• Anekdotes over een jeugd en later
    Ze staan met zijn drieën op de achterkant van het
    kloeke boek, in de sneeuw, geen bomen, een horizon en heel vaag het silhouet van
    een dorp met een zadeldaktoren. Vooraan Femke IJlstra in een rode jas, met rode
    laarzen, Femke, die zo mooi saxofoon speelt. Bij het boek is een cd met haar
    muziek: interessant, prikkelend en lyrisch. Rechts achter haar de dichter Tsead
    Bruinja, in het zwart, kort geschoren hoofd. In het midden, achter de andere
    twee Mirka Farabegoli, met paardenstaart, wegkijkend.
    Achterkant
    Foto door Linus Harms - http://linusharms.nl/

    Hoe komt zij nu toch in
    dit Friese landschap? Ze is hier geboren en kent hetzelfde heimwee naar
    Friesland, of weemoed om, als de anderen. Femke vroeg Tsead of ze niet iets
    samen konden doen. Ze zouden samen een theaterprogramma maken. Tsead had een
    gedicht geschreven over een buurvrouw die tijdens het stofzuigen meezong met de
    Arbeidsvitaminen en ondertussen in de gaten hield wie er langs kwamen. Hij
    herkende iets: doe maar gewoon je werk, luister naar muziek en kijk naar buiten.
    Tsead kende Mirka, omdat zij hem ooit had gevraagd iets te schrijven voor een
    expositie van haar.
    Het theaterprogramma moet nog komen, maar een boek
    is er al, een boek met muziek, gedichten en etsen over thuiskomen. De laatste in
    aardekleuren, figuratief, ook lyrisch, bekwaam getekend.
    Tsead opent met gedichten over zijn jeugd, in het
    Fries en het Nederlands. We komen bekende elementen tegen uit eerdere bundels:
    een vader die werkloos werd, hoe zijn ouderlijk huis in vreemde handen kwam, de
    houten trappers die zijn opa maakte voor zijn fiets, de ziekte van zijn moeder,
    de plaatjes van vrouwen uit de Panorama van de leesmap, de ontdekking van
    seksualiteit. Daarna komen andere afdelingen: ‘Wolk Bouwland Bast’, ‘Hotel
    hoogtevrees’, waarin met letters wordt gespeeld en met kleuren.
    Bouwland

    Zestien jaar en in de war; ruzie met vader. Andere
    jongens hadden dat ook en de ik helpt ze in leven te blijven. Hoe serieus zijn
    zelfmoordgedachten op die leeftijd? Soms heel serieus.
    Later gaat het beter, maar er blijft altijd een
    tekort. Het leven van een dichter is ook niet gemakkelijk.
    Om wat te verdienen gaat hij naar scholen. Hij komt ‘s winters in Sneek ‘voor
    drie vierde klassen / waarvan twee begeleid werden door invalkrachten /
    heldhaftig een workshop (te) geven over het schrijven van
    gedichten’.
    mijn koffer op wieltjes met bundels om gratis weg
    te geven
    en bundels om onder de winkelprijs te
    verkopen
    was een sneeuwschuiver geworden
    door de grijze sneeuwdrek slofte ik naar de
    trein
    om in groningen bij een vriend te gaan
    eten
    (…)
    in de kou stond ik de volgende dag
    bobo’s warm te maken voor cultuur op
    boten
    (…)
    de dag daarop las ik voor op dezelfde
    boot
    soms vertrok het publiek voordat ik was
    begonnen
    omdat ze alleen maar de boot wilden
    bekijken
    enkelen bleven zitten
    een tentoonstelling ‘s avonds een opening over
    oriëntaalse kunst uit rusland
    ik moest op na een buikdanseres die ook uit
    amsterdam kwam
    een straat verderop bleek te wonen en
    smakelijk
    over haar vrijzinnige seksleven sprak
    voor haar liep ik naar het station
    om uit te zoeken wanneer de laatste trein zou
    vertrekken
    en zei na haar eerste optreden voor een zaal met nog
    meer bobo’s hapjes
    en open deuren tegen de organisator
    waarschijnlijk een stagiaire
    dat ze ervoor moest zorgen dat het stil zou
    zijn
    omdat ik me anders zou verhangen
     
    Hij moet nog naar Nijmegen, maar het is allemaal
    ellende, weinig publiek (evenveel als organisatie).
    Veel dichters zullen deze avonturen herkennen, maar
    ze houden zich meestal groot naar elkaar. Was het leuk? Ja hoor, er werd
    behoorlijk geluisterd. Ik heb ook nog een bundel verkocht.
    Naast het gedicht of misschien moet ik schrijven
    ‘verslag van on the road’ staat een wilde tekening van een soort monster met
    heel grote ogen. Dat zal geen toeval zijn.
    Monster
    Tsead Bruinja is in dit boek, zoals vaker in zijn
    gedichten, open over zijn leven, zijn dromen, vrouw en vrienden; meestal
    opgewekt, maar ook melancholiek. Hij schrijft zonder pretentie, sympathiek en
    humoristisch.
    Boek_stofsugersjongers
    Stofsûgersjongers / Stofzuigerzangers, gedichten
    etsen en CD
    uitg. Afûk, Leeuwarden 2013
    Bron recensie: De Poëziekrant, No. 5 2013
  • Koning

    Vandaag lees ik voor in Den Haag tijdens het nieuwe Prinsjesfestival. "Het Prinsjesfestival is een jaarlijks terugkerend festival dat plaatsvindt in de dagen voorafgaand aan Prinsjesdag… De komende jaren moet het uitgroeien tot een echt Feest van de Democratie. Voor 2013 staan onder andere de volgende onderdelen op het programma: het Prinsjescabaret, de Prinsjeslezing en het Prinsjesdebat, het Prinsjesdiner, de Prinsjesborrel en de Prinsjesrede."

    http://prinsjesfestival.nl/

    Ieder jaar staat er een andere provincie centraal tijdens het festival en dit jaar is dat Fryslân, waardoor ik als Amsterdamse Fries mag aantreden als prinsjesdichter.

    Er werd mij gevraagd me te verplaatsen in de nieuwe koning die voor het eerst de troonrede mag voorlezen.

    Bij deze eerst de Nederlandse vertaling en daarna het Friese origineel:

    royaal onderhoud

    hoe moet het nu met ons?
    zoveel jaren al bij elkaar
    en ons echte gesprek
    moet nog beginnen

    je gaf mij een stoel een jas en een kroon
    keek mij verbaasd aan
    toen ik hem dragen kon

    hoe moet het nu met ons?

    nu mijn werk begonnen is
    de woorden mij gegeven zijn
    ik de boel bij elkaar moet houden
    en ik zoveel meer te zeggen heb

    ons echte gesprek
    moest nog beginnen
    toch? 

    wat zou het uitmaken als ik zei
    dat ik thuis op de bank nog altijd meezing
    met de koren in het stadion

    dat mijn handen jeuken om de champagnefles
    te schudden en de kurk eraf te laten knallen

    wat zou het uitmaken als ik zei
    dat ik een idee voor dit land had net als moeder
    en tussendoor jullie een grap vertelde

    er was eens een luie koning van een lui volkje. de oogst was
    mislukt en sterven van de honger leek hem niet erg eervol. hij riep het volk op
    een berg te beklimmen en zei bovenop de berg dat hij besloten had dat het beter
    was om er collectief een einde aan te maken. één van zijn onderdanen stak de
    vinger omhoog met de boodschap dat hij een aardappelveld zag liggen dat gezond
    leek. 'zijn ze al geschild?' vroeg de koning. 'nee'', zei de hongerige
    onderdaan. 'dan springen we', zei de koning.

    zou dat nu echt zo erg zijn
    een man met een mening

    het is aan julie
    om erachter te komen

    of ik het meen als ik jullie het beste toewens
    dat hoeft niet zo

    *

     

    royaal ûnderhâld

    hoe moat it
    no mei ús?
    safolle jierren al by inoar
    en ús echte petear
    moat noch
    begjinne

    do joechst my in
    stoel in jas en in kroan
    seachst my
    fernuvere oan
    doe't ik him drage koe
    hoe moat it
    no mei ús?

    no myn wurk begûn is
    de wurden my jûn binne
    ik de brut byinoar hâlde moat
    en ik safolle mear te sizzen ha

    ús echte petear
    moast noch
    begjinne
    dochs?

    wat soe it útmeitsje at ik sei
    dat ik thús op `e bank noch altyd meisjong
    mei de koaren yn it stadion

    dat myn hannen jûkje om de sjampanjeflesse
    te skodzjen en de koarke dêroer ploffe te litten

    wat soe it útmeitsje at ik sei
    dat ik in idee foar dit lân ha lykas mem hie
    en tuskentroch jim in grap fertelde

    der wie ris in sleauwe kening fan in sleau folkje. de
    rispinge wie mislearre en stjerre fan 'e honger like him net bjuster earfol. hy rop it folk op om in berch
    te beklimmen en sei boppe op de berch dat hy besletten hie dat it better wie om
    kollektyf der in ein oan te meitsjen. ien fan syn ûnderdanen stuts de finger
    omheech mei it boadskip dat hy in jirappelfjild lizzen seach dat sûn like.
    'binne se al skyld', frege de kening. 'Nee', sei de hongerige ûnderdaan. 'dan
    springe we', sei de kening

    soe dat no echt sa slim wêze
    in man mei in miening

    it is oan jimme
    om derachter te kommen

    of ik it mien at ik jim it bêste tawinskje
    dat hoecht net sa

     

    http://prinsjesfestival.nl/over-prinsjesfestival/

    En nog een fijne kleurplaat voor de kinderen:

    Koning-scepter

  •  

    Lucky TV haalde het gedicht dat ik schreef voor het Fries Museum even door de Lucky Vertaalcomputer en hij heeft de code gekraakt. Nu weet ook ik eindelijk wat ik allemaal versleutel. Ik ben namelijk eigenlijk René die al die tijd en in elk gedicht weer het geluid van een verkrachte eend na. 

    It sizze oant it net mear jildt 

    wolst it
    bewarje
    sadat it
    itselde bliuwt

    wolst it
    bewarje
    oant it
    mear wurdich wurdt

    itselde dat wat wurdich bliuwt
    wolst by dy hâlde

    yn dy meidrage en sjen litte
    en achter dy litte

    omdat der wat nijs oankomt
    datst ek bewarje wolst

    de keet fol guod de hûd sa'n swiere winterjas
    datst dy by
    it simmer deaswitst

    en wêr sette wy dy dan del
    aanst

    en neist wa?

    Steen1

    het zeggen tot het
    niet meer geldt

    je wilt het bewaren
    zodat het hetzelfde blijft

    je wilt het bewaren
    tot het meer waard wordt

    hetzelfde dat wat waard blijft
    wil je bij je houden

    in je meedragen en laten zien
    en achter je laten

    omdat er wat nieuws aankomt
    dat je ook wilt bewaren

    de tent vol zooi je huid zo'n zware winterjas
    dat je je in de zomer doodzweet

    en waar zetten we je dan neer
    straks

    en naast wie? 

     

    De steen werd gelegd als onderdeel van de Poëzieroute Leeuwarden:

    http://www.poezieroute.nl/

    Meer over de opening:

    http://nos.nl/koningshuis/artikel/550739-maxima-opent-fries-museum.html

    http://www.nufoto.nl/fotos/397366/koningin-maxima-opent-nieuw-fries-museum.html

    http://www.metronieuws.nl/entertainment/foto-s-koningin-maxima-opent-nieuwe-fries-museum/SrZmim!KQuuo7iIwtOY/

    Fries Museum:

    http://www.poezieroute.nl/

    Steen2

  • Friese
    weemoedigheid

    Tsead Bruinja
    moest het verhaal van zijn jeugd kwijt


    Aardappel3

    Door Janita Monna

    De
    zoektocht naar de verloren tijd, en naar de mensen,
    het landschap, het huis en de spullen die daarmee verbonden waren, drijft
    schrijvers, dichters en kunstenaars van alle tijden. Dat universele gevoel ligt
    ook aan de basis van het tweetalige Gesammtkunstwerk ‘Stofsûgersjongers
    /stofzuigerzangers’ van drie Friese kunstenaars: dichter Tsead Bruinja,
    saxofonist Femke IJlstra en beeldend kunstenaar Mirka
    Farabegoli.

    Bruinja’s gedichten
    voeren de boventoon. Ze leiden terug naar het Friesland van de jaren tachtig,
    toen het ook crisis was, en de vader van de dichter werkloos werd. De familie
    moest verkassen, in hun huis kwamen nieuwe mensen:

    fennema had een zuur
    hoofd en met dat hoofd
    en dat wijf zou hij
    in ons huis wonen.

    Het verhaal gaat
    verder, want Stofsûgersjongers /
    Stofzuigerzangers
    is dan wel opgedeeld in afzonderlijke gedichten, het is
    toch vooral een vertelling, een die zich bovendien moeilijk anders dan
    autobiografisch lezen laat.

    De jongen gaat naar
    een andere school, probeert z’n (Friese) accent kwijt te raken, verliest z’n
    moeder en kan daar aanvankelijk niet om huilen; als dichter is hij on the
    road,
    verlangt hij naar zijn vrouw, zijn thuis, en ook weer niet. Hij treedt
    op voor nauwelijks in te tomen scholieren en voor halflege theaterzaaltjes: “ik
    was weer eens veel te vroeg voor het optreden// waarvoor een deel van de
    poëzieliefhebbers thuisgebleven was”. Bruinja’s reis naar vroeger is het
    herbeleven van pijn. Puberdepressies worden volwassen problemen. De dichter is
    gedesillusioneerd, dichten lijkt voor hem iets
    therapeutisch.

    Dat
    ismeteen het bezwaar tegen de bundel:
    Bruinja doet wel pogingen zijn geschiedenis universeler te maken – soms
    letterlijk: ‘om half zes komen nog altijd/ veel vaders thuis van hun werk’ –
    maar dat heeft iets geforceerds. En zodra de dichter echt dichtbij komt, lijkt
    hij de confrontatie niet aan te durven. Als het verdriet om de dood van zijn
    moeder ter sprake komt, verschuilt hij zich achter de typografie: de regels
    lopen naar beneden in de vorm van tranen.

    Traan
    Bruinja heeft al
    eerder bewezen dat hij liefdevol kan schrijven over zijn afkomst, familie en
    geliefden. Zijn Fries heeft van zichzelf een meeslepende weemoedigheid. Als hij
    zich dwingt tot bondigheid, behoudt zijn poëzie die kracht ook in het
    Nederlands. Maar hier laat hij te weinig suggestie toe en lijkt hij te graag een
    verhaal kwijt te willen. Misschien had hij dat gewoon in proza moeten
    doen.

    Bruinja en IJlstra
    wilden aanvankelijk een theaterprogramma maken. Het werd een fraai uitgegeven
    boek, met etsen in kleur en een cd waarop de saxofoon heimwee en verlangen
    vertolkt.

    eet
    smakelijk

    ze
    rookten nooit
    dus
    het asbakje bleef leeg
    op
    het dikke ronde tafelblad

    waarop
    tussen de middag door oma een pan met vette kippenvleugels
    en
    een schaal prei in maïzenasaus en aardappelen op werden
    gezet 

    opa
    zei dat ik de juslepel dieper door het vet moest halen
    het
    donkere is het lekkerste

    mijn
    sokken speelden met
    de
    barokke houten poten van de tafel
    volgden
    de bogen en punten

    als
    opa na de fles blanke vla
    zei
    dat hij even ging liggen
    en
    oma daarna op de bank in de voorkamer
    tussen
    het bespreken van de laatste showbizzroddels
    met
    de ogen begon te knipperen

    sloop
    ik langs mijn snurkende opa
    met
    de vier weken oude panorama uit de leesmap
    naar
    de wc in de schuur

    om
    te lezen over janny
    die
    op de foto was gegaan voor haar man
    de
    vrachtwagenchauffeur

    zij
    rookten nooit mijn opa en oma
    maar
    slapen en lekker eten 

    daar
    wisten ze alles van

     

    Bron: Trouw, 31-8-2013

  • Dit is het gedicht waarop je
    zat te wachten –

    ik ook – en er in laat ik een
    blinde hond

    wandelen met een glibberende
    ratelslang…

    Zo opent een gedicht van Matthew Sweeney dat hij komende zondag 18 augustus zal voorlezen tijdens de zevende editie van Poetry & Songs in de Bolder op camping Stortemelk te Vlieland. De presentatie is wederom in handen van Bas Kwakman van Poetry International die naast Matthew Sweeney ook de dichters Anneke Brassinga en Arjen Duinker zal aankondigen. Muziek is er van keelzanger, beatboxer en mondharpist Danibal en zelf zal ik ook enkele gedichten voordragen.

     

    Sween

    Hieronder als voorproefje drie gedichten van Sweeney die ik speciaal voor deze avond vertaalde en twee filmpjes met voordracthen. Wie meer van hem wil lezen in de vertaling van Peter Nijmeijer, raad ik aan om de tweetalige bundel Het IJshotel (Uitgeverij Atlas, 2008) op te sporen, bijvoorbeeld via http://www.boekhandelperdu.nl/Het-ijshotel of via Boekwinkeltjes.nl

    En wie hem wil horen komt zondag maar naar Vlieland!

    Het gedicht waarop je zat te wachten

    Dit is het gedicht waarop je
    zat te wachten –
    ik ook – en er in laat ik een
    blinde hond
    wandelen met een glibberende
    ratelslang
    over de North Main Street in
    Cork, waar
    langgerokte Roemeense
    zigeuners langs lopen
    in groepjes en Auntie
    Nellie's snoepwinkel
    lonkt. Ja, de blinde hond en de
    slang –
    daar zorg ik voor,
    natuurlijk, en leid hen naar

    de rivier daaronder. Mensen
    proberen ons tegen te houden –
    jongens met meisjes, vooral,
    maar ik negeer hen.
    Ik zit met gekruiste benen op
    de voetgangersbrug
    aan het einde van de Grand
    Parade, met twee
    gasten naast me, en mensen
    gooien munten
    die ik achterlaat wanneer we
    weg lopen.
    Niemand schenkt aandacht in
    Douglas Street,
    dus marcheren we door naar
    het einde, negeren daarna

    de instructie in het zuiden
    te blijven.
    In plaats daarvan, roepen we
    een taxi, waarmee
    de blinde hond, de
    ratelslang, en ik, het erop wagen
    terug te keren naar Sunday's
    Well, naar de verfijnde,
    door honden besmeurde
    hellingen, de slager met een hoed,
    en ik laat de hond en de
    slang vrij om
    langs de stoep te dartelen,
    terwijl ik
    achter hen aan zwalk,
    absoluut op mijn hoede.

     


     
    Matthew Sweeney leest het gedicht 'The Night Post'


    De Grootste Taak

    Denkend aan de taken die mij
    wachten,
    dacht ik dat ik maar met de
    grootste beginnen moest –
    het begraven van de olifant,
    toegegeven
    een kalf, maar groter en
    zwaarder
    dan een varken. Ik flapte één
    gigantisch oor op en neer,
    daarna het andere, terwijl ik
    mij Wally’s vaardigheid
    met de voetbal voor de geest
    haalde, hoe hij hem
    door de voeten van de
    lachende jongens dribbelde,
    trompetterend als hij een
    goal scoorde.
    En de manier waarop hij zich
    door de hond liet berijden,
    die blafte als ze op snelheid
    kwamen, de heuvel
    af naar de zee, waar ze in
    plonsden.

    Wie zou hem nu hebben willen
    vergiftigen?
    De filmploegen die bij de
    poort aankwamen,
    smekend om hem te mogen
    filmen; de dichteres
    die om het huis rondhing, van
    alles aan het neerpennen
    in haar boekje, duidelijk een
    episch werk in wording;
    of de beeldhouwer die het zachte
    lood kneedde –
    dit alles woog ik af tegen
    zijn mogelijke moordenaar.
    Waar was de zanger met zijn
    protestlied,
    of de eco-terrorist die hem
    zou wreken?
    Waarom wilde de politie mij
    niet eens geloven?
    Ik was verrast dat de mannen
    in het wit niet gestuurd
    waren om me een strak pakje
    aan te passen.

    Ik besloot dat het de kust
    moest worden, het verste
    punt, dichtbij de
    kasteelruïne. Ik huurde
    een mini bulldozer en een
    bestuurder, die de arme
    Wally op mijn trailer tilde,
    en de jongens
    kwamen om vaarwel te zeggen,
    net als
    de menigte die zich verzamelde,
    inclusief een doedelzakspeler
    die een trage aria liet
    klinken. We groeven een gaten
    duwden hem er in, daarna
    bedekten we hem.
    De jongens legden een cirkel
    van stenen er bovenop,
    toen gingen we er omheen
    staan tot het hoogwater
    werd. Ik ging naar huis, naar
    mijn Talisker.
    De rest van mijn taken konden
    verdomme wel wachten.

     


     

    In dit filmpje: "Matthew Sweeney introduces and reads from his tenth collection of poems, Horse Music (2013). The new book is as sinister as its dark forebears, but the notes he hits in Horse Music are lyrical and touching as well as disturbing and disquieting… Neil Astley filmed Matthew Sweeney reading a selection of poems from the book at his home in Cork in February 2012. Sweeney reads six poems: 'Horse Music', 'Fans', 'The Tunnel', 'Sunday Morning', 'The Slow Story of No' and 'Booty'.' For more details see:http://www.bloodaxebooks.com/


    De Inquisitielaan 

    Gisteravond wandelde ik de
    Inquisitielaan af
    naar de oever van de
    Guadalquivir. Ik had

    gebraden kip met knoflook en
    gegrilde lamsniertjes gegeten
    en een fles Ramon Bilbao
    Rioja Crianza gedronken.

    Niemand had me gemarteld omdat
    ik niet in de vergulde
    Madonna of de kruisslepende
    Christus geloofde.

    Niemand zou me de rivier in
    gooien,
    minus mijn duimen, vingers of
    testikels.

    Ik had zelfs Barcelona zien
    winnen in stilte,
    ze waren zo populair als
    Protestanten in Sevilla.

    In de Inquisitielaan was het schemerig
    maar niet donker –
    de maan hing erboven, en
    zwaluwen

    stoven heen en weer, over
    mijn langharige hoofd.
    Ik hoorde het vage geluid van
    Flamenco gezang.

    Ik bereikte de rivier en zag daar
    een boot –
    zonder erover na te denken
    sprong ik erin. De riemen

    bewogen uit zichzelf door het
    water
    en brachten me naar het
    Inquisitiekasteel

    dat zichzelf opnieuw in
    elkaar had gezet op de rivieroever
    en mij verwelkomde in haar
    donkere kelder.

     

    © gedichten Matthew Sweeney
    © vertalingen Tsead Bruinja


    Sween2

    Bron: http://www.youngpoetsnetwork.org.uk/2011/05/13/matthew-sweeney-finding-a-title/

  • Bruinja_freed_lc_s01

    De wrâld yn

    ‘Stofsûgersjongers’ is
    net sa mar in dichtbondel, it is in ‘groepsding’. De tekeningen fan Mirka
    Farabegoli en de muzyk fan Femke Ijlstra binne suver like wichtich as de
    gedichten fan Tsead Bruinja.

    Troch Jacob Haagsma

    Eins skoden der
    twa inisjativen yn inoar. Femke IJlstra, Frysk saksofoaniste om utens,
    benadere Tsead Bruinja, Frysk dichter om utens, om ris tegearre wat te dwaan.
    En suver tagelyk krige er mail fan Mirka Farabegoli, Frysk byldzjend keunstner
    om utens, oft er net by in solo-eksposysje fan har live gedichten meitsje woe.

    ,,Dat gie my wat te mâl”, seit er, ,,mar it idee om poëzij
    mei byldzjende keunst te ferbinen is wol moai, Dêr ha ik op har oplieding ek wol
    ris les yn jûn. En dus like it my moai om har derby te heljen.” En sa kaam it:
    in prachtich úfierd boek, mei Bruinja syn gedichten, byldzjend wurk fan
    Farabegoli en in cd mei hjoeddeiske saksofoankomposysjes fan IJlstra, foar in part
    spesjaal foar har skreaun.

    Sjoen de eftergrûn fan dizze trije keunstners leit de
    tematyk fan de bondelwolwat foar de hân.Underweis wêze, mar ek: weromsjen nei eartiids,
    nei hûs, nei Fryslân.  ,,Femke werkende
    dat benammen yn it gedicht ‘Snie stasjon leech’. Sy is ek faak ‘on the road’ foar har muzyk.
    Lekker ‘on the road’ wêze, anonym yn in hotelkeamer omhingje.”

    Tsjinwicht

    En as tsjinwicht dan omgrieme yn it persoanlike ferline, wat
    Bruinja dan ek wiidweidich docht yn in rige tige persoanlike gedichten. Hy wol
    it net ûnwennigens neame, of nostalgy. Siz mar ‘sehnsucht’. ,,It is it opwearde
    skatten fan watst meimakke hast. Dy ferhalen meitsje dy watst bist, hoest
    groeid bist. As ik in boek lês, wol ik graach witte hoe’t de skriuwer sa wurden
    is, hoe’t dy der ta kommen is om dat boek te skriuwen.”

    Dy tematyk komt ek oan de oarder by de oare keunstners, ek
    al is it ferbân fansels net hielendal ‘rjochtút’. Mirka Farabegoli lit har foar in part
    ynspirearje troch har reizen nei Colombia. It meast opmerklike stik op
    de prachtige cd fan Femke IJlstra, wat dat oanbelanget, is ‘De bazuin’, neamt
    nei it korps út Stiensgea dêr’t IJlstra har earste stappen op it paad fan de muzyk
    sette.

    ,,De kompoanist Geert Schoonbeek de Vlaming hat der spesjaal
    foar nei Stiensgea west, hy hat yn har sliepkeammerke stien fan wêrút sy
    útseach op it oefenhok fan De Bazuin”, seit Bruinja. ,,Dat ferhaal stekt der
    wol boppe út.”

    De bernejierren op it Fryske plattelân wiene lang net
    altiten in paradys fan moaie herinneringen. Yn it gedicht ‘Koeken en chips’
    fertelt Bruinja oer syn selsmoardtinzen fan dy tiid. ,,Ik wie as jonkje net al
    te fleurich, ik tocht tefolle nei oer de dingen. Lykas ús heit, dy hat ek sa’n
    donker aard. Dat ha ik no noch wol, mar net sa ekstreem. Sa no en dan in
    terapy, in goed glês wyn of in stik hasj-sûkelade, dan kin ik der wol wer
    tsjinoan.”

    Sa hat Tsead Bruinja wol wat fan in hjoeddeiske poète
    maudit. Mar it byld fan de iensume dichter op syn kâlde souderkeamer sprekt him
    út noch yn net oan. Sterker noch: poëzij is, foar him, in groepsding. It wurk
    fan Farabegoli, IJlstra en net te ferjitten foarmjouster Monique Vogelsang is
    foar him like wichtich.

    Subtyl

    ,,Har namme hie ek wol grut op it boek mocht. Ik ha tsjin
    har sein: reagearje do mar op it wurk. Dat hat se sa moai dien, sa subtyl. Sy hat elts gedicht oars foarmjûn. En
    ik sjoch eltse kear noch nije dingen: o, dat hat se sa bedoeld.” Dat wurket hiel
    goed yn ‘Aksint’: alle letters ûnder inoar, net neist inoar. Ek foar Bruinja
    makket dy yngreep it gedicht allinne mar sterker. ,,Ik tocht: as ik no foarlês,
    sil ik foar it gemak net in normaal printsje meitsje? Mar nee, dit is de foarm,
    samoat ik it foarlêze. Ek al is it sa in stik dreger.”

    Hy beskôget de tekst fan in gedicht dochs al as in soarte
    partituer, lykas by in muzykstik. Eins komt de boel, foar him, pas ta libben as
    er it foardraacht. ,,Dan ûntstiet pas de magy. Sjoch de tekst mar as de
    grûntoan, mar kinst, lykas by muzyk, ek eindigje op in oar part fan de
    toanledder. Dêr boartsje ik mei, en ek mei de betsjutting. Dy kin eltse
    foardrachtwer in bytsje ferskowe.”

    Ek dy foardracht is, yn it ideale gefal, in ‘groepsding’.Hy
    docht dat graach mei oaren, muzikanten leafst, en dan mar op inoar reagearje. ,,Ik
    ha in grut langstme nei gearwurking, nei nije freonskippen yn de keunst. It
    skriuwen jout my in skop ûnder de kont, de wrâld yn.Deliteratuer is goed
    foarmy: sa moetsje ik in protte minsken, sa reizgje ik wat ôf, nei Nicaragua, Slovenië,
    Skotlân, Malta. Wylst ik útmysels net op fakânsje gean soe. En ik hoech net
    foar in baas te wurkjen.”

    Bruinja_freed_lc_s02

    In dichter aardzjend
    nei de ierde

    Troch Eppie Dam

    In
    multidissiplinêr teaterprogramma moat it úteinlik wurde, mar earst
    draaide it út op in boek mei cd. ‘Stofsûgersjongers’ befettet poëzy fan Tsead
    Bruinja, etsen fan Mirka Farabegoli en saksofoanridels fan Femke IJlstra. Neffens
    de flap is it in projekt oer ‘fuortgean, weromkomme en aardzje’. Yn Bruinja syn
    gedichten giet it foaral om it lêste.

    In fers fan betsjutting is ‘Aksint’, dat begjint mei de
    rigels: ‘ik gie nei skoalle / yn de grutte stêd / besocht myn aksint te
    ferliezen / mar ferlear mysels’. Plattelânspuber Tsead aardet net yn Ljouwert, en
    it duorret lang foardat er wêze kin wa’t er werklik is: ‘ik waard âlder en
    dichter (…) en myn aksint kaam werom’.

    Dêrnei is er net mear benaud foar ambysjes en neamt er
    himsels ‘in sleat dy’t dreamde fan in oseaan’. Behalve nei syn âlden en
    foarâlden, aardet Bruinja nei de plakken dêr’t er wenne hat en dy’t er al
    ferhúzjend achter him liet. Elkenien en alles nimt er wat fan mei, en syn
    fersen dogge dêr ferslach fan yn in unike mjuks fan ôfstân en belutsenheid. Yntusken
    wurdt ‘de wrâld grutter / de pine djipper / it hert lytser’, al kin er dingen
    better ferneare neigeraden dat er dichtsjend tichter by himsels komt. Hoe grut –
    en tagelyk, hoe lyts – de wrâld foar him wurden is, docht bliken út it fers
    ‘Gref’. Dêryn sprekt er út dat er ‘neaken yn in tekken / de grûn yn wol // wêr
    makket my net folle út’. As ynternasjonaal dichter hat er ‘fel en hier falle litten
    yn yndonezië simbabwe en nikaragûa’, dat wol sizze, hy leit al ergens oars, en
    dêrom kin er oeral op ierde aardzje.

    Fan de fiif skiften binne de earste trije fan heech nivo,
    mei as útsjitter it lange fers ‘Snie stasjon leech’. Dêryn is de dichter
    dagenlang op stap mei syn ‘koffer op tsjiltsjes fol bondels om fergees wei te
    jaan’, wylst er wit dat der reden is om nei hûs te gean. Hoe’t de aard fan ’e
    minske stride kin mei de aard fan de dichter. Bruinja hie him as dichter al bewiisd.
    Dochs hat er yn dizze bondel syn
    eigen lûd noch wer ferheldere en ferdjippe, faak feilleas sekuer yn ’e dingen
    dy’t er sizze wol. Dêrneist is ‘Stofsûgersjongers’ in prachtboek om te sjen.
    By in twadde printinge soe de namme fan foarmjouwer Monique Vogelsang op ’e
    titelside meie. En aanst yn it teater net ferjitte en projektearje op in skerm
    har bysûndere lay-out.

     

    Bruinja_freed_lc_s04

     

    Bruinja_freed_lc_s03

  • "Directeur Cees Breederveld van het Rode Kruis zag veel ellende, maar gelooft toch in de goedheid van de mens. Per 1 januari stopt Breederveld als directeur van het Nederlandse Rode Kruis. Sinds 2005 bezocht hij tal van rampplekken en brandhaarden. Hoe wapent hij zich tegen het op de loer liggende cynisme?" Hij was te gast bij EO's radioprogramma Dit is de zondag en werd geïnterviewd door Elsbeth Gruteke. Ik schreef onderstaand gedicht voor hem.

    Hulk-toy-hands
     

    in de handen van je zoon

    je vult de kasten met liefde
    het bed met vertrouwen in de toekomst
    dekt de tafel met wat ouders meegaven

    een huis staat stevig
    op een gedeeld verleden

    je laat kwasten lopen langs de muren
    waartussen je kinderen op zult voeden
    om later bij thuis te komen

    na een reis
    na het werk
    na een bruiloft

    het mag jaren duren voor de eerste begrafenis
    en je wilt samen oud worden

    maar de natuur houdt je geen hand boven het hoofd
    en je regering wil in je kasten kijken
    van je tafel eten

    zoekt tussen lakens naar het geheim van de liefde
    of er iets aan valt te verdienen

    plant uit wantrouwen donker zaad om je huis

    en jij ligt in een tent te moe
    om je zegeningen te tellen

    te woedend om het speelgoed
    in de handen van je zoon

    dat hele andere kilometers
    heeft afgelegd

    te bewonderen

     

     

    © Tsead Bruinja

    Web: http://www.eo.nl/radio/ditisdezondag/aflevering-detail/dit-is-de-zondag-ba5269ba4e/

  • Op haar elfde begon de oorspronkelijk uit Bergen afkomstige kunstenares Elisabeth Leyen met een poëzie-album en tot de dag van vandaag vraagt ze dichters en beeldend kunstenaars om iets in haar boekjes te schrijven, tekenen of schilderen. Afgelopen augustus kwam ze langs in de James Cookstraat te Amsterdam en schreef ik met potlood en in een onhandig linkerhandschrift het gedicht 'Licht' uit Overwoekerd (Cossee, 2010) in haar album. Beeldend kunstenaar Ramon Verberne, met wie ik veel heb samengewerkt, maakte er een tekening bij.

    Leijen1


    LICHT

    er
    is licht
    en
    iets dat daartussen staat

    een
    muur
    een
    figuur

    een
    leven lang
    ben
    je onbenaderbaar

    kweek
    je vuisten
    bedek
    je een graf

    met
    je hele lichaam

    verduister
    je het gat
    van
    een deur

    er
    is licht
    iets
    dat daartussen staat

    en
    er is een weg
    Waarop
    je je spullen achterlaat

    er
    is licht
    dat
    je iets wil vertellen

    ga
    weg
    laat
    liggen

    neem
    op

    Leijen2
    © Ramon Verberne

    Uiteindelijk zullen de poëzie-albums naar het museum gaan, maar voorlopig blijft Elisabeth Eyen werk verzamelen. Wie graag een bijdrage zou willen leveren aan die verzameling kan haar een mailtje sturen via depotterie (apenstaart) kpnplanet.nl.

     

    Hieronder een filmpje van mijn eerste samenwerking en kennismaking met Ramon Verberne.

     

    Jaren geleden werd ik door het online tijdschrift www.kiez21.org gevraagd om met beeldend kunstenaar en illustrator Ramon Verberne via e-mail een dialoog te voeren met gedichten van mijn hand en beeld van zijn hand. Het resultaat was een rudimentair animatiefilmpje dat niet gemaakt had kunnen worden zonder de hulp van Jaap van Keulen (muziek) en Arnoud Rijken (animatie –il Luster Productions). Ramon Verberne en ik kozen al vroeg 'snavel' als thema, dat aansloot bij Ramons achtergrond als bioloog en mijn werk met taal en voordracht. Terwijl we er aan werkten deed me de snavel van een door Ramon getekende pelikaan aan een boot denken. In mijn werk is de boot vaak een metafoor voor het lichaam als drager en container van de ziel. Dat thema heb ik geprobeerd te verwerken in het tekstuele deel van mijn bijdrage aan dit project. De gedichten zijn terug te vinden in Bang voor de bal (Cossee, 2007).

  • Dichter Henk van der Veer bespreekt elke maand voor de Friesland Post boeken
    over Friesland en de Friese literatuur. Hieronder zijn bespreking van Stofsûgersjongers / Stofzuigerzangers

    Frieslandpost

    Stofsûgersjongers/Stofzuigerzangers tweetalig
    prachtboek!

    Vorige maand werd ik verblijd met een prachtig uitgeven boek
    onder de tweetalige (Fries en Nederlands) titel
    Stofúgersjongers/stofzuigerzangers. Het is een verzameling gedichten, etsen en
    muziek van Tsead Bruinja, Mirka Farabegoli en Femke IJlstra, over vertrekken,
    terugkomen en aarden, vroeger en nu, over soms juist niet naar huis willen, de
    liefde die daar onder te lijden kan hebben, maar uiteindelijk toch overwint.

    Ik heb zelden zo’n fraai uitgegeven poëzieboek gezien. Laat
    ik maar met die constatering beginnen en dan heb ik nog geen letter gelezen. Het
    stevig ingebonden boek nodigt namelijk uit om er eerst eens door heen te
    bladeren en dan langzaam de inhoud ervan op je te laten inwerken. De verzen van
    Bruinja, prachtig vormgegeven door Monique Vogelsang, de tien etsen van Mirka
    Farabegoli zijn een lust voor het oog en de bijgevoegde CD met de muziek van
    Femke IJlstra vormen een eenheid. Uitgeverij de Afûk in Leeuwarden heeft er maar
    werk van gemaakt!

    Ruim twee jaar geleden zocht saxofonist Femke IJsltra (1982) middels een mailtje contact met dichter Tsead Bruinja (1974). Femke herkende
    de weemoed naar Fryslân in de poëzie van Bruinja. Beiden wonen buiten de Friese
    provinciegrenzen. ‘Samen via poëzie en muziek de heimwee naar het verleden te
    onderzoeken en met als plan een theaterprogramma te schrijven’, was de opdracht
    die het tweetal zichzelf oplegde.

    Hoofdvakdocent saxofoon aan het Prins Claus Conservatorium
    Femke IJlstra speelde vervolgens solostukken bij dichter Bruinja op de bank en
    hij las vervolgens een nieuw gedicht voor over een buurvrouw uit het dorp
    Rinsumageest waar hij vandaan kwam. ‘Tijdens het stofzuigen van de nette
    voorkamer, met op de achtergrond de Arbeidsvitaminen, kon je haar vaak voor het
    raam zien staan, waar ze goed in de gaten hield wie er voorbij kwam. Zo kreeg
    het project de titel Stofsûgersjongers / Stofzuigerzangers. Opvallend is dat
    het vers de uiteindelijke selectie voor het boek niet overleefde, maar de titel
    dus wel.

    Op verzoek van Bruinja werd ook samenwerking gezocht met
    Mirka Farabegoli (1983) die niet alleen het omslag van het boek maakte, maar
    ook tien etsen die allemaal met de hand zijn ingekleurd. Een absolute meerwaarde
    voor het boek! Dat is ook de toelichting die Femke IJlstra geeft op de
    CD.

    Frieslandpost4

  • In december sprak ik Jean Pierre Rawie voor een interview dat in Awater gepubliceerd werd. Omdat het gesprek veel langer was dan Awater toeliet, leek het mij aardig om het gehele gesprek hier op mijn blog te plaatsen. Aan het einde van het gesprek beantwoord Rawie nog een aantal vragen van anderen waar ik om had gevraagd op Facebook en twitter.

    IMG
    We hadden afgesproken
    op de dag dat de wereld zou vergaan, 21 december 2012, om te praten over zijn nieuwe
    bundel De tijd vliegt, maar de dagen gaan
    te traag
    . Dichter Jean Pierre Rawie was een paar minuten te laat en café de
    Kletskop op de Amsterdamse Zeedijk, waar we hadden afgesproken, was helaas
    gesloten. Gelukkig boodt het NH Hotel om de hoek ons gratis ruimte en koffie.
    Terwijl we er heen liepen demonstreerde Rawie de degen die in zijn wandelstok
    verstopt zat en verexcuseerde hij zich met de woorden van Lodewijk XVIII van
    Frankrijk: '
    L'exactitude est la
    politesse des rois.'

     

    In De Wereld Draait
    Door zei je dat een goed gedicht 'op de rand van het graf wordt geschreven'. Je
    hebt zelf verscheidene malen lichamelijk op die rand gebalanceerd en er
    misschien ook wel overheen gekeken. Hoe vaak kun je van de dood doordrongen
    raken?

    In zekere zin is dat waar. Leo Vroman zei onheugelijk lang
    geleden: 'Ieder gedicht dat ik schrijf is het laatste, is mijn dood.' Dat stelt
    hij nog een beetje uit, maar dat is wel het gevoel zo ongeveer.

    Dat houdt hij al heel
    lang vol, net als jij.

    Ik ga steeds bijna dood en dan verschijnt er weer iets
    nieuws. Wij balanceren natuurlijk allemaal op het randje. Zeker vandaag nu de
    wereld vergaat.

    Nu we het toch over
    de dood hebben. Welke rol speelt het geloof en God in jouw leven?

    Ik gebruik hem half ironisch in mijn gedichten, maar ik vind
    wel dat het schrijven van poëzie een religieuze bezigheid is. Om met Talleyrand
    te spreken: 'Ik vind atheïsme zo weinig aristocratisch.' Ik vind het heel
    bruikbaar in poëzie, bovendien is de mooiste poëzie, religieuze poëzie. Ik zit
    heel erg in die zestiende en zeventiende eeuw en toen was er geen enkele
    twijfel aan het bestaan van een god. Dat heeft schitterende gedichten
    opgeleverd, van John Donne bijvoorbeeld.

    Ben jij een volbloed
    atheïst?

    Nee hoor. Ik houd een slag om de arm. Ik kom natuurlijk uit
    een domineesmilieu. Mijn vader was predikant. Als kind wilde ik ook dominee
    worden, niet uit religieuze bevlogenheid maar omdat mij was opgevallen dat mijn
    vader een uur per week het woord kon voeren zonder dat hij onderbroken werd,
    wat hem bij ons thuis nooit lukte. Aan die voorwaarde heb ik voldaan door mijn
    voordrachten.

    Hoe ging dat bij
    jullie thuis aan tafel?

    Het was een klein gezin, maar we waren allen zeer ten tale,
    dus dat ging over en weer met veel vuurwerk gepaard.

    Jij was redelijk
    dwars, toch?

    Ik was een lastig kindje. Vanaf mijn geboorte dacht men dat ik vroeg zou sterven. De arts had tegen mijn ouders gezegd dat ik me niet op
    moest winden. Nou, ik ben van nature een tamelijk opvliegend type maar ik had al
    snel door dat ik het kon gebruiken. Ik zeg altijd: 'Mijn ouders hadden een kind én een dochter.' (De dichter schenkt
    zichzelf wat water in en verontschuldigt zich. 'Sta mij toe. Ik moet een
    waanzinnige hoeveelheid pillen slikken per dag, maar het gaat allemaal prima.'

    ) Dit heeft natuurlijk allemaal weinig met poëzie te maken.

    Dat is waar, maar
    mensen willen graag toch iets over de dichter zelf horen. Ik lees graag
    biografieën.

    Ik ook, liever dan belletrie. Gek genoeg heb ik vorig jaar
    toen ik in het ziekenhuis lag twee romans van Nabokov herlezen, maar zodra het
    weer beter ging richtte ik me weer op de non-fictie en de poëzie.

    Ben je benieuwd naar
    wat er is na de dood?  In het gedicht
    'Vriend' waarin je je overleden vriend Driek van Wissen in een droom terugziet,
    zeg je dat je hem zou willen vragen: 'hoe / en of het daarna verder ging'.

    Ja, maar daarin beschrijf ik een droom, die ook regelmatig terugkomt.
    Natuurlijk eindig ik dat gedicht ook met hoe en of het verder ging. Dat is een
    interessante vraag.  Je hebt dat gedicht
    van Verlaine waarin hij zijn bedgenoot, vermoedelijk Rimbaud, maar het kan ook
    een vrouw geweest zijn, midden in de nacht wakker schudt en vraagt 'L'âme est
    immortelle?' Is de ziel onsterfelijk. Hij denkt dat zo iemand dat weet wanneer
    je hem midden in de nacht wakker maakt. De onsterfelijkheid van de ziel is
    natuurlijk wel een belangrijk thema in de poëzie en een zekere vorm van
    transcedentie streef je na in de poëzie.

    Zoek je naar iets
    hogers bij het schrijven van je gedichten?

    Ja, een zekere zingeving, want het bestaan op zich is
    natuurlijk helemaal niet zo vrolijk. Wat wel gek is, is dat in de zestiende en zeventiende
    eeuw het heel gewoon was dat als iemand ziek werd, hij dood zou gaan.
    Tegenwoordig is dat de uitzondering. Als iemand ziek wordt, wordt hij beter.
    Als je een kind kreeg had je grote kans dat zowel moeder als kind het kraambed
    niet overleefden. Je ziet veel roerende gedichten over dode kinderen uit die
    tijd, bijvoorbeeld bij Vondel. Je zou verwachten dat door de veranderde
    medische wetenschap van de laatste honderd jaar een ander levensgevoel zou gaan
    overheersen in de poëzie. Maar als je bijvoorbeeld Dylan Thomas leest, blijkt
    dat niet het geval. Uiteindelijk is dat ook wel logisch want het bestaan is eindig.
    Dat maakt de barokpoëzie voor mij ook heel actueel. Vandaar dat ik achterin
    mijn bundels altijd vertalingen opneem.

     

    Als ik jouw werk
    lees, valt me dat wanneer je over je ouders schrijft, je het vaak over het ziekbed
    of hun dood hebt. Je kiest er niet voor om hun het alledaagse van hun leven te
    beschrijven.

    Dat is waar, maar ik kies eigenlijk niks hoor. Het is niet
    dat je ergens over schrijft. Sommige dingen dienen zich aan. Die krijg je door
    het leven aangeboden. De dood van je ouders en de dood van je geliefden en van
    je vrienden. Ik vind dat serieuze poëzie ook over die thema's moet gaan. Ik ben
    misschien wat ouderwets daarin, maar poëzie gaat vanaf het vroegste begin over
    bepaalde thema's. De Romeinen wisten als dat je nooit iets nieuws schrijft, maar
    het altijd op een nieuwe manier verwoordt. Dat doe ik dus ook.

    En uiteindelijk gaat
    het altijd over tijd.

    Alle kunst gaat over het voorbijgaan van de tijd, muziek
    ook, daar kun je het horen. Zeker toen je nog geen geluidsdragers had. Iedere
    keer als je een muziekstuk hoorde was het anders, langer of korter. Dus daar
    hoor je het in. In de schilderkunst zie je het in stillevens en portretten. Het
    is ook een poging de vergankelijkheid een halt toe te roepen.

    Hoe reageerden je ouders op
    je succes?

    Die
    vonden alles goed wat ik deed. Ik kon als kind heel aardig tekenen en
    daar waren ze naar mijn mening te enthousiast over, dus dat deed ik niet meer.
    Gelukkig heb ik een veel minder vies vak gekozen, want van schilderen krijg je
    maar vieze vingers en ik zou het nu ook niet meer kunnen trouwens, want ik kan na
    mijn beroerte mijn rechterhand niet meer gebruiken. Schrijven kan gelukkig
    altijd, want dat gebeurt in het hoofd.

    Herinner je je
    preken van je vader?

    Hij was vooral heel erg intellectualistisch, geen
    doemprediker. Er waren mensen die met hem wegliepen en voor sommigen was hij
    niet dominee genoeg. Hij was meer van de beschouwende causerietjes.

    In je vorige bundel
    staat het gedicht 'Wending'. Ik las dat als een 'inkering' of bekering.

    Dat mag best, maar ik ga dat hier niet toelichten, want ik
    licht natuurlijk geen poëzie toe. Ik vind dat iedereen mag lezen, zoals hij of zij dat wil. Soms ben ik verrast
    over wat mensen er in zien. Er was zelfs een vrouw die alles wat ik schreef als
    religieus las. Zij zei: 'Je moet die jij van die gedichten voortaan in gij
    veranderen, want je bedoelt de Here Jezus.'

     

    Bij het
    radioprogramma Met het
    Oog op Morgen zei je dat je door het infarct
    weer was gaan schrijven, een 'propje was uit je dichtader geschoten'. En je zei
    dat het leven je door elkaar moet schudden om te kunnen schrijven.



    Images

    http://nos.nl/audio/419554-oog-zondag-nieuwe-bundel-jean-pierre-rawie.html

    Dat is een
    uitdrukking van mijn vriendinnetje. In feite is dat ook zo. Ik heb in al die
    jaren dat ik niks  serieus gepubliceerd
    heb wel veel gedaan, gedichten in opdracht geschreven, voor geld ook, en samem
    met Driek die rijmkroniek gemaakt. Deze
    nieuwe bundel is grotendeels in 2 à 3 maanden ontstaan.

    Ook de vertalingen?

    Nee, die zijn wat
    ouder. Daar heb ik me mee beziggehouden in het revalidatieoord. Toen merkte ik
    ook hoe belangrijk de poëzie toch eigenlijk voor mij is.

    Heb je de poëzie wel eens te veel gerelativeerd?

    Misschien. Ik kan
    het overigens iedereen aanraden zo'n revalidatieoord. Maar als je eens een
    dwarsdoorsnede van de bevolking wilt zien. De enige andere keer dat ik dat
    meemaakte was tijdens mijn dienstkeuring 
    die ook niet meer bestaat. Toen schrok ik dus heel erg. Want wij denken
    dat we het gewone volk wel kennen, maar dat is niet zo. Ik had niks met die
    mensen gemeen en zei ook niet met mij. Dat was een rare tijd.

    Maar het was niet zo raar als bij Rutger
    Kopland die op de afdeling lag die hij zelf geleid had?

    Ik was natuurlijk
    niet raar in mijn hoofd. Het was een motorische kwestie. Ik schreef ooit een
    column over het verblijf in dat oord. Iedereen maakt zich druk over vier gevangenen in een cel maar vindt het
    doodnormaal dat vier onschuldige gebrekkigen samen in een kamer worden gestopt.
    Je hoort dan ook 's nachts geluiden die je zelfs van je geliefde bijna niet verdragen
    kunt.

    En geuren?

    Daar sloot ik me al
    helemaal voor af!

    En er was niks bij te drinken.

    Dat is wel grappig.
    In het begin van mijn herstel kon ik heel slecht tegen alcohol. Dan was ik in
    mijn hoofd helemaal niet dronken, maar wel motorisch. Viel ik om. Toen ik mij daarover
    bekloeg tegenover mijn neuroloog, gelukkig een man uit Limburg, zei hij: 'Dat
    trekt wel bij.' Dat was heel gunstig. Ik ben er wel heel voorzichtig mee.

     

    Je kunt in weer een glas drinken bij het
    eten?

    Wel meer dan één
    glas. Het woeste cafébezoek is gedaan. Een keer in de week zit ik op
    dinsdagavond een uurtje in café de Wolthoorn met vrienden. Dat heb ik ooit met
    Driek afgesproken en dat houden we in ere.

    Rawiekramer
    © Trudy Kramer 2001, foto John Stoel

    Je moet door elkaar geschud worden, wil je
    kunnen schrijven, maar wat nu als de komende jaren redelijk gelukkig verlopen
    en er niemand meer omvalt?

    Ik ben nog wel
    bezig. Je moet, zeker van het soort poëzie die ik schrijf, niet te veel
    publiceren.  Mensen moeten er niet aan
    gewend raken. Maar ik schrijf wel af en toe.

    Vertaal je nog?

    Uit het Portugees.
    Vaak is de aanleiding voor het vertalen van een gedicht iets wat je niet weet,
    iets wat je moet opzoeken, want je leest natuurlijk nooit al vertalend. Je
    leest gewoon iets in het Spaans en dan kom je een woord tegen dat je niet kent.
    Ik was ooit bezig met de gedichten van de Roemeense dichter Eminescu. Toen kwam
    ik het woord 'plicuri' tegen en dat betekent 'enveloppen' en dat rijmt op 'picaturi'
    wat 'regendroppen' betekent. Als die twee woorden rijmen, dan wil het sonnet
    gewoon vertaald worden.

    We hadden het net
    over de opdrachtgedichten, die ik soms voor geld schrijf. Dat is niet altijd
    zo. Vanochtend heb ik nog een gedicht geschreven over dat meisje dat voor de
    trein is gesprongen en dat gepest werd. Ik schreef het op verzoek van een
    krant, voor het oudejaarsnummer. Ik was voorzitter van een poëziejury en heb
    toen drie jaar geleden dat meisje de eerste prijs laten winnen met dat gedicht
    dat iedereen nu citeert, over pesten. Ik vond het dapper dat ze dat onderwerp
    durfde te hanteren. Zij werd toen al drie jaar gepest.

    NOOIT MEER

    Je kunt als kind niet in de toekomst kijken,
    een dag duurt al een eeuwigheid.
    Je ziet de jaren eindeloos verstrijken
    en raakt je kwelduivels niet kwijt.

    De grote mensen weten het het beste

    (maar geen zit bij je in de klas)
    en zeggen dat je 'gewoon terug moet pesten',
    alsof dat zelfs maar mogelijk was.
    En morgen weer opnieuw diezelfde horde:
    je weet wat je te wachten staat
    en dat het nooit meer goed zal kunnen worden.
    Het is voor alles al te laat.

    © Jean Pierre Rawie

     

    Leveren die opdrachten nog wel eens een
    gedicht op dat in een bundel kan?

    Nou zelden,
    eigenlijk niet. Ik heb wel eens een regel die ik opnieuw gebruik maar dan is
    het gedicht onherkenbaar veranderd. Ik heb wel zoveel geschreven dat ik een
    bundel kan samenstellen die In Opdracht zou kunnen gaan heten, maar
    dat doe ik niet. Ik vind eigen werk belangrijker.

    Kan poëzie troost bieden, bijvoorbeeld aan
    de ouders van dat meisje?

    Er zijn een aantal
    gedichten die gebruikt zijn bij overlijdens en dat hoor je van mensen. Dat ze
    heel erg veel steun daaraan hadden. Men grijpt naar poëzie als men een
    persoonlijk verlies leidt en dan is het beter dat ze grijpen naar iets dat al
    bestaat dan dat ze zelf aan het fröbelen slaan. Wat je tegenwoordig vaak
    tegenkomt is dat ze in advertenties teksten overnemen uit andere advertenties.
    Heel vaak zie je de tekst: 'haar stoel is leeg / haar stem is stil / eindelijk
    rust'.

    Misschien was het een kletskous?

    Ja, maar dat was
    vast niet te bedoeling. Heel mooi vind ik ook: 'Zij is gelukkig gestorven.' Men
    bedoelt in alle rust, maar er staat hij is gelukkig gestorven. Wat ik ook een
    prachtig voorbeeld vind is dat gedicht van Nel Benschop  'Rust nu maar uit je strijd is gestreden'.
    Dat gedicht eindigt met 'rust nu maar uit God heeft een punt gezet.' Men weet
    dan niet dat een punt zetten ook iets obseens betekent. Ik ben natuurlijk
    altijd geroerd als ik een tekst van mijzelf zie, vaak zonder bron trouwens, met
    de overledene eronder als auteur. Dan had kennelijk zo iemand gezegd dat hij
    dat in zijn rouwadvertentie wilde hebben en dan denkt de familie dat opa dat
    maar mooi bedacht heeft.

     

    Je gaat geen gedichten toelichten, maar toch
    wil ik je vragen iets meer te vertellen over het gedicht 'Groepsportret'.

    Heel vroeger is dat
    een gedicht in opdracht geweest. Dat is een van de weinige gedichten die niet
    recent ontstaan is, wel bewerkt. Het werd geschreven voor een tentoonstelling
    in Groningen, bij een schilderij van Repin. Ik heb het zo bewerkt dat het niet
    meer herkenbaar is.

    In die laatste regels 'maar in de
    herfstlucht hangt een gloed / van alles wat nog moet gebeuren / van alles wat
    nog komen moet.' zie ik meer hoop dan in de meeste van je gedichten.

    Dat kun je ook
    negatief lezen natuurlijk.

    Alle ellende die nog moet komen?

    Precies. En die
    twee regels betekenen hetzelfde. Net als in psalmen is het twee keer dezelfde
    mededeling maar dan anders geformuleerd. Dat werkt heel poëtisch vind ik. Het
    lijkt nu net alsof je een gedicht schrijft en die truken allemaal toepast.
    Naderhand zie je een heleboel van die gedichten zelf en denk je 'dat heb ik
    goed gedaan', maar het is niet bewust. Wanneer je op een gegeven moment de vorm
    goed beheerst, doe je dat soort dingen onbewust.

     

    Schrijf jij een gedicht in één keer?

    Als ik met een
    gedicht bezig ben, kan ik het niet opzij leggen voor een volgend gedicht. Het
    moet af. Een gedicht is bijna nooit langer dan een regel of twintig, dus dat is
    in één sessie wel te doen.

    Heb je wel eens te lang aan een gedicht
    gesleuteld?

    Nee, meestal is het
    gauw klaar. Vertalingen kosten meer tijd. Rilke zegt dat je niet uit een
    gedicht vertaalt, maar naar een gedicht toe. Je poogt steeds dichter bij die
    poëtische tekst te komen en dan is het af. Dat weet je ook. Zoals een schilder
    op een gegeven moment weet dat hij er niets meer aan moet doen.

    Ik kom even terug op die hoop die ik er dan
    in las. Is er hoop in jouw poëzie?

    In de laatste bundels
    laat ik wel een zeker venster naar gene zijde open.

    Maar aan deze zijde van gene zijde?

    Uiteindelijk is er
    natuurlijk geen hoop. Puur filosofisch gezien is het bestaan treurig. Ook
    wanneer het leuk gaat, is het eindig en dat geeft op zich reden tot
    melancholie. Alle kunst is dus een beetje weemoedig. Schubert zei ooit: 'Kennst
    du fröhliche Muzik? Ich nicht.'

    Je zei dat je een poosje geen echte poëzie
    hebt geschreven, wel opdrachtgedichten

    Dat zijn hele
    vaardige dingen geweest, maar ik wil daar niet mee de eeuwigheid tegemoet. Ik
    heb ooit voor Pieter van Vollenhoven een gedicht geschreven, voor 'Ridders van
    de Weg', een prijs die hij uitreikte aan de beste vrachtwagenchauffeur. Dat doe
    je dus alleen maar voor het geld.

    Heb je een rijbewijs?

    Nee, gelukkig niet.

    De meeste dichters lijkt het aan een rijbewijs te ontbreken.

    Dat is me
    opgevallen. Dat komt omdat de meeste dichters te veel drinken. Mijn ouders
    stelden mij het voor toen ik achttien werd. Toen zei ik: 'doe maar niet, want ik ben veel te verstrooid daarvoor.' En
    dat is maar goed ook, want ik weet zeker dat in de tijden dat ik wel dronk met
    drank op achter het stuur was gekropen. Ik had vast een dreumesje doodgereden
    of was zelf verongelukt. Sterker nog ik heb niet alleen een rijbewijs, maar ik
    kan ook niet autorijden en ik kan bijvoorbeeld ook niet zwemmen. Een heer is
    iemand die zichzelf niet kan redden.

    Je schrijft tegenwoordig, door je beroerte,
    je gedichten eerst in je hoofd en daarna op de computer. Zijn je gedichten
    daardoor veranderd?

    Het is jammer dat
    de fijne motoriek niet meer werkt, want ik had een heel fraai handschrift. Al
    jarenlang typte ik mijn gedichten uit en schreef ze niet met de hand omdat ik
    niet het compliment wilde hebben 'wat schrijf je mooi' en dat ze dan het handschrift
    bedoelen. Maar het maakt geen verschil. Ik heb de computer leren hanteren
    vanwege de columns die ik in het Dagblad van het Noorden schrijf, al voordat ik
    mijn attack kreeg.

    Je schrijft het gedicht in je hoofd en dat
    gedicht is er eigenlijk al, maar is er een moment dat je kiest voor een vorm.

    Nee, die vorm kiest
    zichzelf. Je krijgt een bepaalde regel en daarmee is eigenlijk het gedicht ook
    al gegeven.

    Alles zit meteen in die eerste regel?

    Nou ja het kan ook
    de achtste regel zijn of de laatste. Bij dat gedicht voor het meisje dat voor
    de trein sprong, was de laatste regel er het eerste. Daardoor wist ik meteen de
    vorm.

    'Het is voor alles al te laat' was er dus
    het eerst?

    Ik wist dat dat de
    laatste regel moest zijn.

    Je noemt het sonnet het hoogste dat een
    dichter kan maken en vergelijkt het met het strijkkwartet.

    Er zijn mensen die
    vinden dat kunst moet ontregelen en ik vind nu juist het tegenovergestelde. Ik
    vind dat kunst orde moet scheppen in dit bestaan, dat ik als zeer chaotisch
    ervaar. er zijn verschillende vormen: je heel formeel kleden, wat ik doe, in de
    omgang tamelijk de nadruk op manieren leggen. Dat zijn allemaal pogingen om
    structuur aan te brengen in het bestaan. Dus is het logisch dat ik dat ook in
    gedichten doe. Het sonnet is voor mij de mooiste afgeronde vorm die je je kunt
    voorstellen, met die hele lange traditie. Als je een sonnet schrijft worstel je
    op tegen zeven eeuwen literatuur. Het
    sonnet is voor mij een beetje wat het strijkkwartet is voor een componist. Dat
    is meestal ook het mooiste werk dat die componisten maken. Het is de proeve op
    de som. Ik spreek natuurlijk een
    heleboel eigentijdse dichters en die zeggen dan: 'Ja, sonnetten daar heb ik
    honderden van geschreven.' Maar die zie je nooit, die sonnetten.

    Als je die vergelijking verder zou trekken
    is er dan ook zoiets als een symfonie in de poëzie? Miltons Paradise Lost?

    Ik vind het nog wel
    leuk, epische poëzie. Dante lees ik met plezier en Camões, maar als je poëzie
    zegt tegenwoordig in Nederland bedoel je toch lyriek.

    Pieter Boskma heeft een poging gedaan.

    Dat is waar, maar
    goed. Maar men leest toch in het algemeen, ook bij Dante en Milton, stukken
    eruit. Die worden het meest gelezen alsof het lyriek betreft. Wij zijn helemaal
    van het epos af eigenlijk. Je kunt de vergelijking dus niet door trekken. Als
    je het puur over de formele kant van de dingen hebt, heb je alleen bij de
    poëzie eigenlijk, ook wel bij de schilderkunst tegenwoordig, dat er gezeurd
    wordt over de vorm. Bij muziek, zelfs al maak je dingen die ik heel lelijk
    vind, moet je de techniek beheersen om. Je kunt niet als leek zomaar een
    compositie maken, een sonate of zo, want die gehoorzaamt aan bepaalde wetten.
    Die wetten moet je kennen en dan kun je daarna daartegen. Daar wordt nooit
    gezeurd over techniek. Niemand zegt: 'Je hoort de oorspronkelijkheid niet.' Wat
    je wel hoort over poëzie: ' Wordt zo'n strakke vorm niet een belemmering?' Mijn
    ervaring is juist dat het een verrijking is.

    Het gedicht 'Dichter' begint met de regels
    'Je maakt het mensen toch niet naar de zin / en streeft dat ook niet langer na.
    Niet langer / is wat je schrijft gericht op een ontvanger, / je bent je eigen
    einde en begin/. Is dat echt veranderd?

    Ja, bij het schrijven
    van de poëzie is dat echt helemaal weg, dat je rekening houdt met een eventuele
    lezer. Je moet natuurlijk wel zo beleefd zijn dat het verstaanbaar is. Het
    speelde eigenlijk geen rol, maar ik denk er nu al helemaal niet meer aan. Ik
    was ook heel verrast toen de bundel verscheen, dat er ik toch weer allerlei
    gelul naar mijn hoofd kreeg. 'Dat is waar ook,' dacht ik. Dat was ik helemaal
    vergeten. Of ik had het verdrongen.

    Er lijkt toch een situatie voor te bestaan
    waarin dat wel zo was?

    Natuurlijk. Je
    publiceert om gelezen te worden.

    Ook door de critici?

    In het begin was ik
    daar wel erg geïnteresseerd in.

    Kun je je nog een recensie herinneren waar
    je positief over was?

    Maarten Doorman had
    een keer ontdekt dat een volta van een sonnet eigenlijk twee regels eerder zat
    dan waar die officieel moest zitten en ik geloof dat hij gelijk had. Dat was
    voor mij heel verrassend. Ik vind dat een criticus zou moeten zien hoeverre je
    geslaagd bent in je opzet in plaats van te zeggen: 'Dit deugt niet, want ik heb
    een ander idee van de poëzie.' En dat is het nadeel. Dat de poëziekritiek, voor
    zover die nog bedreven wordt, geschreven wordt door dichters en die hebben
    natuurlijk een uitgesproken mening, een uitgesproken poëtica. Nou is het wel zo
    dat het steeds meer een verdomhoekje wordt in de krant en meestal in jargon
    geschreven waardoor iedereen terstond afhaakt, ik zelf ook. Als ik zie wat
    lovend besproken wordt door critici en ze geven een voorbeeld dan denk ik: 'Wat
    staat hier toch in godsnaam?' Ik heb een veel bestudeerd en moeilijke talen
    geleerd om moeilijke dichters te kunnen vertalen. Dan is het heel curieus dat
    er sommige eigentijdse Nederlandse dichters zijn die ik niet snap, terwijl ik,
    als ik ze persoonlijk ontmoet, niet het idee heb dat ze mijn meerdere zijn op
    enkel welk gebied dan ook.

    Het stoort me ook
    dat er zoveel haat en nijd is in dat kleine wereldje. Het leuke is nu juist dat
    het allemaal naast elkaar kan bestaan. Een goed verkopende dichtbundel brengt
    mensen er bovendien nog eens toe om ook iets anders te kopen. Ik begrijp wel
    dat critici die hun eigen werk natuurlijk het belangrijkste vinden, maar dan
    hooguit tweehonderd van verkopen, in hun onderhoud moeten voorzien door
    kritieken te schrijven.

    Nou dat vraag ik me af, want het verdient
    heel belabberd, dus ze doen het toch wel voor meer dan alleen het geld.

    Hebben we te weinig niet-dichters die
    kritieken schrijven?

    Willem Wilmink deed
    het. Die schreef zelf wel maar kritieken alleen als hij ergens erg enthousiast
    over was.

    Guus Middag?

    Ik weet niet of hij
    schrijft. Hij heeft in ieder geval een geweldige hekel aan mij. In die laatste
    kritiek heb ik gemerkt dat het teruggaat op de tijd dat hij mijn overbuurman
    was in Groningen. Ik kan het me helemaal niet herinneren, maar dat vermeldde
    hij in die kritiek. Ik vind het jammer.

    De lezer van de NRC heeft eens kans om te
    zien dat jij een nieuwe bundel hebt.

     De vorige twee
    bundels werden besproken door Arie van den Berg en Maarten Doorman en die waren
    dus heel positief. Je proeft soms de kwaadaardigheid. Als je mij bijvoorbeeld
    het verwijt maakt van stoplappen dan moet je dat aantonen vind ik, dat moet je
    niet alleen maar zeggen. Het is net zoiets als plagiaat. Dat moet je bewijzen en
    het niet alleen maar zeggen. Dat is schandalig.

    Dan sta je machteloos of je moet de
    krant al een brief schrijven en dan word je een zeurpiet.

    Je reageert nooit
    op kritiek.

    Ik heb het wel eens gedaan.

    Ik ook, maar ik doe
    het niet meer. Het is sterker zelfs om als je zo iemand ooit ontmoet te doen
    alsof je de hele kritiek niet gelezen hebt. Die truc heb ik ooit toegepast bij
    Michaël Zeeman en daarna zijn we bevriend geraakt. Zijn eerste kritiek over een
    hele oude bundel heeft hij min of meer herroepen, ook op papier. Dat vond ik
    wel stijlvol.

    Er staat een kort gedicht 'Som' na het
    gedicht over Driek. Zou de jongere Jean Pierre Rawie dat kunnen schrijven?

    Ik denk het niet.

    Je hebt je wel eens verweerd tegen
    vergeliikingen met Toon Hermans. Dit is geen Toon Hermans maar de berusting en
    dat kleine zit daar niet ver af en dat bedoel ik positief.

    Zo'n gedicht is er
    gewoon op gegeven moment.

    En je staat dat nu toe om dat te schrijven
    en ook te publiceren?

    Ik vind dat ook van
    dat het gedicht dat ik je net gaf over dat meisje. De krant wilde een langer
    gedicht hebben. Er misten twee regels. 'Ja, luister eens, ' zei ik, 'het wordt
    er niet beter op als ik het langer maak.' En dat zie je hier ook. Het is af.

    Als jij je jongere zelf zou tegenkomen wat
    zou jij tegen hem of hij tegen jou te zeggen hebben?

    Daar heb ik nooit
    over nagedacht.  Ik ben wel blij dat ik
    niet meer zo schrijf als toen ik twintig was. Dat zou niet best zijn. Ik denk
    dat ik heel erg onder de indruk zou zijn geweest als kleine jongen. Maar dat is
    natuurlijk een onmogelijke situatie die jij schetst.

    Daar zijn wij voor om onmogelijke
    situaties te bedenken.

    Ik heb daar niet
    echt over nagedacht. Ik zal mijn gedachten erover laten gaan. Je ziet wel eens
    van die brieven in de krant. Ik ben nu eenenzestig en ik betreur wel heel veel
    verspilde tijd, maar dat was misschien ook wel nodig. Het is zoals Oscar Wilde
    zei: 'Jeugd is een mooie uitvinding. Jammer dat hij verspild wordt aan jonge mensen.'

    Je laatste vier bundels
    hebben alle vier dezelfde opbouw, twee afdelingen eigen gedichten die worden
    gevolgd door een afsluitende afdeling met vertalingen. De grootte van die twee
    afdelingen verschilt per bundel, bij deze laatste is de eerste afdeling wat omvangrijker
    en de tweede wat kleiner. En voor het eerst gebruik je een titel bij de tweede
    afdeling: 'Naherfst in Venetië'. Is daar een reden voor?

    Dan
    weet men meteen waar men aan toe is.

    Maar bij andere bundels
    hoefde dat niet.

    Die
    titel is een verwijzing naar Rilke zijn Spätherbst
    in Venedig
    .

    Hoe bepaal je de volgorde
    in die eerste twee afdelingen en waardoor staat een gedicht in I of II?

    De
    volgorde is ook hier weer bijna chronologisch.

    Kunnen we de bundel als een
    dagboek lezen?

    Ja,
    bijna wel. De gedichten kwamen organisch uit elkaar voort, min of meer. Na de
    tijd ben ik nog wel een beetje aan het schuiven. En de vertalingen zijn puur
    chronologisch naar de geboortedatum van de auteur. Is het jou opgevallen dat er
    in die hele bundel één gedicht staat dat niet rijmt?

    Nee.

    Het
    gedicht 'Uitstel' rijmt helemaal niet. Het valt niemand op, zelfs niet als ik
    het voorlees.

    Omdat het goed klinkt. Er
    zit wel halfrijm in.

    Het
    is metrisch heel strak. Ik vond het grappig om te doen. Het is natuurlijk wel
    iets dat een criticus zou moeten opmerken. Van de week las ik voor in Hengelo
    en werd ik ook geïnterviewd. Toen zei ik het tegen die interviewer en die zei dat
    hem helemaal ontgaan was.

    Ik ben daar ook helemaal
    niet naar op zoek.

    Nee,
    maar omdat iedereen altijd zeurt over die strakke vormen.

    Ik zie het niet als een
    probleem en daarom valt het mij niet op.

    Ik
    ken een heleboel gedichten die niet rijmen en die niet strak in de vorm zijn,
    van Rilke bijvoorbeeld, die ik helemaal uit het hoofd ken.

    De gedichten van Wigman
    rijmen ook vaak niet, maar er zit wel veel halfrijm in.

    Wigman
    kreeg als kritiek van Erik Menkveld dat hij te strak in de vorm was, omdat hij
    zijn lettergrepen telt. Hoezo te strak in de vorm? Ik vind dat zo'n onzin. Het
    is wat Goethe zegt. Goethe had een enorme hekel aan recensenten. Die schreef
    dan: 'Kijk dan maak je iets wat nog nooit vertoond is, de criticus krijgt iets
    onder ogen waar hij in zijn stoutste dromen het bestaan niet van had kunnen
    vermoeden en dan schrijft hij naderhand op dat het niet aan bepaalde
    voorwaarden voldoet, terwijl hij juist niemand iets had beloofd! Hij heeft ook
    een gedicht over een man die zomaar bij iemand binnen komt vallen. Hij eet mee
    en gaat daarna bij de buren naar binnen en zegt dan dat de soep te zout was,
    het vlees te lang gebakken en het toetje niet zoet genoeg was. Goethe eindigt dat gedicht met: 'Schlagt ihn tot, den Hund! Es ist ein
    Rezensent!'

    In afdeling II 'Naherfst in
    Venetië' staat het gedicht 'Brief'. Dat lijkt over een andere periode te gaan.

    Het
    is wel een Venetiaans gedicht, want het woord 'lagune' komt er in voor, maar
    het is inderdaad ouder dan de rest, maar het past er wel.

    Het lijkt over een andere
    geliefde te gaan.

    Ja,
    maar ik vind het wel mooi om dat daar in te stoppen. De bundel bevat weinig
    liefdespoëzie.

    Maar er komen wel geliefdes
    in voor?

    Dat
    wel, maar mijn vriendinnetje zei ook bij ieder gedicht dat af was: 'Weer geen
    liefdesgedicht!' Toen heb ik die hele bundel maar aan haar opgedragen.

    Enkele gedichten en
    vertalingen gaan een verband met elkaar aan qua thematiek zoals  'Aa-kwartier' van je eigen hand en de
    vertaling van het titelloze gedicht van Frederico Mennini waar je mee afsluit.
    Beide gedichten gaan over de dingen die ons overleven. Denk je over dat
    echo-effect na bij het samenstellen van een bundel?

    Er
    is een verwantschap tussen de barokpoëzie en de mijne. Ik poog al bundels lang
    om aan te geven dat je ook mijn eigen gedichten in die context moet lezen, maar
    dat wil men niet. Het is heel raar dat men vooral bij literatuur denkt dat het
    een opzichzelf staande identiteit is. Neem de Nederlandse poëzie. Je hebt eerst
    Kloos, dan heb je Nijhoff, dan heb je Vasalis, dan heb je ons.

    Ik
    las overigens eens een prachtig gedicht van Jeremias de Decker 'Aen mijnen
    sterfdag' en dat vond ik zo mooi dat ik dacht dat wil ik vertalen, maar het was
    al in het Nederlands geschreven, zei het in  zeventiende-eeuws Nederlands.

    Aen mijnen sterfdag

    Dag, die my eens van zon versteken zult en dag,
    Dag, die my binnen ’t graf; dag, die mij eeuwig buiten
    De ruime Weereld zult dien schoonen Tempel sluiten,
    Dien Tempel; daer ick God in toe te zingen plag

    Verwondering en prys, zoo dik ick hem bezag;
    Dag, die my in den loop zult van myn dagen stuiten,
    En ’t na-wee proeven doen der duur verbode fruiten;
    Dag, zeg ick, dien ick vliên, maer niet ontvlieden mag;

    Hoe spoed ghy herwaerts aen: doch als op wolle voeten!
    Ghy zult, ghy zult misschien my in dit jaer ontmoeten,
    Misschien in deze maend, in deze week misschien;

    En kleef ick dwaze nogh zoo vast aen myn’ gebreken,
    En leef ick nogh zoo los als of ick nogh veel weken,
    Noch vele maenden zou, noch vele jaren zien?


    Jeremias de Decker

     

    Het gedicht 'Tot een lijk'
    van Giovan Battista Marino lijkt over necrofilie te gaan.

    Dat
    is een heel raar gedicht. Die Marino gold een paar eeuwen lang als het toppunt
    van wansmaak, ofschoon hij heel beroemd was in zijn tijd, beroemder dan
    Cervantes of Shakespeare. Pas vijf jaar geleden is zijn werk herdrukt. Dat
    gedicht is natuurlijk een heel raar sonnet. In de eerste acht regels ziet hij
    overeenkomsten met het lijk en in die laatste zes ziet hij de verschillen.

    Was dat het gedicht dat je
    vertaalde in Zuidlaren tijdens je revalidatie? Je hebt het in het gedicht
    'Marino' over het vertalen van poëzie.

    Omdat
    hij de aanleiding was voor andere vertalingen van dichters die marinisti werden
    genoemd, leerlingen van hem. Die bestudeerde ik in die tijd.

    Je studeerde Russisch,
    Italiaans en Roemeens. Heb je een voorkeur voor een taal om uit te vertalen?

    Italiaans
    is toch mijn grote liefde. Ik ga ook graag naar Italië. Ik heb een hele grote
    verzameling zeventiende eeuwse uitgaven, vooral in het Italiaans. De zeventiende
    eeuw is in Spanje veel interessanter eigenlijk, maar in Italië is er nog steeds
    veel te ontdekken.

    En dat wordt in Italië ook
    nog uitgegeven?

    Ik
    koop vooral boeken uit de zeventiende eeuw omdat het niet uitgegeven wordt. Ik
    heb een gedicht van Gaudiosi vertaald. Wat ik van die man gezien heb vind ik
    geweldig. Maar die bundel is sinds 1671 niet meer herdrukt en is maar één druk
    geweest. Ik weet dat hij in vijf bibliotheken staat, dus ik overweeg het
    criminele pad te kiezen.

    Die andere talen hebben
    andere klanken andere structuren.

    Je
    moet veel afzwakken. In Romaanse talen zijn uitroeptekens veel gebruikelijker
    dan bij ons. Neem bijvoorbeeld een lang gedicht van de Spaanse Baron José de la
    Vega 'Canto a Teresa'. In een van de  strofes
    lees je alleen maar 'O Teresa Ay Teresa'. Als je dat vertaalt, is het
    natuurlijk allemaal onzin, dus je moet een beetje gas terugnemen, zeker bij romantische
    poëzie uit de zuidelijke landen.

    Je vader was predikant die
    het woord van God verspreidde. Doe jij niet hetzelfde door je lezers kennis te
    laten maken met vertaalde poëzie die hen wellicht anders nooit onder ogen zou
    komen? Ben je een zendeling?

    Het
    is leuk om iets aan de Nederlandse poëzie toe te voegen met die vertalingen en
    met eigen werk, maar nee, ik ben geen dominee. Dat er mensen zijn die troost
    ontlenen aan mijn gedichten vind ik eerder een verwantschap.

    Je zegt in eerdere
    interviews dat je de ironie hebt afgezworen maar er zit zeker in die
    vertalingen bijvoorbeeld  in 'Tot een
    lijk' nog genoeg ironie.

    Dat
    is ook zo, maar die barok was ook een hele gezwollen periode. Dat gedicht dat
    je noemde daar zitten woorden in die ik zelf niet zou gebruiken zoals 'prangen'.
    Er zitten in die gedichten wel
    eens licht ironische wendigen, en in mijn eigen gedichten ook, bijvoorbeeld dat
    woord 'intussen' in het gedicht 'Cuique Suum':

     …Wij zijn in 's
    Heren hand. Zijn wil geschiede.

    Intussen zie je zelfs
    om wie je geeft
    zonder genade in de
    nacht verdwijnen
    die ook jezelf
    geleidelijk omgeeft.

    Dat is ironisch,
    die wending, maar zo subtiel dat niemand het stoort.

    Zit dat in de toon?

    De criticus Guus
    Middag
    kende het woord 'menigeen' geloof ik niet. Dat vond hij zo ouderwets.
    Wij hebben 'gij' afgeschaft, wat heel jammer is, want de rijmklank 'gij zijt'
    is heel bruikbaar. Daar trek ik mij ook niks van aan. Als ik het zou willen
    gebruiken dan gebruik ik dat. Ik hoorde van een hoogleraar in de rechten die
    door een student gevraagd was of hij niet zulke moeilijke woorden als
    magistraat wilde gebruiken. Ja, kijk.

    Dan gaat het spel een beetje verloren.

    Daar hoef je ook
    geen rekening mee te houden. Ik schrijf elke week een column in het Dagblad van
    het Noorden waar een boekje van uitkomt in het voorjaar. Daar gebruik ik ook
    zeer bewust woorden in die in die krant verder niet voorkomen. Er zijn veel
    mensen die dat wel leuk vinden. Ik kreeg laatst een geweldige hoop brieven toen
    ik over de Oranjes had geschreven dat die wel heel hard werken zoals iedereen
    zegt, maar als ze morgen verdwijnen, dan zou alles gewoon doorgaan. De slotzin
    was:  'In dat licht zou Beatrix net zo
    goed door Friso kunnen worden opgevolgd.' Daar kreeg ik toch een boze brieven
    over!

     Ik denk dat zij het
    zelf ook niet zo zou waarderen. Jij bent toch onderscheiden met De Orde
    van de Nederlandse Leeuw?

    Pierre Vinken, die de baas was van het Republikeins
    Genootschap, waar ik ook lid van ben, zei dat je zo'n onderscheiding moet
    accepteren. Hij heeft er zelf ook een paar.

    Je was
    betrokken bij de Fuji Art Association – een gezelschap figuratief werkende
    kunstenaars, bestaande uit Trudy Kramer, Wout Muller, Matthijs Röling, Ger Siks
    en Clary Mastenbroek. Die groep bestond ook uit dichters.

    Ik zat er als dichter in met C.O. Jellema en Fritzi Harmsen
    van Beek. Dus ik ben de enige overlevende.

    Voel jij je meer
    verwant met figuratieve kunst?

    Ik zag bij binnenkomst van dit vertrek (in het NH Hotel tegenover Amsterdam CS) meteen het portret van
    Matthijs Röling, die ook het omslag van die bloemlezing met columns heeft
    verzorgt. Als je een sonnet schrijft boks je op tegen zeven eeuwen
    sonnetschrijven en Matthijs bijvoorbeeld schildert, helaas niet meer door dat
    hij door een beroerte nu ook een lam handje heeft, en meet zich ook met de
    grote meesters. Dat vind ik erg te waarderen.

    Tegelijkertijd zeg je ook dat je vind
    dat je gedichten door een melkboer begrepen moeten kunnen worden.

    Dat vind ik wel. Die ziet misschien al die dubbele bodems
    niet, die jij misschien wel ziet. Ik vind het ook zo raar dat sommige critici
    zeggen: ''Ja, dan lees je het en dan is het over.' Dat is helemaal niet waar.
    Die mensen zijn dus dom, want die denken 'dit snap ik, dan ken het niks wezen'
    en kijken niet verder.

    Komt er een
    vervolg op De Rijmkroniek nu Driek van Wissen er niet meer is?

    We gaan helaas niet verder. Ik mis Driek erg. Vier keer per
    week troffen we elkaar een paar uur, meestal om te werken, maar ook om geweldig
    veel pret te maken. Hij was mijn klankbord en dat gold over en weer. Dat ben ik
    nu kwijt en dat is een groot gemis.

    Wie is nu je
    klankbord?

    Niemand zoals hij het was. Het was een vriendschap van veertig
    jaar. Dat krijg je niet terug. Ik zou deze gedichten ook zeker eerst aan hem
    laten zien.

    Heeft hij hier
    nog iets van gezien?

    Nee, bijna niet.

    Toen ik op Facebook
    en Twitter meldde dat ik jou ging interviewen en mijn vrienden vroeg of ze nog
    vragen voor je hadden, kreeg ik de volgende reacties binnen.

    Bernd Ebbo Visser:
    Wat had hij werkelijk willen worden?

    Ik ben helemaal geworden wat ik uiteindelijk dacht te
    worden. Als kind zat ik vaak bij mijn vader achter op de fiets en dan zag ik de
    café's en dacht ik 'dat is nu de echte vrijheid.' Hier tegenover je zit een man
    wiens jongensdroom is uitgekomen.

    Leontien Ceulemans:
    Hoe is zijn liefde voor poëzie ontstaan?

    Dat ging al heel vroeg. De dimensie van het woord was
    natuurlijk heel belangrijk bij ons en zoals je weet de eerste gedichten schrijf
    je als je puber bent. ik ben blij dat niemand ze ziet en niemand ze kent, want
    die waren heel erg vijftiger-achtig.

    Bestaan ze nog?

    Ik hoop het niet. Ze stonden in schoolkranten.

    Dat zou nog wel eens
    te achterhalen zijn.

    Als ik een exemplaar vind vernietig ik hem onmiddellijk. Ik geloof dat  een
    gedicht van Hoornik cruciaal was. 'Dat is het,' dacht ik. Het gedicht ging over
    Dachau.

    Willem Tieske Derks:
    Is poëzie voor hem urgenter geworden, of wellicht juist minder urgent sinds
    zijn herseninfarct?

    Ik geef het antwoord al een paar keer en doe het ook met die
    bundel. De echte poëzie is juist weer teruggekomen. Eigenlijk vind ik het jaar
    na mijn beroerte eigenlijk wel een goed jaar, omdat het veel opleverde. Ik heb
    natuurlijk enorm geboft, ik had nu ook een idioot kunnen zijn. Ik wens het
    niemand toe, want het was een zware attack, maar ik ben er goed uitgekomen en
    ik kan goed leven met de restverschijnselen. Mijn omgeving kennelijk ook.

    Rutger H. Cornets de
    Groot: Wat vindt hij van de regels 'ik zing de aarde aarde:/ de aarde met haar
    carnivale uiterweide' van Lucebert?

    Ik doe niet zo mee met het bewonderen van Lucebert. Ik
    begrijp een heleboel niet. Op een paar regels na blijft er ook weinig van hem
    bij mij hangen. Dus ik heb daar geen oordeel over.

     

    Joost Oomen: Ik ben
    wel benieuwd of Rawie zich verbonden voelt met nog levende collega's binnen het
    schrijversvak of dat hij zich juist een éénling voelt binnen het literaire
    veld?

    Ik lees weinig eigentijdse Nederlandse poëzie omdat dan het
    gevoel heb dat iemand anders op mijn instrument speelt en het daardoor
    ontstemt. Wat helemaal niet wil zeggen, dat het geen prachtige gedichten zijn.

    Jan Beuving: Wat is zijn verweer tegen
    zeurkousen die vinden dat ritme en rijm uit de tijd zijn en niet van waarde
    zijn voor de poëzie?

    Mijn verweer is het publiceren van mijn werk.

    Man van Myra: is
    poëzie gestileerde blues?

    Nou ik herinner me dat Harry Muskee mij ooit interviewde
    voor een radioprogramma. Hij zei: 'ik vind jou poëzie enorm bluesy.' Ik begrijp
    dat ook wel een beetje. Hij heeft me ook nog een keertje gebeld of ik teksten
    voor hem kon schrijven, maar dat moest dan in het Engels en dat is toen niet
    gebeurd.

    Daar hebben we toch
    wel iets aan gemist misschien.

    Dat is waar. Aardige jongen was het trouwens.

    Komen er nog veel
    jonge dichter naar je toe om je raad te vragen?

    Je krijgt zodra je met je snufferd op de buis bent geweest
    een heleboel idioten aan de deur. Mensen sturen ook wel eens iets op.  Er was een man van een jaar of zestig die de
    dag nadat ik bij De Werekd Draait Door was geweest overal had aangebeld in de
    Visserstraat, want die had gehoord dat ik daar woonde. Hij vroeg me of hij zijn
    sonnet mocht voordragen en toen zei ik 'stuur maar op.' Daar heb ik op
    geantwoord. Het was niet veel zaaks.

    Je zei in een van je
    gedichten dat je geen dubbelganger hebt, maar er loopt hier in Amsterdam een
    jongen rond in driedelig pak die Simon Mulder heet. Ken je hem?

    Ja, die schrijft heel tachtigerachtige poëzie.

    Hij heeft goed op je
    gelet.

    Hij deed mee aan een sonnettenwedstrijd in Leiden waarbij ik
    in de jury zat samen met Ilja Pfeijffer. Die heeft hij niet gewonnen geloof ik.
    Die jongen moet toch heel erg loskomen van de Tachtigers denk ik. Maar
    misschien is het wel heel geweldig wat hij doet.

    'Er was niets te
    winnen' zeg je in 'Verschil', maar je hebt toch goeie vrienden gekend en bent
    al jaren met dezelfde vriendin.

    Maar het gaat allemaal voorbij. Als ik al een boodschap heb,
    is dat het wel. Dat het leven eindig is, ook al is dat niet bijster origineel.

    Maar er zijn ook
    andere gedachten want in Som zeg je iets anders: 'In duizend straten / maar één
    enkel pad / te gaan. En dat je daar / genoeg aan had.'

    Ja maar 'dat je daar genoeg aan had' is ook een ironische
    wending. Dat is ook geen originele gedachte maar ik verwoord het op een
    bepaalde manier. Je moet ook geen consistente levensbeschouwing van zo'n bundel
    verwachten. Dan zou je iets heel anders moeten doen dan poëzie schrijven.

    Zijn er uit deze bundel al regels op
    zerken geplaatst?

    Ik geloof het nog niet. Ik heb wel al rouwadvertenties
    gezien met regels eruit, bijvoorbeeld het slot van het eerste gedicht uit de
    bundel: 'Je raakt de mensen en de dingen kwijt, / tot je het leven langzaam
    voelt verglijden / een deel wordt van het raadsel van de tijd.'

    De-tijd-vliegt-maar-de-dagen-gaan-te-traag