• – Nu we bijna aan het eind van het jaar beland zijn en ik binnenkort het stokje mag overdragen als DDV, blik ik de komende dagen terug door de vijf columns die ik tot nu toe voor poëzietijdschrift Awater heb geschreven te delen. In een speciaal nummer van Awater dat in de Poëzieweek verschijnt, staat mijn laatste column als DDV. Wie de gedichten wil lezen die ik heb geschreven als DDV kan terecht op www.dichterdesvaderlands.nl/

    ‘Twee nieuwe verzoekjes,’ schreef Luuk Maas van de Schrijverscentrale op 30 januari. Ik was amper twaalf dagen in dienst als Dichter des Vaderlands en het regende nog geen optredens. Het was stil en ik wilde maar al te graag de hort op als ambassadeur van de poëzie. Het eerste verzoek ging om een muzikale wandeling tijdens een Bachfestival te Dordrecht in 2020. Het tweede betrof ‘Het laatste woord’ op 14 februari te Leeuwarden. ‘In het programma wordt het Valentijnsthema steeds ludiek gecombineerd met thema’s als rechtstaat, democratie en wetten (er is bijvoorbeeld een stukje “verliefd op vrouwe justitia”),’ schreef Luuk. Men wilde ook een nieuw gedicht ‘liefst met diezelfde combi’. Gretig zegde ik toe.

    Op 6 februari plaatste de organisator op Facebook de volgende warrige update: ‘Naar aanleiding van een flyer (proclamatie burgerinitiatief) opgestart in Friesland in het kader van het 100e jubileumjaar van de algemene kieswet die Piter Jelles Troelstra heeft geïnitieerd, over de vraag: “aan wie behoord [sic] in een democratie eigenlijk het laatste woord toe”, werd Tsead Bruinja, de Dichter des Vaderlands, zo geïnspireerd dat die graag op Valentijnsdag 14 februari 2019 zijn verliefdheid op de directe democratie in de symbolische gestalte van Vrouwe Justitia (kieswet), in Leeuwarden in de bibliotheek (dbieb) via een gedicht de startschot voor dit feest gaat lossen.’ In krom Nederlands was ik ingelijfd en verliefd verklaard.

    Inspraak2

    De strijdlustige proclamatie, onderaan Luuks mailtje, had ik over het hoofd gezien. Hij was gericht aan leden van de Tweede en de Eerste Kamer en riep op tot ondersteuning van een motie. Nieuwe wetten zouden volgens die motie pas rechtsgeldig worden na een referendum. Op zich weinig mis mee, dacht ik. Het ging echter meer om een bevel dan een oproep: ‘Indien u dit democratische proces niet respecteert zal ik, zolang wij als stemgerechtigden niet het laatste woord krijgen, niet meer gaan stemmen, en zal ik uw ondemocratische houding aan mijn naasten bekendmaken en hen aanmoedigen om ook niet meer te stemmen totdat “Het Laatste Woord” staatrechtelijk is verankerd.’ Ik was ingelijfd, verliefd verklaard en had, zonder het te weten, mij achter een groteske bedreiging geschaard.

    Inspraak1
    organisator Jurgens Redczus

    De poster met mijn stralende hoofd hing door heel Leeuwarden. Ik moest wel gaan en schreef een gedicht over absurde wetten, zoals de Franse wet die het burgers verbiedt hun varken Napoleon te noemen. Er was saté met friet en de organisator bleek een lieve man. Mocht u een politiek karretje hebben staan dan weet ik nog wel een gewillig blind Fries paard.

    Dus kom in opstand

    de waarheid hebben we in pacht de wijsheid
    hebben we uitgeleend aan mensen van wie we de onkunde
    net wat kleiner achten dan de onze

    dat levert vreemde wetten op

    in frankrijk mag je je eigen varken niet napoleon noemen
    in australië is het verboden het dier dat je gaat opeten
    een naam te geven

    in china mag je iemand die aan het verdrinken is niet redden
    dat gaat in tegen het lot

    je mag in chicago niet eten op een plek die in brand staat
    in nederland is het verboden een inbreker op te sluiten op het toilet
    en blijft je schoonmoeder na de scheiding
    voor eeuwig je schoonmoeder
    ook al heb je er al meerdere

    er schuilt grote schoonheid in de wet
    en nog grotere in directe democratie

    dus kom in opstand volk dat buigen vreemd is
    ontwaak en houd u krachtig

    eis naast de kamers en lobby’s je eigen plein van inspraak
    dan kunnen we samen bij een fikkend pandje
    napoleons eten

    en onze schoonmoeders redden van verdrinking
    om hen vervolgens te kunnen opsluiten
    met de inbreker op het toilet

    Awatermei_2019_VP

    Neem een abonnement

    Met een abonnement op poëzietijdschrift Awater blijft u op de hoogte van wat zich afspeelt in de Nederlandstalige poëzie. In Awater - het grootste poëzietijdschrift van Nederland – vindt u nieuws, achtergronden en poëziekritiek. Daarnaast ontvangt u drie keer per jaar de meest interessante dichtbundel uit het actuele aanbod.

    De kosten voor een abonnement (3 x Awater, 3 x bundel) zijn € 75 per jaar.

    Of neem een Awater-abonnement sec (3 x Awater) voor slechts € 25 per jaar.

    https://www.poezieclub.nl/

  • In 2004 interviewde ik Alfred Schaffer voor het tijdschrift Krakatau, o.a. over zijn voorbeelden John Ashberry, Nachoem M. Wijnberg en Wouter Godijn. Aan het einde van de tekst typte ik een radio-interview uit van VPRO's De Avonden waarbij Schaffer een eigen gedicht toelichtte, bijna regel voor regel. Het leek mij een mooi inkijkje in het vroegere werk van de huidige P.C. Hooftprijswinnaar.

    Schaffer

    Alfred Schaffer (1973) studeerde in Leiden Moderne Nederlandse Literatuur en Film en Theaterwetenschappen. In 1996 vertrok hij naar Zuid-Afrika, waar hij sindsdien verbonden is aan de Universiteit van Kaapstad. In 2000 verscheen bij uitgeverij Thomas Rap zijn debuut, ‘Zijn opkomst in de voorstad', dat werd genomineerd voor de C. Buddingh'-prijs en bekroond met de Jo Peters Poëzieprijs. Zijn tweede bundel, Dwaalgasten (2002), werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs. In 2003 verscheen de bibliofiele bundel ‘Definities en hallucinaties' (met tekeningen van Judith Veldhoen) bij Perdu. Deze bundel maakte deel uit van de eerder genoemde Jo Peters Poëzieprijs die dit jaar gewonnen werd door Hagar Peeters.

    Onlangs verscheen Schaffers vierde bundel ‘Geen hand voor ogen' bij Uitgeverij de Bezige Bij. In diverse interviews noemde hij een aantal van zijn inspiratiebronnen, waaronder het werk van de Amerikaanse dichter John Ashbery en dat van de Nederlandse dichter Nachoem M. Wijnberg. Reden genoeg om hem over die dichters en over zijn eigen werkwijze eens een paar vragen te stellen.

    Bij het lezen van je bundels valt op dat je graag je werk opdeelt in afdelingen en dat je kiest voor een aantal terugkerende vormen. Welke rol spelen structuur en vorm bij het samenstellen van je bundels?

    Ik begin met het schrijven van gedichten en pas bij de samenstelling van een bundel probeer ik een verhaallijn te ontdekken. Bij het schrijven aan mijn derde bundel ‘Definities en Hallucinaties' wilde ik één vorm volhouden. Ik had behoefte aan vastigheid. Een vorm kies je om jezelf enigszins in te perken. Je bekijkt wat je hebt geschreven en vraagt je af: ‘Hoe scherp zeg ik het nou?' Neem een sonnet. Bij het maken daarvan moet je scherp letten op je formulering. Je kijkt langer of het goed is. Bij het vrije vers lijkt het anders te liggen. Toch vraag ik me ook bij zo'n gedicht af of de vorm die ik gebruik echt nodig is. Onlangs heb ik een cyclus geschreven voor een tijdschrift. Het was in de periode na mijn VSB nominatie, waarin ik, door alle aandacht voor mijn werk, last gekregen had van hyperventilatie en paniekaanvallen. Ik wilde in die cyclus zowel inhoudelijk als qua vorm de kortademigheid verwerken, onder andere door het gebruiken van lange zinnen. Ik heb goed na moeten denken over de noodzakelijkheid van die vorm.

    Zou je de titel en het motto van de eerste afdeling van je bundel willen toelichten?

    In ‘En profil' is wel sprake van een persoonlijkheid, maar die wordt niet frontaal getoond. Ik vind de gedichten vrij schizofreen. Mijn psycholoog vond dat ook en snapte na het lezen van mijn gedichten beter waaruit mijn angst en paniek voortkwamen. Hij wees me erop hoe mijn gedichten vaak van perspectief verspringen, bijvoorbeeld van een hij naar een wij. Volgens hem duidde dat op een versnipperd onderbewuste. Voor ‘En profil' heb ik een motto van de schrijver Jorge Louis Borges gebruikt: ‘I do not know which of us has written this page.' uit Borges and I. Deze regel is afkomstig uit een kort verhaal van Borges waarin hij speelt met het dubbelleven dat hij leidt als professor en schrijver. Het deed me denken aan mijn eigen persoonlijke crisis. Ik kwam drie maanden lang bijna mijn huis niet uit.

    De essayist Roland Barthes beweerde dat het ‘ik' bestaat uit taal en tekst. We kennen onszelf door wat we over onszelf zeggen en schrijven. Dat ‘ik' is dus geconstrueerd en daardoor verzonnen. Hoe zie jij in verband met je crisis en je eigen schrijven het ‘ik'?

    Ik worstel met het mysterie van het ik. Ik probeer in mijn gedichten via beelden te zoeken en te denken. Achter elk concept zit bovendien een neurose, ook achter het ontkennen van het ‘ik' dat Barthes doet. Alles komt ergens vandaan. De generatie voor ons werd zich via de veranderingen in de media en de politiek meer bewust van dat ‘ik' en de manier waarop we onze identiteit vormgeven. Dat het ik onpersoonlijk is geloof ik niet. Goeie kunst is juist heel persoonlijk. Ik schrijf mijn woorden en vind mijn gedachten. Dat is wat poëzie zo belangrijk maakt.

    Wat waardeer je aan het werk van de Amerikaan John Ashbery?Kun je een gedicht van hem noemen dat volgens jou duidelijk maakt waar zijn werk over gaat?

    mijn erotische dubbelganger

    Hij zegt dat hij geen zin heeft om vandaag te werken.
    Dat komt goed uit. Hier in de schaduw
    Achter het huis, beschut tegen straatgeluiden
    Kun je allerlei soorten oude gevoelens doornemen,
    Een paar ervan weggooien, andere bewaren.
    Het woordenspel
    Tussen ons wordt heel intens wanneer er minder
    Gevoelens zijn om ons in verwarring te brengen.
    Weer een dooddoener? Nee, maar de laatste dingen
    Die jij steeds weet te zeggen zijn charmant en redden me
    Voor de nacht dat doet. We blijven drijven
    Op onze dromen als op een woonboot van ijs,
    Doorschoten met vragen en spleten van sterrenlicht
    Die ons wakker houden, denken aan de dromen
    Terwijl ze gebeuren. Een hele ervaring. Wat je zegt.

    Ik zei het maar kan het verbergen. Al wil ik dat niet.
    Dank je. Je bent een heel aardig iemand.
    Dank je. Jij ook.

    © John Ashbery
    © Vertaling: J. Bernlef en Peter Nijmeijer
    uit ‘De mandril op de slagboom' (Uitgeverij Meulenhoff, 1995)

    Ik herkende me in dit werk toen ik het voor het eerst las. Er wordt een situatie in gecreëerd die niet kan. Ashbery beschrijft een gesprek met een bepaalde noodzaak, waarvan de context ontbreekt. Bij mijn tweede bundel ‘Dwaalgasten' probeerde ik zelf ook uit mijn context te komen. Daarnaast heeft de toon die Ashbery hanteert iets geslepens, iets cynisch, maar dan wel op een speelse manier ingekleurd.

    Het volgende gedicht vind ik trouwens ook erg mooi:

    op north farm

    Ergens reist iemand als een razende naar je toe,
    Met ongelooflijke snelheid reist hij dag en nacht,
    Door sneeuwstormen en woestijnhitte, over wilde stromen, door nauwe passen
    Maar zal hij je weten te vinden,
    Je herkennen wanneer hij je ziet,
    Je het ding geven dat hij voor je heeft?

    Er groeit hier nauwelijks iets
    En toch puilen de pakhuizen uit van het meel,
    De zakken meel liggen tot de nok toe opgeslagen.
    Vissen vetmestend kabbelen de beekjes vredig voort;
    Vogels verduisteren de hemel. Is het genoeg
    Dat het schoteltje melk `s avonds wordt buitengezet,
    Dat we soms aan hem denken,
    Soms en altijd, met gemengde gevoelens?

    © John Ashbery
    © Vertaling: J. Bernlef en Peter Nijmeijer
    uit ‘De mandril op de slagboom' (Uitgeverij Meulenhoff, 1995)

    Het is een filosofisch en abstract gedicht dat opvalt door de snelheid van de beelden. De drive in dit gedicht is: ik wil bij je komen. Ik wil contact maken. Ik herken me daarin.

    Naast de poëzie van Ashbery is het werk van Nachoem M. Wijnberg ook erg belangrijk voor me. Ik had hem al gelezen voordat ik aan Ashbery begon. Hoe Wijnberg vooral in zijn vroege werk de Talmoed en de mystiek verwerkt is inspirerend.

    vervuld verlangen

    Rennen langs de rivier.
    Mist boven het water. Een boot beladen
    met stenen vaart in tegenovergestelde richting.
    Omkeren en de boot achternarennen.

    (Een oude vrouw in een regenjas
    aan een tafel. Een serveerster zet een kop koffie neer.
    De vrouw staat op en loopt achter de serveerster aan.
    ‘Mag ik nog wat suiker?')

    © Nachoem M. Wijnberg
    uit ‘Vogels' (Contact, 2001)

    Dit gedicht is pijnlijk en triest. Er zit iets armoedigs en verwaarloosds in die oude vrouw. Wijnberg toont dat en doet dat met humor.

    hond

    Een hond wil niet meer
    omdat hij zich al een week niet goed voelt.

    Hij zegt: ik geloof niet dat dit nog verandert
    en ik kan er niet meer tegen;
    mijn keel wordt dichtgeknepen door zelfmedelijden.

    Ik hoor mijn stem alleen nog door mijn kaakbeen naar mijn oor.
    Ik loop met je mee naar buiten
    en daarna hoor ik dat je mijn naam niet meer roept.

    © Nachoem M. Wijnberg
    uit ‘Langzaam en Zacht' (De Bezige Bij, 1993 )

    Wijnberg schrijft pijnlijke poëzie zonder ook maar een greintje sentimentaliteit. Er is bovendien niks poëtisch aan zijn taalgebruik. Hij schrijft doodgewone zinnen. Toch is het zo rauw als de neten. Het is abstract en diep, oppervlakkig en beeldend. In elk woord van hem voel je dat. Hij doet geen concessies aan het publiek, zoals een dichter als Kopland dat wel doet. Waarom het mooi is, is een mysterie.

    Poëzie wordt vaak als te abstract gezien, maar het is helemaal niet zo ingewikkeld. Als je naar ‘Lord of the Rings' kunt gaan kijken, kun je ook poëzie lezen. Wat mogelijk is op je netvlies is net zo goed mogelijk in je verbeelding. Bij Wijnberg gaat het ook over de emoties die een beeld oproepen en minder om de context. Daardoor is er meer ruimte over voor de lezer.

    Wouter Godijn had overigens mijn Nachoem M. Wijnberg kunnen zijn als ik hem eerder had gelezen. Hij debuteerde in hetzelfde jaar als ik en ik begrijp nog steeds niet waarom zijn debuut dat jaar niet genomineerd werd voor de C. Buddingh' prijs. Ik heb over een van zijn gedichten geschreven in een Zuid-Afrikaanse krant:

    gedicht voor god en de apotheek

    Na verloop van tijd begon mijn vader hevig te sterven;
    ik rende heen en weer tussen mijn voorgeslacht en het toilet
    emmertjes meedragend gevuld met iets wat door de fijnproevers onder de medici
    fecaal braaksel werd genoemd
    en de wc bulderde als een waterval.
    Ook was ik in de weer met 'diarree faux':
    valse diarree. Stront die geen stront is
    – en ik liet veel verpleegkundigen binnen.
    De stem van mijn vader was een vogel geworden die toevallig ons huis in was gevlogen
    en nu tegen de ramen fladderde.
       
    – Iééép! – Iééép! – Iééép! –
       
    Om te ontsnappen moest hij zichzelf uittrekken:
    iets waar hij zo lang over deed dat ik inmiddels in een pad was veranderd,
    maar dat, zeiden de verpleegkundigen en de medici,
    was geen probleem en zou vanzelf overgaan.

    © Wouter Godijn
    uit ‘Langzame nederlaag' (Contact, 2002)

    Dit gedicht is zo pijnlijk. Dat kun je niet kweken dat overkomt je. Daar moet ik nog komen.

    at vind je van de poëticale of academische poëzie?

    Een dichter als Geert Buelens vind ik interessant, maar zoals ik in een interview in Awater al zei: ‘Val me niet lastig met je theorietjes'. Een goed gedicht is altijd poëticaal. Je probeert het totale leven in één gedicht te zetten. Het belangrijkste is niet waar het over gaat, maar hoe het werkt. Dat wil niet zeggen dat het van tevoren bedacht is. Dan wordt het al gauw te geconstrueerd. Dichters als Dirk van Bastelaere en Geert Buelens vind ik te academisch in hun benadering van de poëzie, hoewel ik erg houd van de bundel ‘Pornschlegel' van Van Bastelaere. Marc Kregting daarentegen vind ik bijna altijd goed. Zijn werk knispert en is speels en tegelijkertijd weerbarstig. Wat zeggen die beelden precies? Ik weet het niet, maar ze werken, ze doen het, ook al is het niet altijd even mooi. Je probeert bij de kern te komen. Wat is de schoonheid? De analyse komt pas achteraf. In het gedicht moet je de situatie niet te veel proberen toe te lichten.

    Je hebt naast Nederlands ook Film en Theaterwetenschappengestudeerd. Heeft dat je poëzie beïnvloed?

    Het schrijven van scenario's vond ik erg interessant. In zo'n tekst beslaat de beschrijving van de binnenwereld van een personage vaak niet meer dan één regel tekst. De beelden moeten het doen. Door te switchen van interieur naar exterieur wordt duidelijk wat het personage meemaakt. Dat vond ik leerzaam.

    Zijn er specifieke films die je hebben geïnspireerd of die je de lezer van Krakatau kunt aanraden?

    Aanraders zijn de films van Michael Handke, zoals ‘Funny Games', ‘Code Unknown' en ‘The Piano Teacher'. Het zijn eerder series foto's dan verhalen. Ze gaan over het falen van de communicatie en hebben iets absurds. Ik houd van surrealisme in films. Het leven wordt daarin uitvergroot. Door iets te overdrijven wordt iets over de wereld gezegd. Als ik terugkom in Nederland zou ik wel aan een filmscenario willen werken, maar dat wordt geen plaatjesboek.

    Onlang was Alfred Schaffer te gast bij de VPRO radio. In het programma de Avonden las hij een gedicht voor uit zijn nieuwe bundel en lichtte het vervolgens toe. Omdat zijn uitleg goed aansloot bij de onderwerpen in dit interview, heb ik besloten de gesproken tekst van de uitzending uit te schrijven. Her en der heb ik voor de leesbaarheid de tekst bijgewerkt.

    het veldwerk is gedaan

    De behoefte om eens goed te laten weten wat er scheelt
    bleek onuitroeibaar. Schoon schip maken was de opdracht-
    een blijspel schept verwachtingen.

    Er zit nog geen systeem in de wederopbouw, geen wiskundig verloop,
    het kringgesprek kwam stroef op gang, maar de gespreksdeelnemers
    zijn niet van vlees en bloed te onderscheiden.

    Een meisje knijpt in een winkelstraat een puistje bij haar vriendje uit.
    De woedende gebaren van een taxichauffeur.
    Met een dienblad op zijn vingertoppen zweeft een ober door de menigte.
    Zwangere vrouwen pronken met hun maag.

    Zo vallen we steeds weer vrolijk met de deur in huis,
    zet er wat muziek onder en je hebt geen kind aan deze wereld.
    En kijk, daar komt het familiealbum al voor de dag.

    Alleen de man in het buurtcafé spuugt zijn woorden uit, in gedachte
    zijn hond nog trouw naast zijn kruk. ‘Dus ík er achteraan hè.'

    De uren doden, liefst met een scherp voorwerp.
    Zonder dagboek zijn de ontwikkelingen amper bij te houden.

    © Alfred Schaffer
    uit ‘Geen hand voor ogen' (De Bezige Bij, 2004) 

    Wat zeg je over een gedicht als je zelf nog niet weet waarom je het geschreven hebt en alleen weet waarom het klopt? Altijd wordt er bij mij om gevraagd, omdat mijn werk blijkbaar fragmentarisch is en vraagt om en dwingt tot uitleg. Als dichter kun je waarschijnlijk alleen over aanleidingen praten. In mijn geval weet ik dat dit gedicht klopt en dat ik er niks meer aan hoef te doen en weet ik dat de beelden die er in staan op elkaar aansluiten. Ik weet dat er een rode draad doorheen loopt, ook al lijkt het fragmentarisch.

    Ik woon sinds 1996 in Kaapstad. Die nieuwe wereld heeft een grote invloed op mijn poëzie gehad, ook op mijn levensinstelling, doordat ik met een andere leefwereld te maken heb gekregen, een ander sociaal en politiek klimaat. In dit gedicht heb ik ervaringen verwerkt uit de Zuid-Afrikaanse wereld, samen met de Nederlandse wereld en de stad Buenos Aires waar ik begin dit jaar op vakantie ben geweest samen met mijn vriendin, die ik daar ten huwelijk heb gevraagd. De drie werelden: Buenos Aires dat sterk op m`n onderbewuste inwerkte, Nederland en de verwarrende wereld van Zuid-Afrika klinken mee in dit gedicht.

    De behoefte om eens goed te laten weten wat er scheelt

    Deze regel heb ik geschreven naar aanleiding van de aanstaande verkiezingen in Zuid Afrika. Er zijn bijna geen oppositiepartijen, de ANC is aan de macht en verder zijn er de Democratic Party en een nieuwe partij onder leiding van Patricia De Lille. De laatste twee moesten het tijdens de verkiezingen vooral met elkaar uitvechten. Er waren veel debatten op de radio over het belang van de oppositie en het belang je stem uit te brengen. Uiteindelijk was de opkomst zeer hoog. Deze zin kwam bij me op nadat ik een felle discussie had gehoord op de radio die op het persoonlijke af inging op het politieke monopolie van het ANC en dan met name de misstappen van Mbeki in de benadering van de crisis in Zimbabwe en het hele debacle rondom het AIDS-virus. Dat is dus de Zuid-Afrikaanse wereld.

    In de derde strofe staat:

    Een meisje knijpt in een winkelstraat een puistje bij haar vriendje uit.
    De woedende gebaren van een taxichauffeur.

    Dat zijn allemaal beelden die ik in Argentinië heb neergeschreven. Als je in een nieuw land bent doen je ogen veel extra werk. Je kijkt veel scherper. Je leeft intenser. Omdat ik schrijf, heb ik papiertjes bij me. Alles wat ik zie en interessant vind, schrijf ik op. Je onderbewuste komt haast niet tot rust. Wat me opviel in Buenos Aires, was het enorme aantal taxi's. Er was bijna geen personenvervoer in de binnenstad. Er waren veel bussen en vooral veel taxi's. Het interessante was, dat er mede door de economische crisis daar nog steeds veel hoogopgeleide mensen taxichauffeur worden. We zaten bijvoorbeeld bij een AIO filosofie in de taxi en later bij een arts. Buenos Aires is een grote stad met veel verkeersopstoppingen. Zo'n taxichauffeur die uit zijn raam schreeuwt geeft je het idee dat je in het buitenland bent. Hij schreeuwt kijkt naar voren en gooit zijn raampje open. Dat is een beeld dat je bijblijft. Voor mij is het niet alleen een grappig beeld, maar ook een beeld met de nodige melancholie. Als ik het opschrijf herinnert het me eraan hoe ik door die stad rondliep en hoe die onbekende wereld me overweldigde.

    Zwangere vrouwen pronken met hun maag.

    Dit was iets waar m'n vriendin en ik allebei van opkeken; het grote aantal zwangere vrouwen in Argentinië. Een van de taxichauffeurs zei dat er mucho producción was in Argentinië. Misschien had dat met de crisis te maken.

    Dan een zin die ik al eerder had, maar die perfect paste bij hetgeen waar ik mee bezig was:

    Zo vallen we steeds weer vrolijk met de deur in huis,
    zet er wat muziek onder en je hebt geen kind aan deze wereld.

    Een gedachte die ik construeerde, want gedachtes op papier zijn eerder constructies dan spontane invallen. Toen ik een documentaire zag, ik weet niet meer welke, viel me op hoe achtergrondmuziek de hele wereld op zijn kop kan zetten. Een beeld van een huilend jongetje bij het graf van zijn vader ergens in Irak of het beeld van iemand die op zoek is naar hasjiesj, elk desperaat beeld, krijgt op televisie meerwaarde en wordt gemanipuleerd door de muziek die eronder wordt gezet. Zelfs als ik naar een radiodocumentaire luister, hoor ik hoe daar gebruikt wordt gemaakt van achtergrondmuziek. Door die muziek wordt er eigenlijk een nieuwe context geschapen. Aan de andere kant kun je zeggen dat de wereld of wat wij ervan zien contextloos is, zolang wij alleen maar kijken. Het gaat erom wat je met die wereld doet, welke muziek je eronder zet. Dat is waar deze zin overgaat. Misschien bevat het ook wel een cynische blik, omdat je geen kind eraan hebt. Met andere woorden: alle ellende en alle pijn in de wereld vergaat tot niets, valt te bagatelliseren en is relatief.

    Die ironie wordt voorgezet in de volgende regels:

    En kijk, daar komt het familiealbum al voor de dag.

    Een zin die voortborduurt op de vrolijkheid die ook te vinden is in de eerste strofe met het blijspel. Dit is een gedicht dat balanceert tussen optimisme en pessimisme. De op een na laatste zin is een beeld dat ik een hele tijd geleden heb opgeschreven, nadat ik in een kroeg in Amsterdam was beland. Er zaten daar alleen maar stamgasten, waardoor er een hele besloten sfeer hing, een sfeer waar je je niet in thuisvoelt. Het is een context die je niet kent. Ik houd van zinnen die uit hun context worden gelicht, vandaar die zin tussen aanhalingstekens, ‘dus ík er achteraan hè', zonder dat er duidelijk wordt waar de ‘hij' achteraangaat en zonder dat er een gesprek wordt gecreëerd. Ik vond het mooi om die man een dode hond te geven. Zo maakte ik het tragischer dan het misschien in werkelijkheid was. De man wordt zo iemand die afgeschreven is en alleen, maar misschien ook wel iemand die wat voor zich uit praat, misschien tegen de barman, terwijl hij zijn hond naast zich weet.

    De slotzin was eerst: ‘zonder dagboek zijn de ontwikkelingen amper te onthouden.' Dat vond ik ritmisch niet mooi lopen dus heb ik het einde veranderd in ‘amper bij te houden'. Het is net een beetje ingewikkelder dan ‘te onthouden'. Als je in een dagboek schrijft, zijn gedachten na te slaan. Hoe gedachten bij te houden zijn zonder dagboek gaat weer wat verder. Het is iets waar ik van weet dat het klopt in het gedicht en waar ik het mysterie graag van laat bestaan. Dit was trouwens een slotzin die eerst in het midden van het gedicht stond, maar die uiteindelijk zo het beste werkt.

    Bron: Krakatau Nr. 24 (2004)

  • NH1

    “Wie is Tsead Bruinja nou helemaal?”

    Tsead Bruinja zwaait af. Hij was twee jaar Dichter des Vaderlands, waarvan bijna één tijdens de pandemie en zette de lockdown nog wat extra kracht bij met een bundel over tbs. Hij kijkt terug en vooruit. ,,Ik heb een paar dingen niet af kunnen maken. Dat is jammer. Maar ik heb goede hoop dat alsnog te gaan doen.’’

    Tsead Bruinja is een podiumdichter. Hij mag graag voordragen en tot voor kort trok hij door het land om moois te delen. ,,Normaal gesproken zou de zomer in het teken hebben gestaan van festivals. Poetry International bijvoorbeeld en Dichters in de Prinsentuin. Dat ging allemaal niet door. Ik heb twee keer live voor publiek opgetreden.’’ Er kwamen wel andere mooie opdrachten voor in de plaats. ,,In eerste instantie vaak coronagerelateerd. Mensen hadden tijdens de eerste golf behoefte aan alternatieven. Je zag allerlei creatieve ideeën ontstaan.’’ Bruinja werkte zelf onder meer mee aan ‘Dichter aan de lijn’. Een telefoondienst die de schoonheid en de troost bij de mensen thuis bracht. Wie zich aanmeldde kreeg een dichter aan de telefoon voor een gesprek en een voordracht. Ook was hij betrokken bij Coronagedicht, een verzamelwebsite waarop iedereen die zijn hart maar wilde luchten een gedicht in kon sturen. ,,We zijn ze nu allemaal aan het lezen en aan het selecteren om een bundel van te maken.’’

    Documentairedicht

    Er waren meer plannen die sneuvelden op anderhalve meter. ,,We waren eigenlijk net begonnen met een rondgang langs verzorgingshuizen. Samen met een muzikant en steeds een andere gastdichter ging ik met ouderen in gesprek over hun leven. Samen maakten we iets vóór hen en iets met hen. Een heel mooi project en het voelde echt als een soort schoolreisje om samen op pad te gaan.’’ Hoewel de ‘tour’ voortijdig werd afgebroken, leverde het mooie verhalen op die Bruinja omzette in documentairepoëzie: observerende poëzie in de woorden van de mensen zelf. ,,Eén van de heren die ik sprak is daarna overleden. Hij vertelde me onder meer over zijn oorlogsverleden. Later werd ik gebeld door zijn familie met de vraag of ze het gedicht mochten gebruiken bij de uitvaart. Dat zijn mooie dingen om te mogen geven.’’

    Bruinja paste het principe van documentairepoëzie al toe in zijn werk voor ‘Dit is de zondag’, op Radio 1. ,,Ik zat vijf jaar bij ‘Dit is de dag’. Daarin waren altijd vijf gasten en in het uur dat zij aan het woord waren, maakte ik daar een gedicht van. Bij ‘Dit is de zondag’, ging het steeds om één gast. Rita Renema, bijvoorbeeld. Zij was geestelijk verzorger in een palliatief centrum, toen ze zelf ernstig ziek werd. Of oud-ambassadeur en pleitbezorger voor de wereldvrede, Edy Korthals Altes. Mensen met bewogen levens. Van zo iemand mocht ik dan een portret maken. Dat was bijna journalistiek. Heel leuk om te doen.’’

    Ter beschikking

    Toen de Pompestichting, particuliere instelling voor forensische psychiatrie, hem vroeg voor een project over de mensen achter de muren, leende hij dan ook graag zijn pen. ,,Hoe het er precies uit zou gaan zien, wist ik toen nog niet. Ik mocht met tbs’ers in gesprek, zoveel was duidelijk en het delict zou niet aan de orde komen. Verder was de wens om de menselijke kant in beeld te brengen. Dat vond ik interessant. Als we op het nieuws iets horen over tbs, dan gaat het altijd over iets dat misging. Iemand die een misdaad heeft begaan tijdens zijn verlof bijvoorbeeld. Het zijn mensen die we het liefst allemaal voor eeuwig op zouden sluiten. Maar er zitten daar mannen die werken aan terugkeer in de maatschappij. Ze volgen therapie en maken stapsgewijs hun vorderingen. Dat zien we niet terug in het nieuws.’’

    Gewapend met een aantekenboekje en een open vizier, ging Bruinja twee klinieken in. Die in Nijmegen en in de plaats Zeeland (Noord-Brabant). ,,Opnameapparatuur zou nerveus kunnen maken, dus dat liet ik achterwege. Ik sprak met ze over hun leven, over hun jeugd en over de kliniek en schreef alles op. Mooie uitspraken markeerde ik direct. Thuis typte ik alles uit tot een paar A4’tjes. Daarna begon het redactieproces. De lijn zien en herschikken tot je een beeld krijgt van dat leven.’’

    In de bundel ‘Springtij’ zijn achttien gedichten opgenomen, voortgekomen uit gesprekken met tbs’ers en enkele behandelaars. We lezen over familie, tijdverdrijf, liefdes, verlof, frustratie en nieuwe vriendschappen. Tussen de regels door vangen we glimpen op van waar het misging. Door het ‘gewone’ in taalgebruik en thema’s, blijken mensen die ter beschikking zijn gesteld, uiteindelijk toch ook gewoon mensen.

    x sliep slecht vannacht

    hij heeft een tennisarm

    en zijn rug is versleten

     

    een poosje geleden had hij een hartstilstand

    maar dat feestje ging niet door

     

    toen hij in het ziekenhuis lag

    informeerde zijn dochter via haar tante

    hoe het met hem ging

     

    dertien jaar heeft hij het meisje

    dat nu een vrouw is

    niet gezien

     

    de woonkamer staat vol foto’s van haar

     

                                  Uit: x ziet het prikkeldraad niet meer, in: Springtij.

     

    Nergens wordt de gevangenschap geromantiseerd of spannender gemaakt dan het is. ,,Iemand vroeg me een keer of die mensen ontkennen wat ze hebben gedaan. Absoluut niet. Ze weten heel goed waarom ze daar zitten. Maar ze hebben ook hun beslommeringen. Je komt als buitenstaander een soort dorpje binnen en dan ga je op een bankje zitten om een praatje te maken. Zonder oordeel. Dat is voor mij interessant, maar ook voor de mensen die hun verhaal een keer mogen doen.’’

    Bedanken

    Vond hij het niet spannend? ,,Een beetje omdat je normaal gesproken nooit op zo’n plek komt, maar de mensen die ik heb gesproken waren ervoor geselecteerd. Het was nooit onveilig en ik zou die indruk ook niet willen wekken. Een bundel met true crime sensatie is het dan ook zeker niet.’’ Springtij kwam uit op 10 december. Zonder boekpresentatie. ,,Ik heb de gedichten opgenomen en ze zijn te beluisteren op mijn Soundcloud account. Maar het liefst zou ik nog een keer teruggaan, iedereen een bundel geven en mijn gesprekspartners bedanken voor hun openhartigheid.’’

    Naam

    De gedichten in Springtij kenmerken zich mede door de vorm als Tsead Bruinja-poëzie. Klare taal, lichte scherts. Geen hoofdletters, geen leestekens. ,,Ja, dat vind ik gewoon mooier in een gedicht. Ik probeer wel op logische plekken af te breken, het hoeft geen puzzeltje te worden, maar ik hou ervan als het beeld in balans is. Dat heb ik ook met de kaft van een bundel. Voor mijn laatste, ‘Ik ga het donker maken in de bossen van’, hadden we bijvoorbeeld een heel mooi schilderij gebruikt. Zoiets wil ik laten zien! Net als het album ‘Dark side of the Moon’ van Pink Floyd. Dat beeld is zo sterk. Maar dan moet daar dus op dat Tsead Bruinja het heeft geschreven. Wie is Tsead Bruinja nou helemaal? Ik zou het het mooiste vinden als mensen poëzie waarderen zonder dat ze weten wie het heeft gemaakt en dan later de naam kunnen opzoeken. Ik vind het ook altijd leuk om op te treden voor mensen die me niet kennen. In het buitenland merk je dat goed. Het is heel eerlijk. Ik zat vier jaar in de jury van de jaarlijkse Gedichtenwedstrijd, voorheen de Turing Gedichtenwedstrijd. De gedichten zijn anoniem, we weten niks over de schrijvers, dus de woorden spreken voor zich. Maar ja, blijkbaar doet het er toch toe.’’ Met de Friese bundel ‘Stofsûgersjongers/Stofzuigerzangers’ was het bijna gelukt. Hij lacht. ,,Uiteindelijk hebben we toch maar stickers zitten plakken met de titel en mijn naam. Ik hoop dan maar dat mensen het loslaten en het gedicht op zijn eigen merites beoordelen.’’

    Taal

    Tsead Bruinja werd in 1974 geboren in Rinsumageest, Friesland. Op zijn 24e gaf hij zijn eerste bundel uit. Met Springtij staat de teller op 17, waarvan 15 bij een uitgever. Een deel van de bundels schreef hij in het Fries. Daarmee is hij niet alleen ambassadeur voor de Nederlandse poëzie, maar ook voor de Friese taal. ,,Ik ben nu bezig met een nieuwe Friese bundel en ik hoop heel erg dat ik binnenkort weer verder kan met mijn bloemlezing van kleine talen.’’ Vóór de lockdown had Bruinja het plan opgevat om gedichten te bundelen in de talen van het volledige Nederlandse koninkrijk. ,,Fries, Gronings, Drenths, Papiamento, maar bijvoorbeeld ook Arabisch. Ik geloof dat de samenleving mensen het gevoel moet geven dat ze mee mogen doen. Mensen die van huis uit een andere taal spreken, horen ook bij Nederland. Hun gedichten moeten worden gehoord. Een bloemlezing van alleen Nederlandssprekende dichters is onvolledig.’’ En dus toog hij naar de Koninklijke Bibliotheek om dagenlang te bloemlezen. ,,Maar ja, die is nu dus vanwege corona voor veel minder mensen toegankelijk.’’

    Blij

    In januari draagt Bruinja het stokje over aan de nieuwe Dichter des Vaderlands. (En nee, hij mag nog niet vertellen wie dat wordt.) Maar terugkijkend is niet alles gelukt wat hij graag had willen doen. ,,Nou ja, ik heb heel veel dingen gelukkig wél kunnen doen, dus daar moet je je gewoon bij neerleggen. De subsidie die we ontvingen voor het project in verzorgingshuizen blijft gewoon staan, dus dat maak ik later af. Ook de bloemlezing pak ik graag weer op. En ik ben superblij met Springtij. Die had ik niet kunnen maken als al het andere gewoon was doorgegaan.’’


    NH2
    NH2
    NH2

    IJmuiden
    IJmuiden
    IJmuiden
    IJmuiden

  •  
    Het Bachfestival Dordrecht nodigde mij uit om te komen voorlezen en een gedicht te schrijven. Ze brachten mij in contact met componiste Anne- Maartje Lemereis die voor het Mallet Collective (dat o.a. Bach speelt op vijf marimba's) een respons componeerde op Bachs klavecimbelconcert no. 1 in d klein.
     
    Gisteren was de première. Eerst las ik het gedicht (en nog wat oud en nieuw werk). Daarna was het stuk van Bach te horen afgewisseld met delen van 'Lumen' de nieuwe compositie van Lemereis. Hieronder kun je mijn voordracht bekijken, uitgezonden tijdens NTR's Zaterdagmatinee op radio 4
     
    De uitvoering door het Mallet Collective is te bekijken via: https://www.nporadio4.nl/
     
    Korte toelichting bij mijn gedicht en het gedicht zelf:
     
    Naar aanleiding van wat componiste Anne-Maartje Lemereis mij vertelde over het licht, de bomen en de schaduw op de plek waar zij componeert en naar aanleiding van het verhaal dat Bach speelde met de letters van zijn naam in zijn composities, door het luisteren naar het klavecimbelconcert van Bach en een deel van het stuk van Anne-Maartje ben ik aan de slag gegaan met een klankgedicht. Ik wilde muziek maken en niet de muziek verklaren. De woorden schaduw, boom en licht vormden de basis. Ik droeg mijzelf op alleen maar woorden te gebruiken die uit letters gemaakt konden worden die in die woorden voorkwamen. De tweeklanken ou, au en ui heb ik bewust vermeden.

    LICHT, SCHADUW KWAM EERST, TOCH?
     
    wild licht wil bos als schacht
    wil schoot als bad
    lacht sluw
    om wat?
     
    u dacht licht tocht
    licht lacht
     
    licht schudt
    uw blad
    duwt lot
    dist macht
     
    bloost u schuw?
    licht lacht
     
    u dacht
    licht wit
     
    wit blust
    wit wist
    schaduw talm
    schaduw wacht
     
    lot mist
    lot tast
     
    uw mal bidt blits
    bidt chaos
    slacht bast
     
    schaduw talmt
    schaduw wacht
     
    huwt licht
    huwt bast
     
    licht loos
    wil schoot
     
    wild bos
    lacht licht
     
    dolt licht
    lacht schuw
     
    lacht licht
     
    om wat?
     
    *
     
    Website Bachfestival
     
     
    Website Anne-Maartje Lemereis
     
     
    Website Mallet Collective
     
  •  

    Dit was het gedicht dat ik als eerste voordroeg tijdens de opnames voor het item over Dichter aan de Lijn (initiatief van Jaap Robben, Poetry International en het cultuurprogramma Mondo).

    De voordracht van 'Grachtengordelgedicht met duur eten' sneuvelde op de snijtafel, maar cameraman Benjamin Kamps (https://benjaminkamps.com/) stuurde hem op mijn verzoek nog wel even door.

    GRACHTENGORDELGEDICHT MET DUUR ETEN

    na het elkaar niet omhelzen
    en het bespreken van het elkaar niet omhelzen
    na de vitello tonato de saltimbocca
    en het viertal glazen witte wijn
    die het gesprek met de 87-jarige vriendin
    over het wel of niet doorgaan met publiceren
    als je op leeftijd bent en misschien niet meer beschikt over de scherpste pen
    over laten vloeien in het vergelijken van verliefdheden
    het verschil in temperament

    na de extra limoncello die na de limoncello van het huis
    nog besteld moest worden aan het einde van het gesprek
    dat je in eerste instantie wilde afblazen vanwege je droge keel
    kijk je de vriendin aan die betaald heeft voor je eten

    je geeft haar een knuffel een dunne kus op de wang
    en begint meteen je te verontschuldigen

    ze wuift het weg en zegt in een zijstraat van de jordaan
    waar fietsen net wat te dicht op elkaar staan

    ik denk dat ik weet wat je bedoelt

    in de halflege tram naar huis gaat het door je heen
    het heeft mij goed te pakken dit wikken
    en dit wegen

    maar nog niet stevig genoeg

  • Tijdens de gedeeltelijke lockdown vroeg de KB mij om een gedicht waarmee ze hun relaties een hart onder de riem konden steken. Hieronder het gedicht en een voordracht ervan gefilmd in het Olympisch Stadion.

    TOEKOMSTMUZIEK

    een kantoormedewerker kijkt beteuterd
    naar de platgedrukte krentenbol
    die hij uit zijn rugzak haalt.
    de boter zit overal.

    wie vervloekt hij eerst?
    de lompe beveiliger die op schiphol uitstapte
    of de overvolle trein?

    een leerling doezelt na een ruw potje voetbal
    op een brancard niet geheel onprettig weg
    op een cocktail van diclofenac en paracetamol.

    de verpleger achterin de ambulance lacht met de chauffeur
    over de puberstank in de gymzaal en vraagt
    hem de naam van een goed chinees restaurant
    in een café protesteert een stamgast op leeftijd
    dat zij de laatste ronde onmogelijk had kunnen horen.

    toen die werd omgeroepen stond ze net onder het afdak
    te genieten van een sigaret, ohne filter.
    ja, ja, over haar longen.

    het is een zachte zomeravond ergens later,
    hoeveel later zeg ik niet.

    we zijn inmiddels profeten onderwijzers
    en verplegers geworden. we weten wat we kunnen.
    eindelijk weten we dan en daar
    wat we voor elkaar betekenen.

     

  •  

    DE DOOD IS GEEN MEESTER UIT DUITSLAND

    de amerikanen leerden het van de japanners
    en de japanners kopieerden het van ons
    wij hadden het op onze beurt van de chinezen
    of van de spanjaarden afgekeken

    je windt een doek om iemands hoofd
    verzadigt hem herhaaldelijk met water
    zodat hij of zij wel in moet slikken
    en vlot krijg je antwoord op al je vragen

    voordat ze een naïeve romantica was
    die haar brieven met sieg heil ondertekende
    had schoonheid haar eigen gezicht
    al ruimschoots verbrand

    sindsdien proberen wij een fik te blussen
    en proberen zij het vuurtje
    aan te laten wakkeren

    we gooien een concert ertegenaan
    laten helikopters met loodzware olijftakken overvliegen
    die met messcherpe rotorbladen de ruime graven
    in de wolken
    net niet raken

    gisteren rolde er geen fust over de rubberen matten
    van het ingezakte malieveld

    vonden wij tussen uitslagen uitvaarten en grafieken
    tijd om ons te verdiepen

    rust om elkaar in de ogen te kijken
    en na te denken over wat we zo krampachtig
    en armetierig instand willen houden

    of wat we na 75 jaar eigenlijk
    hebben te vieren

    Nrc_insta
    Het gedicht op de site van de NRC – https://www.nrc.nl/nieuws/2020/05/04/de-dood-is-geen-meester-uit-duitsland-a3998720

    Dit gedicht werd geïnspireerd door het gedicht 'Todesfuga / Fuga van de dood' van Paul Celan in een vertaling door Ton Naaijkens (een scan van het gedicht en de vertalin heb ik onderaan dit gedicht geplaatst), de uitspraak van de Duitse filosoof Theodor W. Adorno die stelde: ‘Nach Auschwitz ein Gedicht zu schreiben, ist barbarisch’ (link naar stuk van Geert Buelens over die uitspraak) en het lezen van het gedicht 'Vrede' van Leo Vroman.

    Voor het stuk over 'waterboarding' ging ik vooral ten rade bij wikipedia. Ik kan mij voorstellen dat de Japanners het van de Chinezen hebben. Verder vermeld ik als inspiratiebron graag nog de film 'The Report' over het onderzoek naar de wrede en totaal nutteloze martelmethodes van de CIA.

    Wat mij op Wikipedia het meest opviel was dit:

    "Door mensenrechtenorganisaties wordt waterboarding als martelen aangemerkt. Na afloop van de Tweede Wereldoorlog zijn op aandringen van de VS verschillende Japanners ter dood veroordeeld, die deze techniek hadden toegepast op geallieerde krijgsgevangenen."

    En dit (waar ik dankbaar uit heb geknipt en mee heb geplakt):

    "De VOC paste een vorm van waterboarding toe op Ambon in 1623. Hierbij werd een doek om het hoofd gewonden en deze werd verzadigd met water zodat het slachtoffer niet meer kon ademen en al het water moest inslikken. In een geval werd de behandeling drie of vier keer herhaald totdat het lichaam van het slachtoffer enorm opgezwollen was, zijn wangen uitstonden en zijn ogen uit de kassen dreigden te raken."

    P.s. hieronder het gedicht van Paul Celan in een vertaling door Ton Naaijkens:

    Celan1

    Celan2

  •  

    Dichter Jaap Robben startte enkele weken geleden samen met Mondo en Poetry International een nieuw project: Dichter aan de Lijn’. Elke dag belt een groep dichters mensen op om een mooi gedicht voor te dragen. Afgelopen zaterdag was te zien hoe ik als Dichter aan de Lijn sprak met psychiatrisch verpleegkundige Michel Verhaar. Ik las voor hem o.a. het volgende gedicht voor (met vertaling):

    wikseltonge

    it grutste gelyk fan de wrâld
    hat hantlangers

    it âldste gelyk ken allinnich
    foarbygongers

    it grutste gelyk fan de wrâld
    slacht gauris mei de fûst op tafel

    it âldste gelyk lit alles samar
    fan har ôfglydzje

    wy ferlizze rivieren
    hingje klokken oan muorren
    en tuorren

    it gelyk fan de tiid is der wis fan
    wy binne op ’e weromreis
    it ferhaal is rûn

    fynsto dat ek?

    it lytse gelyk is de breid
    it grutste gelok har tonge
    dy’t my opsiket en tsjinsprekt
    myn swetserij tsjin it ljocht hâldt

    my wurkje lit oan in oarlochsliet
    oer in man dy’t sûn en wol
    wer thúskomt

     

    wisseltong

    het grootste gelijk van de wereld
    heeft handlangers

    het oudste gelijk kent alleen
    voorbijgangers

    het grootste gelijk van de wereld
    slaat regelmatig met de vuist op tafel

    het oudste gelijk laat alles zomaar
    van zich afglijden

    wij verleggen rivieren
    hangen klokken aan muren

    en torens
    het gelijk van de tijd weet het zeker

    we zijn op de terugreis
    het verhaal is rond

    vind jij dat ook?

    het kleine gelijk is de bruid
    het grootste geluk haar tong
    die mij opzoekt en tegenspreekt
    mijn gezwets tegen het licht houdt

    mij laat werken aan een oorlogslied
    over een man die gezond en wel
    weer thuiskomt

    *

    Meer op: https://www.vpro.nl/programmas/mondo/artikelen/specials/Dichter-aan-de-lijn.html

     

  • – Ik twijfelde, maar afgelopen donderdag ging ik toch uit eten met een vriendin. Dat zou ik nu niet meer doen. We houden afstand.

    GRACHTENGORDELGEDICHT MET DUUR ETEN

    na het elkaar niet omhelzen en het bespreken
    van het elkaar niet omhelzen
    na de vitello tonato de saltimbocca
    en het viertal glazen witte wijn
    die het gesprek met de 87-jarige vriendin
    over het wel of niet doorgaan met publiceren
    als je op leeftijd bent en misschien niet meer
    beschikt over de scherpste pen
    vloeit jullie gesprek over
    in het vergelijken van verliefdheden
    het verschil in temperament

    na de extra limoncello
    die na de limoncello van het huis
    nog besteld moest worden
    aan het einde van het gesprek
    dat je in eerste instantie wilde afblazen
    vanwege je droge keel
    kijk je de vriendin aan die betaald heeft
    voor je eten

    je geeft haar een knuffel een dunne kus op de wang
    en begint meteen je te verontschuldigen
    ze wuift het weg en zegt in een zijstraat van de jordaan
    waar fietsen net wat te dicht op elkaar staan
    ik denk dat ik weet wat je bedoelt

    in de halflege tram naar huis gaat het door je heen
    het heeft mij goed te pakken
    dit wikken en dit wegen

    maar nog niet stevig genoeg 

     

    Grachtengordel

    https://www.nrc.nl/nieuws/2020/03/16/grachtengordelgedicht-met-duur-eten-a3993870

  • In de documentaire van Omrop Fryslân, die afgelopen zondag werd uitgezonden, zeg ik dat alles in Friesland in het Fries moet en dat ik hoop dat de volgende Dichter fan Fryslân een dichter zal zijn die in een andere taal schrijft. Bij sommige mensen is dat kwetsend overgekomen. Zij werden boos of verdrietig en ik begrijp dat nu. Met mijn opmerkingen heb ik geen aandacht gegeven aan de bedreigde positie van het Fries of het feit dat positieve discriminatie van die taal in sommige gevallen nodig is om bij te dragen aan de overlevingskansen van de taal. Dat had ik anders kunnen formuleren. Ik heb het verkeerd gezegd, de uitspraak was te algemeen en klopt niet helemaal; in Fryslân hoeft niet alles in het Fries. Veel van wat er gebeurt op literair gebied, bijvoorbeeld op festivals, gebeurt in het Nederlands. Dat Friestaligen het recht hebben om bijv. in de  rechtbank het Fries te gebruiken en dat er op het gebied van de literatuur landelijke regelingen en stipendia zijn voor Friese auteurs en Friese literaire uitgaven, is mij veel waard. Ik zou ook graag zien dat het Fries in het onderwijs een nog grotere en stevigere rol zou krijgen.

    Waar ik mij aan stoorde, was het feit dat het wel een wet leek dat de volgende Dichter fan Fryslân een Friestalige dichter moest zijn. Dit werd mede ingegeven door een voordracht in Brussel tijdens de Friese Dag waarbij er vanuit de organisatie of de subsidieverstrekkers een soort allergie voor het Nederlands leek te bestaan. Tijdens een Friese dag zou je volgens mij niet alleen het Fries moeten horen, maar ook een aantal andere dialecten en talen die in de provincie worden gesproken.

    Ik vind dat de Friese taal en de Friese literatuur op landelijk en provinciaal niveau royaal ondersteund moet worden.

    Ik geloof niet dat alles in Fryslân in het Fries moet.

    Het is bovendien prachtig dat er een Dichter fan Fryslân is, goed dat de vorige DFF en de huidige DFF in het Fries schrijven en dat hun werk in het Nederlands en Engels wordt vertaald. Kijk vooral eens op:

    https://dichterfanfryslan.nl/ (Fries)

    https://dichterfanfryslan.nl/nl/ (Nederlands)

    B88766156Z.1_20170915160651_000+GHFLT9VE.1-0

    of op (en like de pagina om op de hoogte te blijven):

    https://www.facebook.com/DichterfanFryslan/

    Ik ben er niet voor (en ik weet niet of dit wettelijk of beleidsmatig is vastgelegd) dat die DFF per definitie in het Fries zijn of haar gedichten schrijft. In de discussie naar aanleiding van mijn opmerkingen heb ik gezegd dat hypothetisch gezien een Duitstalige DFF mogelijk zou moeten kunnen zijn. Dat is natuurlijk wat overdreven. De mogelijkheid van een Nederlandstalige DFF lijkt mij gezond (net als een Nederlandstalig programma bij Omrop Fryslân) omdat Nederlandstalig schrijvers, journalisten of dichters even grote kansen verdienen om in hun heitelân en in hun moedertaal te groeien en hun stem te laten horen.

     P.s. dit stukje is een reactie op de volgende posts/blogs:

    http://seedyksterfeartfisk.blogspot.com/2020/02/hannen-of-fan-de-dichter-fan-fryslan.html

    https://www.facebook.com/Knilless/posts/1912013095610346