromen, door nauwe passen
Maar zal hij je weten te vinden,
Je herkennen wanneer hij je ziet,
Je het ding geven dat hij voor je heeft?
Er groeit hier nauwelijks iets
En toch puilen de pakhuizen uit van het meel,
De zakken meel liggen tot de nok toe opgeslagen.
Vissen vetmestend kabbelen de beekjes vredig voort;
Vogels verduisteren de hemel. Is het genoeg
Dat het schoteltje melk `s avonds wordt buitengezet,
Dat we soms aan hem denken,
Soms en altijd, met gemengde gevoelens?
© John Ashbery
© Vertaling: J. Bernlef en Peter Nijmeijer
uit ‘De mandril op de slagboom' (Uitgeverij Meulenhoff, 1995)
Het is een filosofisch en abstract gedicht dat opvalt door de snelheid van de beelden. De drive in dit gedicht is: ik wil bij je komen. Ik wil contact maken. Ik herken me daarin.
Naast de poëzie van Ashbery is het werk van Nachoem M. Wijnberg ook erg belangrijk voor me. Ik had hem al gelezen voordat ik aan Ashbery begon. Hoe Wijnberg vooral in zijn vroege werk de Talmoed en de mystiek verwerkt is inspirerend.
vervuld verlangen
Rennen langs de rivier.
Mist boven het water. Een boot beladen
met stenen vaart in tegenovergestelde richting.
Omkeren en de boot achternarennen.
(Een oude vrouw in een regenjas
aan een tafel. Een serveerster zet een kop koffie neer.
De vrouw staat op en loopt achter de serveerster aan.
‘Mag ik nog wat suiker?')
© Nachoem M. Wijnberg
uit ‘Vogels' (Contact, 2001)
Dit gedicht is pijnlijk en triest. Er zit iets armoedigs en verwaarloosds in die oude vrouw. Wijnberg toont dat en doet dat met humor.
hond
Een hond wil niet meer
omdat hij zich al een week niet goed voelt.
Hij zegt: ik geloof niet dat dit nog verandert
en ik kan er niet meer tegen;
mijn keel wordt dichtgeknepen door zelfmedelijden.
Ik hoor mijn stem alleen nog door mijn kaakbeen naar mijn oor.
Ik loop met je mee naar buiten
en daarna hoor ik dat je mijn naam niet meer roept.
© Nachoem M. Wijnberg
uit ‘Langzaam en Zacht' (De Bezige Bij, 1993 )
Wijnberg schrijft pijnlijke poëzie zonder ook maar een greintje sentimentaliteit. Er is bovendien niks poëtisch aan zijn taalgebruik. Hij schrijft doodgewone zinnen. Toch is het zo rauw als de neten. Het is abstract en diep, oppervlakkig en beeldend. In elk woord van hem voel je dat. Hij doet geen concessies aan het publiek, zoals een dichter als Kopland dat wel doet. Waarom het mooi is, is een mysterie.
Poëzie wordt vaak als te abstract gezien, maar het is helemaal niet zo ingewikkeld. Als je naar ‘Lord of the Rings' kunt gaan kijken, kun je ook poëzie lezen. Wat mogelijk is op je netvlies is net zo goed mogelijk in je verbeelding. Bij Wijnberg gaat het ook over de emoties die een beeld oproepen en minder om de context. Daardoor is er meer ruimte over voor de lezer.
Wouter Godijn had overigens mijn Nachoem M. Wijnberg kunnen zijn als ik hem eerder had gelezen. Hij debuteerde in hetzelfde jaar als ik en ik begrijp nog steeds niet waarom zijn debuut dat jaar niet genomineerd werd voor de C. Buddingh' prijs. Ik heb over een van zijn gedichten geschreven in een Zuid-Afrikaanse krant:
gedicht voor god en de apotheek
Na verloop van tijd begon mijn vader hevig te sterven;
ik rende heen en weer tussen mijn voorgeslacht en het toilet
emmertjes meedragend gevuld met iets wat door de fijnproevers onder de medici
fecaal braaksel werd genoemd
en de wc bulderde als een waterval.
Ook was ik in de weer met 'diarree faux':
valse diarree. Stront die geen stront is
– en ik liet veel verpleegkundigen binnen.
De stem van mijn vader was een vogel geworden die toevallig ons huis in was gevlogen
en nu tegen de ramen fladderde.
– Iééép! – Iééép! – Iééép! –
Om te ontsnappen moest hij zichzelf uittrekken:
iets waar hij zo lang over deed dat ik inmiddels in een pad was veranderd,
maar dat, zeiden de verpleegkundigen en de medici,
was geen probleem en zou vanzelf overgaan.
© Wouter Godijn
uit ‘Langzame nederlaag' (Contact, 2002)
Dit gedicht is zo pijnlijk. Dat kun je niet kweken dat overkomt je. Daar moet ik nog komen.
at vind je van de poëticale of academische poëzie?
Een dichter als Geert Buelens vind ik interessant, maar zoals ik in een interview in Awater al zei: ‘Val me niet lastig met je theorietjes'. Een goed gedicht is altijd poëticaal. Je probeert het totale leven in één gedicht te zetten. Het belangrijkste is niet waar het over gaat, maar hoe het werkt. Dat wil niet zeggen dat het van tevoren bedacht is. Dan wordt het al gauw te geconstrueerd. Dichters als Dirk van Bastelaere en Geert Buelens vind ik te academisch in hun benadering van de poëzie, hoewel ik erg houd van de bundel ‘Pornschlegel' van Van Bastelaere. Marc Kregting daarentegen vind ik bijna altijd goed. Zijn werk knispert en is speels en tegelijkertijd weerbarstig. Wat zeggen die beelden precies? Ik weet het niet, maar ze werken, ze doen het, ook al is het niet altijd even mooi. Je probeert bij de kern te komen. Wat is de schoonheid? De analyse komt pas achteraf. In het gedicht moet je de situatie niet te veel proberen toe te lichten.
Je hebt naast Nederlands ook Film en Theaterwetenschappengestudeerd. Heeft dat je poëzie beïnvloed?
Het schrijven van scenario's vond ik erg interessant. In zo'n tekst beslaat de beschrijving van de binnenwereld van een personage vaak niet meer dan één regel tekst. De beelden moeten het doen. Door te switchen van interieur naar exterieur wordt duidelijk wat het personage meemaakt. Dat vond ik leerzaam.
Zijn er specifieke films die je hebben geïnspireerd of die je de lezer van Krakatau kunt aanraden?
Aanraders zijn de films van Michael Handke, zoals ‘Funny Games', ‘Code Unknown' en ‘The Piano Teacher'. Het zijn eerder series foto's dan verhalen. Ze gaan over het falen van de communicatie en hebben iets absurds. Ik houd van surrealisme in films. Het leven wordt daarin uitvergroot. Door iets te overdrijven wordt iets over de wereld gezegd. Als ik terugkom in Nederland zou ik wel aan een filmscenario willen werken, maar dat wordt geen plaatjesboek.
Onlang was Alfred Schaffer te gast bij de VPRO radio. In het programma de Avonden las hij een gedicht voor uit zijn nieuwe bundel en lichtte het vervolgens toe. Omdat zijn uitleg goed aansloot bij de onderwerpen in dit interview, heb ik besloten de gesproken tekst van de uitzending uit te schrijven. Her en der heb ik voor de leesbaarheid de tekst bijgewerkt.
het veldwerk is gedaan
De behoefte om eens goed te laten weten wat er scheelt
bleek onuitroeibaar. Schoon schip maken was de opdracht-
een blijspel schept verwachtingen.
Er zit nog geen systeem in de wederopbouw, geen wiskundig verloop,
het kringgesprek kwam stroef op gang, maar de gespreksdeelnemers
zijn niet van vlees en bloed te onderscheiden.
Een meisje knijpt in een winkelstraat een puistje bij haar vriendje uit.
De woedende gebaren van een taxichauffeur.
Met een dienblad op zijn vingertoppen zweeft een ober door de menigte.
Zwangere vrouwen pronken met hun maag.
Zo vallen we steeds weer vrolijk met de deur in huis,
zet er wat muziek onder en je hebt geen kind aan deze wereld.
En kijk, daar komt het familiealbum al voor de dag.
Alleen de man in het buurtcafé spuugt zijn woorden uit, in gedachte
zijn hond nog trouw naast zijn kruk. ‘Dus ík er achteraan hè.'
De uren doden, liefst met een scherp voorwerp.
Zonder dagboek zijn de ontwikkelingen amper bij te houden.
© Alfred Schaffer
uit ‘Geen hand voor ogen' (De Bezige Bij, 2004)
Wat zeg je over een gedicht als je zelf nog niet weet waarom je het geschreven hebt en alleen weet waarom het klopt? Altijd wordt er bij mij om gevraagd, omdat mijn werk blijkbaar fragmentarisch is en vraagt om en dwingt tot uitleg. Als dichter kun je waarschijnlijk alleen over aanleidingen praten. In mijn geval weet ik dat dit gedicht klopt en dat ik er niks meer aan hoef te doen en weet ik dat de beelden die er in staan op elkaar aansluiten. Ik weet dat er een rode draad doorheen loopt, ook al lijkt het fragmentarisch.
Ik woon sinds 1996 in Kaapstad. Die nieuwe wereld heeft een grote invloed op mijn poëzie gehad, ook op mijn levensinstelling, doordat ik met een andere leefwereld te maken heb gekregen, een ander sociaal en politiek klimaat. In dit gedicht heb ik ervaringen verwerkt uit de Zuid-Afrikaanse wereld, samen met de Nederlandse wereld en de stad Buenos Aires waar ik begin dit jaar op vakantie ben geweest samen met mijn vriendin, die ik daar ten huwelijk heb gevraagd. De drie werelden: Buenos Aires dat sterk op m`n onderbewuste inwerkte, Nederland en de verwarrende wereld van Zuid-Afrika klinken mee in dit gedicht.
De behoefte om eens goed te laten weten wat er scheelt
Deze regel heb ik geschreven naar aanleiding van de aanstaande verkiezingen in Zuid Afrika. Er zijn bijna geen oppositiepartijen, de ANC is aan de macht en verder zijn er de Democratic Party en een nieuwe partij onder leiding van Patricia De Lille. De laatste twee moesten het tijdens de verkiezingen vooral met elkaar uitvechten. Er waren veel debatten op de radio over het belang van de oppositie en het belang je stem uit te brengen. Uiteindelijk was de opkomst zeer hoog. Deze zin kwam bij me op nadat ik een felle discussie had gehoord op de radio die op het persoonlijke af inging op het politieke monopolie van het ANC en dan met name de misstappen van Mbeki in de benadering van de crisis in Zimbabwe en het hele debacle rondom het AIDS-virus. Dat is dus de Zuid-Afrikaanse wereld.
In de derde strofe staat:
Een meisje knijpt in een winkelstraat een puistje bij haar vriendje uit.
De woedende gebaren van een taxichauffeur.
Dat zijn allemaal beelden die ik in Argentinië heb neergeschreven. Als je in een nieuw land bent doen je ogen veel extra werk. Je kijkt veel scherper. Je leeft intenser. Omdat ik schrijf, heb ik papiertjes bij me. Alles wat ik zie en interessant vind, schrijf ik op. Je onderbewuste komt haast niet tot rust. Wat me opviel in Buenos Aires, was het enorme aantal taxi's. Er was bijna geen personenvervoer in de binnenstad. Er waren veel bussen en vooral veel taxi's. Het interessante was, dat er mede door de economische crisis daar nog steeds veel hoogopgeleide mensen taxichauffeur worden. We zaten bijvoorbeeld bij een AIO filosofie in de taxi en later bij een arts. Buenos Aires is een grote stad met veel verkeersopstoppingen. Zo'n taxichauffeur die uit zijn raam schreeuwt geeft je het idee dat je in het buitenland bent. Hij schreeuwt kijkt naar voren en gooit zijn raampje open. Dat is een beeld dat je bijblijft. Voor mij is het niet alleen een grappig beeld, maar ook een beeld met de nodige melancholie. Als ik het opschrijf herinnert het me eraan hoe ik door die stad rondliep en hoe die onbekende wereld me overweldigde.
Zwangere vrouwen pronken met hun maag.
Dit was iets waar m'n vriendin en ik allebei van opkeken; het grote aantal zwangere vrouwen in Argentinië. Een van de taxichauffeurs zei dat er mucho producción was in Argentinië. Misschien had dat met de crisis te maken.
Dan een zin die ik al eerder had, maar die perfect paste bij hetgeen waar ik mee bezig was:
Zo vallen we steeds weer vrolijk met de deur in huis,
zet er wat muziek onder en je hebt geen kind aan deze wereld.
Een gedachte die ik construeerde, want gedachtes op papier zijn eerder constructies dan spontane invallen. Toen ik een documentaire zag, ik weet niet meer welke, viel me op hoe achtergrondmuziek de hele wereld op zijn kop kan zetten. Een beeld van een huilend jongetje bij het graf van zijn vader ergens in Irak of het beeld van iemand die op zoek is naar hasjiesj, elk desperaat beeld, krijgt op televisie meerwaarde en wordt gemanipuleerd door de muziek die eronder wordt gezet. Zelfs als ik naar een radiodocumentaire luister, hoor ik hoe daar gebruikt wordt gemaakt van achtergrondmuziek. Door die muziek wordt er eigenlijk een nieuwe context geschapen. Aan de andere kant kun je zeggen dat de wereld of wat wij ervan zien contextloos is, zolang wij alleen maar kijken. Het gaat erom wat je met die wereld doet, welke muziek je eronder zet. Dat is waar deze zin overgaat. Misschien bevat het ook wel een cynische blik, omdat je geen kind eraan hebt. Met andere woorden: alle ellende en alle pijn in de wereld vergaat tot niets, valt te bagatelliseren en is relatief.
Die ironie wordt voorgezet in de volgende regels:
En kijk, daar komt het familiealbum al voor de dag.
Een zin die voortborduurt op de vrolijkheid die ook te vinden is in de eerste strofe met het blijspel. Dit is een gedicht dat balanceert tussen optimisme en pessimisme. De op een na laatste zin is een beeld dat ik een hele tijd geleden heb opgeschreven, nadat ik in een kroeg in Amsterdam was beland. Er zaten daar alleen maar stamgasten, waardoor er een hele besloten sfeer hing, een sfeer waar je je niet in thuisvoelt. Het is een context die je niet kent. Ik houd van zinnen die uit hun context worden gelicht, vandaar die zin tussen aanhalingstekens, ‘dus ík er achteraan hè', zonder dat er duidelijk wordt waar de ‘hij' achteraangaat en zonder dat er een gesprek wordt gecreëerd. Ik vond het mooi om die man een dode hond te geven. Zo maakte ik het tragischer dan het misschien in werkelijkheid was. De man wordt zo iemand die afgeschreven is en alleen, maar misschien ook wel iemand die wat voor zich uit praat, misschien tegen de barman, terwijl hij zijn hond naast zich weet.
De slotzin was eerst: ‘zonder dagboek zijn de ontwikkelingen amper te onthouden.' Dat vond ik ritmisch niet mooi lopen dus heb ik het einde veranderd in ‘amper bij te houden'. Het is net een beetje ingewikkelder dan ‘te onthouden'. Als je in een dagboek schrijft, zijn gedachten na te slaan. Hoe gedachten bij te houden zijn zonder dagboek gaat weer wat verder. Het is iets waar ik van weet dat het klopt in het gedicht en waar ik het mysterie graag van laat bestaan. Dit was trouwens een slotzin die eerst in het midden van het gedicht stond, maar die uiteindelijk zo het beste werkt.
Bron: Krakatau Nr. 24 (2004)
“Wie is Tsead Bruinja nou helemaal?”
Tsead Bruinja zwaait af. Hij was twee jaar Dichter des Vaderlands, waarvan bijna één tijdens de pandemie en zette de lockdown nog wat extra kracht bij met een bundel over tbs. Hij kijkt terug en vooruit. ,,Ik heb een paar dingen niet af kunnen maken. Dat is jammer. Maar ik heb goede hoop dat alsnog te gaan doen.’’
Tsead Bruinja is een podiumdichter. Hij mag graag voordragen en tot voor kort trok hij door het land om moois te delen. ,,Normaal gesproken zou de zomer in het teken hebben gestaan van festivals. Poetry International bijvoorbeeld en Dichters in de Prinsentuin. Dat ging allemaal niet door. Ik heb twee keer live voor publiek opgetreden.’’ Er kwamen wel andere mooie opdrachten voor in de plaats. ,,In eerste instantie vaak coronagerelateerd. Mensen hadden tijdens de eerste golf behoefte aan alternatieven. Je zag allerlei creatieve ideeën ontstaan.’’ Bruinja werkte zelf onder meer mee aan ‘Dichter aan de lijn’. Een telefoondienst die de schoonheid en de troost bij de mensen thuis bracht. Wie zich aanmeldde kreeg een dichter aan de telefoon voor een gesprek en een voordracht. Ook was hij betrokken bij Coronagedicht, een verzamelwebsite waarop iedereen die zijn hart maar wilde luchten een gedicht in kon sturen. ,,We zijn ze nu allemaal aan het lezen en aan het selecteren om een bundel van te maken.’’
Documentairedicht
Er waren meer plannen die sneuvelden op anderhalve meter. ,,We waren eigenlijk net begonnen met een rondgang langs verzorgingshuizen. Samen met een muzikant en steeds een andere gastdichter ging ik met ouderen in gesprek over hun leven. Samen maakten we iets vóór hen en iets met hen. Een heel mooi project en het voelde echt als een soort schoolreisje om samen op pad te gaan.’’ Hoewel de ‘tour’ voortijdig werd afgebroken, leverde het mooie verhalen op die Bruinja omzette in documentairepoëzie: observerende poëzie in de woorden van de mensen zelf. ,,Eén van de heren die ik sprak is daarna overleden. Hij vertelde me onder meer over zijn oorlogsverleden. Later werd ik gebeld door zijn familie met de vraag of ze het gedicht mochten gebruiken bij de uitvaart. Dat zijn mooie dingen om te mogen geven.’’
Bruinja paste het principe van documentairepoëzie al toe in zijn werk voor ‘Dit is de zondag’, op Radio 1. ,,Ik zat vijf jaar bij ‘Dit is de dag’. Daarin waren altijd vijf gasten en in het uur dat zij aan het woord waren, maakte ik daar een gedicht van. Bij ‘Dit is de zondag’, ging het steeds om één gast. Rita Renema, bijvoorbeeld. Zij was geestelijk verzorger in een palliatief centrum, toen ze zelf ernstig ziek werd. Of oud-ambassadeur en pleitbezorger voor de wereldvrede, Edy Korthals Altes. Mensen met bewogen levens. Van zo iemand mocht ik dan een portret maken. Dat was bijna journalistiek. Heel leuk om te doen.’’
Ter beschikking
Toen de Pompestichting, particuliere instelling voor forensische psychiatrie, hem vroeg voor een project over de mensen achter de muren, leende hij dan ook graag zijn pen. ,,Hoe het er precies uit zou gaan zien, wist ik toen nog niet. Ik mocht met tbs’ers in gesprek, zoveel was duidelijk en het delict zou niet aan de orde komen. Verder was de wens om de menselijke kant in beeld te brengen. Dat vond ik interessant. Als we op het nieuws iets horen over tbs, dan gaat het altijd over iets dat misging. Iemand die een misdaad heeft begaan tijdens zijn verlof bijvoorbeeld. Het zijn mensen die we het liefst allemaal voor eeuwig op zouden sluiten. Maar er zitten daar mannen die werken aan terugkeer in de maatschappij. Ze volgen therapie en maken stapsgewijs hun vorderingen. Dat zien we niet terug in het nieuws.’’
Gewapend met een aantekenboekje en een open vizier, ging Bruinja twee klinieken in. Die in Nijmegen en in de plaats Zeeland (Noord-Brabant). ,,Opnameapparatuur zou nerveus kunnen maken, dus dat liet ik achterwege. Ik sprak met ze over hun leven, over hun jeugd en over de kliniek en schreef alles op. Mooie uitspraken markeerde ik direct. Thuis typte ik alles uit tot een paar A4’tjes. Daarna begon het redactieproces. De lijn zien en herschikken tot je een beeld krijgt van dat leven.’’
In de bundel ‘Springtij’ zijn achttien gedichten opgenomen, voortgekomen uit gesprekken met tbs’ers en enkele behandelaars. We lezen over familie, tijdverdrijf, liefdes, verlof, frustratie en nieuwe vriendschappen. Tussen de regels door vangen we glimpen op van waar het misging. Door het ‘gewone’ in taalgebruik en thema’s, blijken mensen die ter beschikking zijn gesteld, uiteindelijk toch ook gewoon mensen.
x sliep slecht vannacht
hij heeft een tennisarm
en zijn rug is versleten
een poosje geleden had hij een hartstilstand
maar dat feestje ging niet door
toen hij in het ziekenhuis lag
informeerde zijn dochter via haar tante
hoe het met hem ging
dertien jaar heeft hij het meisje
dat nu een vrouw is
niet gezien
de woonkamer staat vol foto’s van haar
Uit: x ziet het prikkeldraad niet meer, in: Springtij.
Nergens wordt de gevangenschap geromantiseerd of spannender gemaakt dan het is. ,,Iemand vroeg me een keer of die mensen ontkennen wat ze hebben gedaan. Absoluut niet. Ze weten heel goed waarom ze daar zitten. Maar ze hebben ook hun beslommeringen. Je komt als buitenstaander een soort dorpje binnen en dan ga je op een bankje zitten om een praatje te maken. Zonder oordeel. Dat is voor mij interessant, maar ook voor de mensen die hun verhaal een keer mogen doen.’’
Bedanken
Vond hij het niet spannend? ,,Een beetje omdat je normaal gesproken nooit op zo’n plek komt, maar de mensen die ik heb gesproken waren ervoor geselecteerd. Het was nooit onveilig en ik zou die indruk ook niet willen wekken. Een bundel met true crime sensatie is het dan ook zeker niet.’’ Springtij kwam uit op 10 december. Zonder boekpresentatie. ,,Ik heb de gedichten opgenomen en ze zijn te beluisteren op mijn Soundcloud account. Maar het liefst zou ik nog een keer teruggaan, iedereen een bundel geven en mijn gesprekspartners bedanken voor hun openhartigheid.’’
Naam
De gedichten in Springtij kenmerken zich mede door de vorm als Tsead Bruinja-poëzie. Klare taal, lichte scherts. Geen hoofdletters, geen leestekens. ,,Ja, dat vind ik gewoon mooier in een gedicht. Ik probeer wel op logische plekken af te breken, het hoeft geen puzzeltje te worden, maar ik hou ervan als het beeld in balans is. Dat heb ik ook met de kaft van een bundel. Voor mijn laatste, ‘Ik ga het donker maken in de bossen van’, hadden we bijvoorbeeld een heel mooi schilderij gebruikt. Zoiets wil ik laten zien! Net als het album ‘Dark side of the Moon’ van Pink Floyd. Dat beeld is zo sterk. Maar dan moet daar dus op dat Tsead Bruinja het heeft geschreven. Wie is Tsead Bruinja nou helemaal? Ik zou het het mooiste vinden als mensen poëzie waarderen zonder dat ze weten wie het heeft gemaakt en dan later de naam kunnen opzoeken. Ik vind het ook altijd leuk om op te treden voor mensen die me niet kennen. In het buitenland merk je dat goed. Het is heel eerlijk. Ik zat vier jaar in de jury van de jaarlijkse Gedichtenwedstrijd, voorheen de Turing Gedichtenwedstrijd. De gedichten zijn anoniem, we weten niks over de schrijvers, dus de woorden spreken voor zich. Maar ja, blijkbaar doet het er toch toe.’’ Met de Friese bundel ‘Stofsûgersjongers/Stofzuigerzangers’ was het bijna gelukt. Hij lacht. ,,Uiteindelijk hebben we toch maar stickers zitten plakken met de titel en mijn naam. Ik hoop dan maar dat mensen het loslaten en het gedicht op zijn eigen merites beoordelen.’’
Taal
Tsead Bruinja werd in 1974 geboren in Rinsumageest, Friesland. Op zijn 24e gaf hij zijn eerste bundel uit. Met Springtij staat de teller op 17, waarvan 15 bij een uitgever. Een deel van de bundels schreef hij in het Fries. Daarmee is hij niet alleen ambassadeur voor de Nederlandse poëzie, maar ook voor de Friese taal. ,,Ik ben nu bezig met een nieuwe Friese bundel en ik hoop heel erg dat ik binnenkort weer verder kan met mijn bloemlezing van kleine talen.’’ Vóór de lockdown had Bruinja het plan opgevat om gedichten te bundelen in de talen van het volledige Nederlandse koninkrijk. ,,Fries, Gronings, Drenths, Papiamento, maar bijvoorbeeld ook Arabisch. Ik geloof dat de samenleving mensen het gevoel moet geven dat ze mee mogen doen. Mensen die van huis uit een andere taal spreken, horen ook bij Nederland. Hun gedichten moeten worden gehoord. Een bloemlezing van alleen Nederlandssprekende dichters is onvolledig.’’ En dus toog hij naar de Koninklijke Bibliotheek om dagenlang te bloemlezen. ,,Maar ja, die is nu dus vanwege corona voor veel minder mensen toegankelijk.’’
Blij
In januari draagt Bruinja het stokje over aan de nieuwe Dichter des Vaderlands. (En nee, hij mag nog niet vertellen wie dat wordt.) Maar terugkijkend is niet alles gelukt wat hij graag had willen doen. ,,Nou ja, ik heb heel veel dingen gelukkig wél kunnen doen, dus daar moet je je gewoon bij neerleggen. De subsidie die we ontvingen voor het project in verzorgingshuizen blijft gewoon staan, dus dat maak ik later af. Ook de bloemlezing pak ik graag weer op. En ik ben superblij met Springtij. Die had ik niet kunnen maken als al het andere gewoon was doorgegaan.’’