• Op haar elfde begon de oorspronkelijk uit Bergen afkomstige kunstenares Elisabeth Leyen met een poëzie-album en tot de dag van vandaag vraagt ze dichters en beeldend kunstenaars om iets in haar boekjes te schrijven, tekenen of schilderen. Afgelopen augustus kwam ze langs in de James Cookstraat te Amsterdam en schreef ik met potlood en in een onhandig linkerhandschrift het gedicht 'Licht' uit Overwoekerd (Cossee, 2010) in haar album. Beeldend kunstenaar Ramon Verberne, met wie ik veel heb samengewerkt, maakte er een tekening bij.

    Leijen1


    LICHT

    er
    is licht
    en
    iets dat daartussen staat

    een
    muur
    een
    figuur

    een
    leven lang
    ben
    je onbenaderbaar

    kweek
    je vuisten
    bedek
    je een graf

    met
    je hele lichaam

    verduister
    je het gat
    van
    een deur

    er
    is licht
    iets
    dat daartussen staat

    en
    er is een weg
    Waarop
    je je spullen achterlaat

    er
    is licht
    dat
    je iets wil vertellen

    ga
    weg
    laat
    liggen

    neem
    op

    Leijen2
    © Ramon Verberne

    Uiteindelijk zullen de poëzie-albums naar het museum gaan, maar voorlopig blijft Elisabeth Eyen werk verzamelen. Wie graag een bijdrage zou willen leveren aan die verzameling kan haar een mailtje sturen via depotterie (apenstaart) kpnplanet.nl.

     

    Hieronder een filmpje van mijn eerste samenwerking en kennismaking met Ramon Verberne.

     

    Jaren geleden werd ik door het online tijdschrift www.kiez21.org gevraagd om met beeldend kunstenaar en illustrator Ramon Verberne via e-mail een dialoog te voeren met gedichten van mijn hand en beeld van zijn hand. Het resultaat was een rudimentair animatiefilmpje dat niet gemaakt had kunnen worden zonder de hulp van Jaap van Keulen (muziek) en Arnoud Rijken (animatie –il Luster Productions). Ramon Verberne en ik kozen al vroeg 'snavel' als thema, dat aansloot bij Ramons achtergrond als bioloog en mijn werk met taal en voordracht. Terwijl we er aan werkten deed me de snavel van een door Ramon getekende pelikaan aan een boot denken. In mijn werk is de boot vaak een metafoor voor het lichaam als drager en container van de ziel. Dat thema heb ik geprobeerd te verwerken in het tekstuele deel van mijn bijdrage aan dit project. De gedichten zijn terug te vinden in Bang voor de bal (Cossee, 2007).

  • Dichter Henk van der Veer bespreekt elke maand voor de Friesland Post boeken
    over Friesland en de Friese literatuur. Hieronder zijn bespreking van Stofsûgersjongers / Stofzuigerzangers

    Frieslandpost

    Stofsûgersjongers/Stofzuigerzangers tweetalig
    prachtboek!

    Vorige maand werd ik verblijd met een prachtig uitgeven boek
    onder de tweetalige (Fries en Nederlands) titel
    Stofúgersjongers/stofzuigerzangers. Het is een verzameling gedichten, etsen en
    muziek van Tsead Bruinja, Mirka Farabegoli en Femke IJlstra, over vertrekken,
    terugkomen en aarden, vroeger en nu, over soms juist niet naar huis willen, de
    liefde die daar onder te lijden kan hebben, maar uiteindelijk toch overwint.

    Ik heb zelden zo’n fraai uitgegeven poëzieboek gezien. Laat
    ik maar met die constatering beginnen en dan heb ik nog geen letter gelezen. Het
    stevig ingebonden boek nodigt namelijk uit om er eerst eens door heen te
    bladeren en dan langzaam de inhoud ervan op je te laten inwerken. De verzen van
    Bruinja, prachtig vormgegeven door Monique Vogelsang, de tien etsen van Mirka
    Farabegoli zijn een lust voor het oog en de bijgevoegde CD met de muziek van
    Femke IJlstra vormen een eenheid. Uitgeverij de Afûk in Leeuwarden heeft er maar
    werk van gemaakt!

    Ruim twee jaar geleden zocht saxofonist Femke IJsltra (1982) middels een mailtje contact met dichter Tsead Bruinja (1974). Femke herkende
    de weemoed naar Fryslân in de poëzie van Bruinja. Beiden wonen buiten de Friese
    provinciegrenzen. ‘Samen via poëzie en muziek de heimwee naar het verleden te
    onderzoeken en met als plan een theaterprogramma te schrijven’, was de opdracht
    die het tweetal zichzelf oplegde.

    Hoofdvakdocent saxofoon aan het Prins Claus Conservatorium
    Femke IJlstra speelde vervolgens solostukken bij dichter Bruinja op de bank en
    hij las vervolgens een nieuw gedicht voor over een buurvrouw uit het dorp
    Rinsumageest waar hij vandaan kwam. ‘Tijdens het stofzuigen van de nette
    voorkamer, met op de achtergrond de Arbeidsvitaminen, kon je haar vaak voor het
    raam zien staan, waar ze goed in de gaten hield wie er voorbij kwam. Zo kreeg
    het project de titel Stofsûgersjongers / Stofzuigerzangers. Opvallend is dat
    het vers de uiteindelijke selectie voor het boek niet overleefde, maar de titel
    dus wel.

    Op verzoek van Bruinja werd ook samenwerking gezocht met
    Mirka Farabegoli (1983) die niet alleen het omslag van het boek maakte, maar
    ook tien etsen die allemaal met de hand zijn ingekleurd. Een absolute meerwaarde
    voor het boek! Dat is ook de toelichting die Femke IJlstra geeft op de
    CD.

    Frieslandpost4

  • In december sprak ik Jean Pierre Rawie voor een interview dat in Awater gepubliceerd werd. Omdat het gesprek veel langer was dan Awater toeliet, leek het mij aardig om het gehele gesprek hier op mijn blog te plaatsen. Aan het einde van het gesprek beantwoord Rawie nog een aantal vragen van anderen waar ik om had gevraagd op Facebook en twitter.

    IMG
    We hadden afgesproken
    op de dag dat de wereld zou vergaan, 21 december 2012, om te praten over zijn nieuwe
    bundel De tijd vliegt, maar de dagen gaan
    te traag
    . Dichter Jean Pierre Rawie was een paar minuten te laat en café de
    Kletskop op de Amsterdamse Zeedijk, waar we hadden afgesproken, was helaas
    gesloten. Gelukkig boodt het NH Hotel om de hoek ons gratis ruimte en koffie.
    Terwijl we er heen liepen demonstreerde Rawie de degen die in zijn wandelstok
    verstopt zat en verexcuseerde hij zich met de woorden van Lodewijk XVIII van
    Frankrijk: '
    L'exactitude est la
    politesse des rois.'

     

    In De Wereld Draait
    Door zei je dat een goed gedicht 'op de rand van het graf wordt geschreven'. Je
    hebt zelf verscheidene malen lichamelijk op die rand gebalanceerd en er
    misschien ook wel overheen gekeken. Hoe vaak kun je van de dood doordrongen
    raken?

    In zekere zin is dat waar. Leo Vroman zei onheugelijk lang
    geleden: 'Ieder gedicht dat ik schrijf is het laatste, is mijn dood.' Dat stelt
    hij nog een beetje uit, maar dat is wel het gevoel zo ongeveer.

    Dat houdt hij al heel
    lang vol, net als jij.

    Ik ga steeds bijna dood en dan verschijnt er weer iets
    nieuws. Wij balanceren natuurlijk allemaal op het randje. Zeker vandaag nu de
    wereld vergaat.

    Nu we het toch over
    de dood hebben. Welke rol speelt het geloof en God in jouw leven?

    Ik gebruik hem half ironisch in mijn gedichten, maar ik vind
    wel dat het schrijven van poëzie een religieuze bezigheid is. Om met Talleyrand
    te spreken: 'Ik vind atheïsme zo weinig aristocratisch.' Ik vind het heel
    bruikbaar in poëzie, bovendien is de mooiste poëzie, religieuze poëzie. Ik zit
    heel erg in die zestiende en zeventiende eeuw en toen was er geen enkele
    twijfel aan het bestaan van een god. Dat heeft schitterende gedichten
    opgeleverd, van John Donne bijvoorbeeld.

    Ben jij een volbloed
    atheïst?

    Nee hoor. Ik houd een slag om de arm. Ik kom natuurlijk uit
    een domineesmilieu. Mijn vader was predikant. Als kind wilde ik ook dominee
    worden, niet uit religieuze bevlogenheid maar omdat mij was opgevallen dat mijn
    vader een uur per week het woord kon voeren zonder dat hij onderbroken werd,
    wat hem bij ons thuis nooit lukte. Aan die voorwaarde heb ik voldaan door mijn
    voordrachten.

    Hoe ging dat bij
    jullie thuis aan tafel?

    Het was een klein gezin, maar we waren allen zeer ten tale,
    dus dat ging over en weer met veel vuurwerk gepaard.

    Jij was redelijk
    dwars, toch?

    Ik was een lastig kindje. Vanaf mijn geboorte dacht men dat ik vroeg zou sterven. De arts had tegen mijn ouders gezegd dat ik me niet op
    moest winden. Nou, ik ben van nature een tamelijk opvliegend type maar ik had al
    snel door dat ik het kon gebruiken. Ik zeg altijd: 'Mijn ouders hadden een kind én een dochter.' (De dichter schenkt
    zichzelf wat water in en verontschuldigt zich. 'Sta mij toe. Ik moet een
    waanzinnige hoeveelheid pillen slikken per dag, maar het gaat allemaal prima.'

    ) Dit heeft natuurlijk allemaal weinig met poëzie te maken.

    Dat is waar, maar
    mensen willen graag toch iets over de dichter zelf horen. Ik lees graag
    biografieën.

    Ik ook, liever dan belletrie. Gek genoeg heb ik vorig jaar
    toen ik in het ziekenhuis lag twee romans van Nabokov herlezen, maar zodra het
    weer beter ging richtte ik me weer op de non-fictie en de poëzie.

    Ben je benieuwd naar
    wat er is na de dood?  In het gedicht
    'Vriend' waarin je je overleden vriend Driek van Wissen in een droom terugziet,
    zeg je dat je hem zou willen vragen: 'hoe / en of het daarna verder ging'.

    Ja, maar daarin beschrijf ik een droom, die ook regelmatig terugkomt.
    Natuurlijk eindig ik dat gedicht ook met hoe en of het verder ging. Dat is een
    interessante vraag.  Je hebt dat gedicht
    van Verlaine waarin hij zijn bedgenoot, vermoedelijk Rimbaud, maar het kan ook
    een vrouw geweest zijn, midden in de nacht wakker schudt en vraagt 'L'âme est
    immortelle?' Is de ziel onsterfelijk. Hij denkt dat zo iemand dat weet wanneer
    je hem midden in de nacht wakker maakt. De onsterfelijkheid van de ziel is
    natuurlijk wel een belangrijk thema in de poëzie en een zekere vorm van
    transcedentie streef je na in de poëzie.

    Zoek je naar iets
    hogers bij het schrijven van je gedichten?

    Ja, een zekere zingeving, want het bestaan op zich is
    natuurlijk helemaal niet zo vrolijk. Wat wel gek is, is dat in de zestiende en zeventiende
    eeuw het heel gewoon was dat als iemand ziek werd, hij dood zou gaan.
    Tegenwoordig is dat de uitzondering. Als iemand ziek wordt, wordt hij beter.
    Als je een kind kreeg had je grote kans dat zowel moeder als kind het kraambed
    niet overleefden. Je ziet veel roerende gedichten over dode kinderen uit die
    tijd, bijvoorbeeld bij Vondel. Je zou verwachten dat door de veranderde
    medische wetenschap van de laatste honderd jaar een ander levensgevoel zou gaan
    overheersen in de poëzie. Maar als je bijvoorbeeld Dylan Thomas leest, blijkt
    dat niet het geval. Uiteindelijk is dat ook wel logisch want het bestaan is eindig.
    Dat maakt de barokpoëzie voor mij ook heel actueel. Vandaar dat ik achterin
    mijn bundels altijd vertalingen opneem.

     

    Als ik jouw werk
    lees, valt me dat wanneer je over je ouders schrijft, je het vaak over het ziekbed
    of hun dood hebt. Je kiest er niet voor om hun het alledaagse van hun leven te
    beschrijven.

    Dat is waar, maar ik kies eigenlijk niks hoor. Het is niet
    dat je ergens over schrijft. Sommige dingen dienen zich aan. Die krijg je door
    het leven aangeboden. De dood van je ouders en de dood van je geliefden en van
    je vrienden. Ik vind dat serieuze poëzie ook over die thema's moet gaan. Ik ben
    misschien wat ouderwets daarin, maar poëzie gaat vanaf het vroegste begin over
    bepaalde thema's. De Romeinen wisten als dat je nooit iets nieuws schrijft, maar
    het altijd op een nieuwe manier verwoordt. Dat doe ik dus ook.

    En uiteindelijk gaat
    het altijd over tijd.

    Alle kunst gaat over het voorbijgaan van de tijd, muziek
    ook, daar kun je het horen. Zeker toen je nog geen geluidsdragers had. Iedere
    keer als je een muziekstuk hoorde was het anders, langer of korter. Dus daar
    hoor je het in. In de schilderkunst zie je het in stillevens en portretten. Het
    is ook een poging de vergankelijkheid een halt toe te roepen.

    Hoe reageerden je ouders op
    je succes?

    Die
    vonden alles goed wat ik deed. Ik kon als kind heel aardig tekenen en
    daar waren ze naar mijn mening te enthousiast over, dus dat deed ik niet meer.
    Gelukkig heb ik een veel minder vies vak gekozen, want van schilderen krijg je
    maar vieze vingers en ik zou het nu ook niet meer kunnen trouwens, want ik kan na
    mijn beroerte mijn rechterhand niet meer gebruiken. Schrijven kan gelukkig
    altijd, want dat gebeurt in het hoofd.

    Herinner je je
    preken van je vader?

    Hij was vooral heel erg intellectualistisch, geen
    doemprediker. Er waren mensen die met hem wegliepen en voor sommigen was hij
    niet dominee genoeg. Hij was meer van de beschouwende causerietjes.

    In je vorige bundel
    staat het gedicht 'Wending'. Ik las dat als een 'inkering' of bekering.

    Dat mag best, maar ik ga dat hier niet toelichten, want ik
    licht natuurlijk geen poëzie toe. Ik vind dat iedereen mag lezen, zoals hij of zij dat wil. Soms ben ik verrast
    over wat mensen er in zien. Er was zelfs een vrouw die alles wat ik schreef als
    religieus las. Zij zei: 'Je moet die jij van die gedichten voortaan in gij
    veranderen, want je bedoelt de Here Jezus.'

     

    Bij het
    radioprogramma Met het
    Oog op Morgen zei je dat je door het infarct
    weer was gaan schrijven, een 'propje was uit je dichtader geschoten'. En je zei
    dat het leven je door elkaar moet schudden om te kunnen schrijven.



    Images

    http://nos.nl/audio/419554-oog-zondag-nieuwe-bundel-jean-pierre-rawie.html

    Dat is een
    uitdrukking van mijn vriendinnetje. In feite is dat ook zo. Ik heb in al die
    jaren dat ik niks  serieus gepubliceerd
    heb wel veel gedaan, gedichten in opdracht geschreven, voor geld ook, en samem
    met Driek die rijmkroniek gemaakt. Deze
    nieuwe bundel is grotendeels in 2 à 3 maanden ontstaan.

    Ook de vertalingen?

    Nee, die zijn wat
    ouder. Daar heb ik me mee beziggehouden in het revalidatieoord. Toen merkte ik
    ook hoe belangrijk de poëzie toch eigenlijk voor mij is.

    Heb je de poëzie wel eens te veel gerelativeerd?

    Misschien. Ik kan
    het overigens iedereen aanraden zo'n revalidatieoord. Maar als je eens een
    dwarsdoorsnede van de bevolking wilt zien. De enige andere keer dat ik dat
    meemaakte was tijdens mijn dienstkeuring 
    die ook niet meer bestaat. Toen schrok ik dus heel erg. Want wij denken
    dat we het gewone volk wel kennen, maar dat is niet zo. Ik had niks met die
    mensen gemeen en zei ook niet met mij. Dat was een rare tijd.

    Maar het was niet zo raar als bij Rutger
    Kopland die op de afdeling lag die hij zelf geleid had?

    Ik was natuurlijk
    niet raar in mijn hoofd. Het was een motorische kwestie. Ik schreef ooit een
    column over het verblijf in dat oord. Iedereen maakt zich druk over vier gevangenen in een cel maar vindt het
    doodnormaal dat vier onschuldige gebrekkigen samen in een kamer worden gestopt.
    Je hoort dan ook 's nachts geluiden die je zelfs van je geliefde bijna niet verdragen
    kunt.

    En geuren?

    Daar sloot ik me al
    helemaal voor af!

    En er was niks bij te drinken.

    Dat is wel grappig.
    In het begin van mijn herstel kon ik heel slecht tegen alcohol. Dan was ik in
    mijn hoofd helemaal niet dronken, maar wel motorisch. Viel ik om. Toen ik mij daarover
    bekloeg tegenover mijn neuroloog, gelukkig een man uit Limburg, zei hij: 'Dat
    trekt wel bij.' Dat was heel gunstig. Ik ben er wel heel voorzichtig mee.

     

    Je kunt in weer een glas drinken bij het
    eten?

    Wel meer dan één
    glas. Het woeste cafébezoek is gedaan. Een keer in de week zit ik op
    dinsdagavond een uurtje in café de Wolthoorn met vrienden. Dat heb ik ooit met
    Driek afgesproken en dat houden we in ere.

    Rawiekramer
    © Trudy Kramer 2001, foto John Stoel

    Je moet door elkaar geschud worden, wil je
    kunnen schrijven, maar wat nu als de komende jaren redelijk gelukkig verlopen
    en er niemand meer omvalt?

    Ik ben nog wel
    bezig. Je moet, zeker van het soort poëzie die ik schrijf, niet te veel
    publiceren.  Mensen moeten er niet aan
    gewend raken. Maar ik schrijf wel af en toe.

    Vertaal je nog?

    Uit het Portugees.
    Vaak is de aanleiding voor het vertalen van een gedicht iets wat je niet weet,
    iets wat je moet opzoeken, want je leest natuurlijk nooit al vertalend. Je
    leest gewoon iets in het Spaans en dan kom je een woord tegen dat je niet kent.
    Ik was ooit bezig met de gedichten van de Roemeense dichter Eminescu. Toen kwam
    ik het woord 'plicuri' tegen en dat betekent 'enveloppen' en dat rijmt op 'picaturi'
    wat 'regendroppen' betekent. Als die twee woorden rijmen, dan wil het sonnet
    gewoon vertaald worden.

    We hadden het net
    over de opdrachtgedichten, die ik soms voor geld schrijf. Dat is niet altijd
    zo. Vanochtend heb ik nog een gedicht geschreven over dat meisje dat voor de
    trein is gesprongen en dat gepest werd. Ik schreef het op verzoek van een
    krant, voor het oudejaarsnummer. Ik was voorzitter van een poëziejury en heb
    toen drie jaar geleden dat meisje de eerste prijs laten winnen met dat gedicht
    dat iedereen nu citeert, over pesten. Ik vond het dapper dat ze dat onderwerp
    durfde te hanteren. Zij werd toen al drie jaar gepest.

    NOOIT MEER

    Je kunt als kind niet in de toekomst kijken,
    een dag duurt al een eeuwigheid.
    Je ziet de jaren eindeloos verstrijken
    en raakt je kwelduivels niet kwijt.

    De grote mensen weten het het beste

    (maar geen zit bij je in de klas)
    en zeggen dat je 'gewoon terug moet pesten',
    alsof dat zelfs maar mogelijk was.
    En morgen weer opnieuw diezelfde horde:
    je weet wat je te wachten staat
    en dat het nooit meer goed zal kunnen worden.
    Het is voor alles al te laat.

    © Jean Pierre Rawie

     

    Leveren die opdrachten nog wel eens een
    gedicht op dat in een bundel kan?

    Nou zelden,
    eigenlijk niet. Ik heb wel eens een regel die ik opnieuw gebruik maar dan is
    het gedicht onherkenbaar veranderd. Ik heb wel zoveel geschreven dat ik een
    bundel kan samenstellen die In Opdracht zou kunnen gaan heten, maar
    dat doe ik niet. Ik vind eigen werk belangrijker.

    Kan poëzie troost bieden, bijvoorbeeld aan
    de ouders van dat meisje?

    Er zijn een aantal
    gedichten die gebruikt zijn bij overlijdens en dat hoor je van mensen. Dat ze
    heel erg veel steun daaraan hadden. Men grijpt naar poëzie als men een
    persoonlijk verlies leidt en dan is het beter dat ze grijpen naar iets dat al
    bestaat dan dat ze zelf aan het fröbelen slaan. Wat je tegenwoordig vaak
    tegenkomt is dat ze in advertenties teksten overnemen uit andere advertenties.
    Heel vaak zie je de tekst: 'haar stoel is leeg / haar stem is stil / eindelijk
    rust'.

    Misschien was het een kletskous?

    Ja, maar dat was
    vast niet te bedoeling. Heel mooi vind ik ook: 'Zij is gelukkig gestorven.' Men
    bedoelt in alle rust, maar er staat hij is gelukkig gestorven. Wat ik ook een
    prachtig voorbeeld vind is dat gedicht van Nel Benschop  'Rust nu maar uit je strijd is gestreden'.
    Dat gedicht eindigt met 'rust nu maar uit God heeft een punt gezet.' Men weet
    dan niet dat een punt zetten ook iets obseens betekent. Ik ben natuurlijk
    altijd geroerd als ik een tekst van mijzelf zie, vaak zonder bron trouwens, met
    de overledene eronder als auteur. Dan had kennelijk zo iemand gezegd dat hij
    dat in zijn rouwadvertentie wilde hebben en dan denkt de familie dat opa dat
    maar mooi bedacht heeft.

     

    Je gaat geen gedichten toelichten, maar toch
    wil ik je vragen iets meer te vertellen over het gedicht 'Groepsportret'.

    Heel vroeger is dat
    een gedicht in opdracht geweest. Dat is een van de weinige gedichten die niet
    recent ontstaan is, wel bewerkt. Het werd geschreven voor een tentoonstelling
    in Groningen, bij een schilderij van Repin. Ik heb het zo bewerkt dat het niet
    meer herkenbaar is.

    In die laatste regels 'maar in de
    herfstlucht hangt een gloed / van alles wat nog moet gebeuren / van alles wat
    nog komen moet.' zie ik meer hoop dan in de meeste van je gedichten.

    Dat kun je ook
    negatief lezen natuurlijk.

    Alle ellende die nog moet komen?

    Precies. En die
    twee regels betekenen hetzelfde. Net als in psalmen is het twee keer dezelfde
    mededeling maar dan anders geformuleerd. Dat werkt heel poëtisch vind ik. Het
    lijkt nu net alsof je een gedicht schrijft en die truken allemaal toepast.
    Naderhand zie je een heleboel van die gedichten zelf en denk je 'dat heb ik
    goed gedaan', maar het is niet bewust. Wanneer je op een gegeven moment de vorm
    goed beheerst, doe je dat soort dingen onbewust.

     

    Schrijf jij een gedicht in één keer?

    Als ik met een
    gedicht bezig ben, kan ik het niet opzij leggen voor een volgend gedicht. Het
    moet af. Een gedicht is bijna nooit langer dan een regel of twintig, dus dat is
    in één sessie wel te doen.

    Heb je wel eens te lang aan een gedicht
    gesleuteld?

    Nee, meestal is het
    gauw klaar. Vertalingen kosten meer tijd. Rilke zegt dat je niet uit een
    gedicht vertaalt, maar naar een gedicht toe. Je poogt steeds dichter bij die
    poëtische tekst te komen en dan is het af. Dat weet je ook. Zoals een schilder
    op een gegeven moment weet dat hij er niets meer aan moet doen.

    Ik kom even terug op die hoop die ik er dan
    in las. Is er hoop in jouw poëzie?

    In de laatste bundels
    laat ik wel een zeker venster naar gene zijde open.

    Maar aan deze zijde van gene zijde?

    Uiteindelijk is er
    natuurlijk geen hoop. Puur filosofisch gezien is het bestaan treurig. Ook
    wanneer het leuk gaat, is het eindig en dat geeft op zich reden tot
    melancholie. Alle kunst is dus een beetje weemoedig. Schubert zei ooit: 'Kennst
    du fröhliche Muzik? Ich nicht.'

    Je zei dat je een poosje geen echte poëzie
    hebt geschreven, wel opdrachtgedichten

    Dat zijn hele
    vaardige dingen geweest, maar ik wil daar niet mee de eeuwigheid tegemoet. Ik
    heb ooit voor Pieter van Vollenhoven een gedicht geschreven, voor 'Ridders van
    de Weg', een prijs die hij uitreikte aan de beste vrachtwagenchauffeur. Dat doe
    je dus alleen maar voor het geld.

    Heb je een rijbewijs?

    Nee, gelukkig niet.

    De meeste dichters lijkt het aan een rijbewijs te ontbreken.

    Dat is me
    opgevallen. Dat komt omdat de meeste dichters te veel drinken. Mijn ouders
    stelden mij het voor toen ik achttien werd. Toen zei ik: 'doe maar niet, want ik ben veel te verstrooid daarvoor.' En
    dat is maar goed ook, want ik weet zeker dat in de tijden dat ik wel dronk met
    drank op achter het stuur was gekropen. Ik had vast een dreumesje doodgereden
    of was zelf verongelukt. Sterker nog ik heb niet alleen een rijbewijs, maar ik
    kan ook niet autorijden en ik kan bijvoorbeeld ook niet zwemmen. Een heer is
    iemand die zichzelf niet kan redden.

    Je schrijft tegenwoordig, door je beroerte,
    je gedichten eerst in je hoofd en daarna op de computer. Zijn je gedichten
    daardoor veranderd?

    Het is jammer dat
    de fijne motoriek niet meer werkt, want ik had een heel fraai handschrift. Al
    jarenlang typte ik mijn gedichten uit en schreef ze niet met de hand omdat ik
    niet het compliment wilde hebben 'wat schrijf je mooi' en dat ze dan het handschrift
    bedoelen. Maar het maakt geen verschil. Ik heb de computer leren hanteren
    vanwege de columns die ik in het Dagblad van het Noorden schrijf, al voordat ik
    mijn attack kreeg.

    Je schrijft het gedicht in je hoofd en dat
    gedicht is er eigenlijk al, maar is er een moment dat je kiest voor een vorm.

    Nee, die vorm kiest
    zichzelf. Je krijgt een bepaalde regel en daarmee is eigenlijk het gedicht ook
    al gegeven.

    Alles zit meteen in die eerste regel?

    Nou ja het kan ook
    de achtste regel zijn of de laatste. Bij dat gedicht voor het meisje dat voor
    de trein sprong, was de laatste regel er het eerste. Daardoor wist ik meteen de
    vorm.

    'Het is voor alles al te laat' was er dus
    het eerst?

    Ik wist dat dat de
    laatste regel moest zijn.

    Je noemt het sonnet het hoogste dat een
    dichter kan maken en vergelijkt het met het strijkkwartet.

    Er zijn mensen die
    vinden dat kunst moet ontregelen en ik vind nu juist het tegenovergestelde. Ik
    vind dat kunst orde moet scheppen in dit bestaan, dat ik als zeer chaotisch
    ervaar. er zijn verschillende vormen: je heel formeel kleden, wat ik doe, in de
    omgang tamelijk de nadruk op manieren leggen. Dat zijn allemaal pogingen om
    structuur aan te brengen in het bestaan. Dus is het logisch dat ik dat ook in
    gedichten doe. Het sonnet is voor mij de mooiste afgeronde vorm die je je kunt
    voorstellen, met die hele lange traditie. Als je een sonnet schrijft worstel je
    op tegen zeven eeuwen literatuur. Het
    sonnet is voor mij een beetje wat het strijkkwartet is voor een componist. Dat
    is meestal ook het mooiste werk dat die componisten maken. Het is de proeve op
    de som. Ik spreek natuurlijk een
    heleboel eigentijdse dichters en die zeggen dan: 'Ja, sonnetten daar heb ik
    honderden van geschreven.' Maar die zie je nooit, die sonnetten.

    Als je die vergelijking verder zou trekken
    is er dan ook zoiets als een symfonie in de poëzie? Miltons Paradise Lost?

    Ik vind het nog wel
    leuk, epische poëzie. Dante lees ik met plezier en Camões, maar als je poëzie
    zegt tegenwoordig in Nederland bedoel je toch lyriek.

    Pieter Boskma heeft een poging gedaan.

    Dat is waar, maar
    goed. Maar men leest toch in het algemeen, ook bij Dante en Milton, stukken
    eruit. Die worden het meest gelezen alsof het lyriek betreft. Wij zijn helemaal
    van het epos af eigenlijk. Je kunt de vergelijking dus niet door trekken. Als
    je het puur over de formele kant van de dingen hebt, heb je alleen bij de
    poëzie eigenlijk, ook wel bij de schilderkunst tegenwoordig, dat er gezeurd
    wordt over de vorm. Bij muziek, zelfs al maak je dingen die ik heel lelijk
    vind, moet je de techniek beheersen om. Je kunt niet als leek zomaar een
    compositie maken, een sonate of zo, want die gehoorzaamt aan bepaalde wetten.
    Die wetten moet je kennen en dan kun je daarna daartegen. Daar wordt nooit
    gezeurd over techniek. Niemand zegt: 'Je hoort de oorspronkelijkheid niet.' Wat
    je wel hoort over poëzie: ' Wordt zo'n strakke vorm niet een belemmering?' Mijn
    ervaring is juist dat het een verrijking is.

    Het gedicht 'Dichter' begint met de regels
    'Je maakt het mensen toch niet naar de zin / en streeft dat ook niet langer na.
    Niet langer / is wat je schrijft gericht op een ontvanger, / je bent je eigen
    einde en begin/. Is dat echt veranderd?

    Ja, bij het schrijven
    van de poëzie is dat echt helemaal weg, dat je rekening houdt met een eventuele
    lezer. Je moet natuurlijk wel zo beleefd zijn dat het verstaanbaar is. Het
    speelde eigenlijk geen rol, maar ik denk er nu al helemaal niet meer aan. Ik
    was ook heel verrast toen de bundel verscheen, dat er ik toch weer allerlei
    gelul naar mijn hoofd kreeg. 'Dat is waar ook,' dacht ik. Dat was ik helemaal
    vergeten. Of ik had het verdrongen.

    Er lijkt toch een situatie voor te bestaan
    waarin dat wel zo was?

    Natuurlijk. Je
    publiceert om gelezen te worden.

    Ook door de critici?

    In het begin was ik
    daar wel erg geïnteresseerd in.

    Kun je je nog een recensie herinneren waar
    je positief over was?

    Maarten Doorman had
    een keer ontdekt dat een volta van een sonnet eigenlijk twee regels eerder zat
    dan waar die officieel moest zitten en ik geloof dat hij gelijk had. Dat was
    voor mij heel verrassend. Ik vind dat een criticus zou moeten zien hoeverre je
    geslaagd bent in je opzet in plaats van te zeggen: 'Dit deugt niet, want ik heb
    een ander idee van de poëzie.' En dat is het nadeel. Dat de poëziekritiek, voor
    zover die nog bedreven wordt, geschreven wordt door dichters en die hebben
    natuurlijk een uitgesproken mening, een uitgesproken poëtica. Nou is het wel zo
    dat het steeds meer een verdomhoekje wordt in de krant en meestal in jargon
    geschreven waardoor iedereen terstond afhaakt, ik zelf ook. Als ik zie wat
    lovend besproken wordt door critici en ze geven een voorbeeld dan denk ik: 'Wat
    staat hier toch in godsnaam?' Ik heb een veel bestudeerd en moeilijke talen
    geleerd om moeilijke dichters te kunnen vertalen. Dan is het heel curieus dat
    er sommige eigentijdse Nederlandse dichters zijn die ik niet snap, terwijl ik,
    als ik ze persoonlijk ontmoet, niet het idee heb dat ze mijn meerdere zijn op
    enkel welk gebied dan ook.

    Het stoort me ook
    dat er zoveel haat en nijd is in dat kleine wereldje. Het leuke is nu juist dat
    het allemaal naast elkaar kan bestaan. Een goed verkopende dichtbundel brengt
    mensen er bovendien nog eens toe om ook iets anders te kopen. Ik begrijp wel
    dat critici die hun eigen werk natuurlijk het belangrijkste vinden, maar dan
    hooguit tweehonderd van verkopen, in hun onderhoud moeten voorzien door
    kritieken te schrijven.

    Nou dat vraag ik me af, want het verdient
    heel belabberd, dus ze doen het toch wel voor meer dan alleen het geld.

    Hebben we te weinig niet-dichters die
    kritieken schrijven?

    Willem Wilmink deed
    het. Die schreef zelf wel maar kritieken alleen als hij ergens erg enthousiast
    over was.

    Guus Middag?

    Ik weet niet of hij
    schrijft. Hij heeft in ieder geval een geweldige hekel aan mij. In die laatste
    kritiek heb ik gemerkt dat het teruggaat op de tijd dat hij mijn overbuurman
    was in Groningen. Ik kan het me helemaal niet herinneren, maar dat vermeldde
    hij in die kritiek. Ik vind het jammer.

    De lezer van de NRC heeft eens kans om te
    zien dat jij een nieuwe bundel hebt.

     De vorige twee
    bundels werden besproken door Arie van den Berg en Maarten Doorman en die waren
    dus heel positief. Je proeft soms de kwaadaardigheid. Als je mij bijvoorbeeld
    het verwijt maakt van stoplappen dan moet je dat aantonen vind ik, dat moet je
    niet alleen maar zeggen. Het is net zoiets als plagiaat. Dat moet je bewijzen en
    het niet alleen maar zeggen. Dat is schandalig.

    Dan sta je machteloos of je moet de
    krant al een brief schrijven en dan word je een zeurpiet.

    Je reageert nooit
    op kritiek.

    Ik heb het wel eens gedaan.

    Ik ook, maar ik doe
    het niet meer. Het is sterker zelfs om als je zo iemand ooit ontmoet te doen
    alsof je de hele kritiek niet gelezen hebt. Die truc heb ik ooit toegepast bij
    Michaël Zeeman en daarna zijn we bevriend geraakt. Zijn eerste kritiek over een
    hele oude bundel heeft hij min of meer herroepen, ook op papier. Dat vond ik
    wel stijlvol.

    Er staat een kort gedicht 'Som' na het
    gedicht over Driek. Zou de jongere Jean Pierre Rawie dat kunnen schrijven?

    Ik denk het niet.

    Je hebt je wel eens verweerd tegen
    vergeliikingen met Toon Hermans. Dit is geen Toon Hermans maar de berusting en
    dat kleine zit daar niet ver af en dat bedoel ik positief.

    Zo'n gedicht is er
    gewoon op gegeven moment.

    En je staat dat nu toe om dat te schrijven
    en ook te publiceren?

    Ik vind dat ook van
    dat het gedicht dat ik je net gaf over dat meisje. De krant wilde een langer
    gedicht hebben. Er misten twee regels. 'Ja, luister eens, ' zei ik, 'het wordt
    er niet beter op als ik het langer maak.' En dat zie je hier ook. Het is af.

    Als jij je jongere zelf zou tegenkomen wat
    zou jij tegen hem of hij tegen jou te zeggen hebben?

    Daar heb ik nooit
    over nagedacht.  Ik ben wel blij dat ik
    niet meer zo schrijf als toen ik twintig was. Dat zou niet best zijn. Ik denk
    dat ik heel erg onder de indruk zou zijn geweest als kleine jongen. Maar dat is
    natuurlijk een onmogelijke situatie die jij schetst.

    Daar zijn wij voor om onmogelijke
    situaties te bedenken.

    Ik heb daar niet
    echt over nagedacht. Ik zal mijn gedachten erover laten gaan. Je ziet wel eens
    van die brieven in de krant. Ik ben nu eenenzestig en ik betreur wel heel veel
    verspilde tijd, maar dat was misschien ook wel nodig. Het is zoals Oscar Wilde
    zei: 'Jeugd is een mooie uitvinding. Jammer dat hij verspild wordt aan jonge mensen.'

    Je laatste vier bundels
    hebben alle vier dezelfde opbouw, twee afdelingen eigen gedichten die worden
    gevolgd door een afsluitende afdeling met vertalingen. De grootte van die twee
    afdelingen verschilt per bundel, bij deze laatste is de eerste afdeling wat omvangrijker
    en de tweede wat kleiner. En voor het eerst gebruik je een titel bij de tweede
    afdeling: 'Naherfst in Venetië'. Is daar een reden voor?

    Dan
    weet men meteen waar men aan toe is.

    Maar bij andere bundels
    hoefde dat niet.

    Die
    titel is een verwijzing naar Rilke zijn Spätherbst
    in Venedig
    .

    Hoe bepaal je de volgorde
    in die eerste twee afdelingen en waardoor staat een gedicht in I of II?

    De
    volgorde is ook hier weer bijna chronologisch.

    Kunnen we de bundel als een
    dagboek lezen?

    Ja,
    bijna wel. De gedichten kwamen organisch uit elkaar voort, min of meer. Na de
    tijd ben ik nog wel een beetje aan het schuiven. En de vertalingen zijn puur
    chronologisch naar de geboortedatum van de auteur. Is het jou opgevallen dat er
    in die hele bundel één gedicht staat dat niet rijmt?

    Nee.

    Het
    gedicht 'Uitstel' rijmt helemaal niet. Het valt niemand op, zelfs niet als ik
    het voorlees.

    Omdat het goed klinkt. Er
    zit wel halfrijm in.

    Het
    is metrisch heel strak. Ik vond het grappig om te doen. Het is natuurlijk wel
    iets dat een criticus zou moeten opmerken. Van de week las ik voor in Hengelo
    en werd ik ook geïnterviewd. Toen zei ik het tegen die interviewer en die zei dat
    hem helemaal ontgaan was.

    Ik ben daar ook helemaal
    niet naar op zoek.

    Nee,
    maar omdat iedereen altijd zeurt over die strakke vormen.

    Ik zie het niet als een
    probleem en daarom valt het mij niet op.

    Ik
    ken een heleboel gedichten die niet rijmen en die niet strak in de vorm zijn,
    van Rilke bijvoorbeeld, die ik helemaal uit het hoofd ken.

    De gedichten van Wigman
    rijmen ook vaak niet, maar er zit wel veel halfrijm in.

    Wigman
    kreeg als kritiek van Erik Menkveld dat hij te strak in de vorm was, omdat hij
    zijn lettergrepen telt. Hoezo te strak in de vorm? Ik vind dat zo'n onzin. Het
    is wat Goethe zegt. Goethe had een enorme hekel aan recensenten. Die schreef
    dan: 'Kijk dan maak je iets wat nog nooit vertoond is, de criticus krijgt iets
    onder ogen waar hij in zijn stoutste dromen het bestaan niet van had kunnen
    vermoeden en dan schrijft hij naderhand op dat het niet aan bepaalde
    voorwaarden voldoet, terwijl hij juist niemand iets had beloofd! Hij heeft ook
    een gedicht over een man die zomaar bij iemand binnen komt vallen. Hij eet mee
    en gaat daarna bij de buren naar binnen en zegt dan dat de soep te zout was,
    het vlees te lang gebakken en het toetje niet zoet genoeg was. Goethe eindigt dat gedicht met: 'Schlagt ihn tot, den Hund! Es ist ein
    Rezensent!'

    In afdeling II 'Naherfst in
    Venetië' staat het gedicht 'Brief'. Dat lijkt over een andere periode te gaan.

    Het
    is wel een Venetiaans gedicht, want het woord 'lagune' komt er in voor, maar
    het is inderdaad ouder dan de rest, maar het past er wel.

    Het lijkt over een andere
    geliefde te gaan.

    Ja,
    maar ik vind het wel mooi om dat daar in te stoppen. De bundel bevat weinig
    liefdespoëzie.

    Maar er komen wel geliefdes
    in voor?

    Dat
    wel, maar mijn vriendinnetje zei ook bij ieder gedicht dat af was: 'Weer geen
    liefdesgedicht!' Toen heb ik die hele bundel maar aan haar opgedragen.

    Enkele gedichten en
    vertalingen gaan een verband met elkaar aan qua thematiek zoals  'Aa-kwartier' van je eigen hand en de
    vertaling van het titelloze gedicht van Frederico Mennini waar je mee afsluit.
    Beide gedichten gaan over de dingen die ons overleven. Denk je over dat
    echo-effect na bij het samenstellen van een bundel?

    Er
    is een verwantschap tussen de barokpoëzie en de mijne. Ik poog al bundels lang
    om aan te geven dat je ook mijn eigen gedichten in die context moet lezen, maar
    dat wil men niet. Het is heel raar dat men vooral bij literatuur denkt dat het
    een opzichzelf staande identiteit is. Neem de Nederlandse poëzie. Je hebt eerst
    Kloos, dan heb je Nijhoff, dan heb je Vasalis, dan heb je ons.

    Ik
    las overigens eens een prachtig gedicht van Jeremias de Decker 'Aen mijnen
    sterfdag' en dat vond ik zo mooi dat ik dacht dat wil ik vertalen, maar het was
    al in het Nederlands geschreven, zei het in  zeventiende-eeuws Nederlands.

    Aen mijnen sterfdag

    Dag, die my eens van zon versteken zult en dag,
    Dag, die my binnen ’t graf; dag, die mij eeuwig buiten
    De ruime Weereld zult dien schoonen Tempel sluiten,
    Dien Tempel; daer ick God in toe te zingen plag

    Verwondering en prys, zoo dik ick hem bezag;
    Dag, die my in den loop zult van myn dagen stuiten,
    En ’t na-wee proeven doen der duur verbode fruiten;
    Dag, zeg ick, dien ick vliên, maer niet ontvlieden mag;

    Hoe spoed ghy herwaerts aen: doch als op wolle voeten!
    Ghy zult, ghy zult misschien my in dit jaer ontmoeten,
    Misschien in deze maend, in deze week misschien;

    En kleef ick dwaze nogh zoo vast aen myn’ gebreken,
    En leef ick nogh zoo los als of ick nogh veel weken,
    Noch vele maenden zou, noch vele jaren zien?


    Jeremias de Decker

     

    Het gedicht 'Tot een lijk'
    van Giovan Battista Marino lijkt over necrofilie te gaan.

    Dat
    is een heel raar gedicht. Die Marino gold een paar eeuwen lang als het toppunt
    van wansmaak, ofschoon hij heel beroemd was in zijn tijd, beroemder dan
    Cervantes of Shakespeare. Pas vijf jaar geleden is zijn werk herdrukt. Dat
    gedicht is natuurlijk een heel raar sonnet. In de eerste acht regels ziet hij
    overeenkomsten met het lijk en in die laatste zes ziet hij de verschillen.

    Was dat het gedicht dat je
    vertaalde in Zuidlaren tijdens je revalidatie? Je hebt het in het gedicht
    'Marino' over het vertalen van poëzie.

    Omdat
    hij de aanleiding was voor andere vertalingen van dichters die marinisti werden
    genoemd, leerlingen van hem. Die bestudeerde ik in die tijd.

    Je studeerde Russisch,
    Italiaans en Roemeens. Heb je een voorkeur voor een taal om uit te vertalen?

    Italiaans
    is toch mijn grote liefde. Ik ga ook graag naar Italië. Ik heb een hele grote
    verzameling zeventiende eeuwse uitgaven, vooral in het Italiaans. De zeventiende
    eeuw is in Spanje veel interessanter eigenlijk, maar in Italië is er nog steeds
    veel te ontdekken.

    En dat wordt in Italië ook
    nog uitgegeven?

    Ik
    koop vooral boeken uit de zeventiende eeuw omdat het niet uitgegeven wordt. Ik
    heb een gedicht van Gaudiosi vertaald. Wat ik van die man gezien heb vind ik
    geweldig. Maar die bundel is sinds 1671 niet meer herdrukt en is maar één druk
    geweest. Ik weet dat hij in vijf bibliotheken staat, dus ik overweeg het
    criminele pad te kiezen.

    Die andere talen hebben
    andere klanken andere structuren.

    Je
    moet veel afzwakken. In Romaanse talen zijn uitroeptekens veel gebruikelijker
    dan bij ons. Neem bijvoorbeeld een lang gedicht van de Spaanse Baron José de la
    Vega 'Canto a Teresa'. In een van de  strofes
    lees je alleen maar 'O Teresa Ay Teresa'. Als je dat vertaalt, is het
    natuurlijk allemaal onzin, dus je moet een beetje gas terugnemen, zeker bij romantische
    poëzie uit de zuidelijke landen.

    Je vader was predikant die
    het woord van God verspreidde. Doe jij niet hetzelfde door je lezers kennis te
    laten maken met vertaalde poëzie die hen wellicht anders nooit onder ogen zou
    komen? Ben je een zendeling?

    Het
    is leuk om iets aan de Nederlandse poëzie toe te voegen met die vertalingen en
    met eigen werk, maar nee, ik ben geen dominee. Dat er mensen zijn die troost
    ontlenen aan mijn gedichten vind ik eerder een verwantschap.

    Je zegt in eerdere
    interviews dat je de ironie hebt afgezworen maar er zit zeker in die
    vertalingen bijvoorbeeld  in 'Tot een
    lijk' nog genoeg ironie.

    Dat
    is ook zo, maar die barok was ook een hele gezwollen periode. Dat gedicht dat
    je noemde daar zitten woorden in die ik zelf niet zou gebruiken zoals 'prangen'.
    Er zitten in die gedichten wel
    eens licht ironische wendigen, en in mijn eigen gedichten ook, bijvoorbeeld dat
    woord 'intussen' in het gedicht 'Cuique Suum':

     …Wij zijn in 's
    Heren hand. Zijn wil geschiede.

    Intussen zie je zelfs
    om wie je geeft
    zonder genade in de
    nacht verdwijnen
    die ook jezelf
    geleidelijk omgeeft.

    Dat is ironisch,
    die wending, maar zo subtiel dat niemand het stoort.

    Zit dat in de toon?

    De criticus Guus
    Middag
    kende het woord 'menigeen' geloof ik niet. Dat vond hij zo ouderwets.
    Wij hebben 'gij' afgeschaft, wat heel jammer is, want de rijmklank 'gij zijt'
    is heel bruikbaar. Daar trek ik mij ook niks van aan. Als ik het zou willen
    gebruiken dan gebruik ik dat. Ik hoorde van een hoogleraar in de rechten die
    door een student gevraagd was of hij niet zulke moeilijke woorden als
    magistraat wilde gebruiken. Ja, kijk.

    Dan gaat het spel een beetje verloren.

    Daar hoef je ook
    geen rekening mee te houden. Ik schrijf elke week een column in het Dagblad van
    het Noorden waar een boekje van uitkomt in het voorjaar. Daar gebruik ik ook
    zeer bewust woorden in die in die krant verder niet voorkomen. Er zijn veel
    mensen die dat wel leuk vinden. Ik kreeg laatst een geweldige hoop brieven toen
    ik over de Oranjes had geschreven dat die wel heel hard werken zoals iedereen
    zegt, maar als ze morgen verdwijnen, dan zou alles gewoon doorgaan. De slotzin
    was:  'In dat licht zou Beatrix net zo
    goed door Friso kunnen worden opgevolgd.' Daar kreeg ik toch een boze brieven
    over!

     Ik denk dat zij het
    zelf ook niet zo zou waarderen. Jij bent toch onderscheiden met De Orde
    van de Nederlandse Leeuw?

    Pierre Vinken, die de baas was van het Republikeins
    Genootschap, waar ik ook lid van ben, zei dat je zo'n onderscheiding moet
    accepteren. Hij heeft er zelf ook een paar.

    Je was
    betrokken bij de Fuji Art Association – een gezelschap figuratief werkende
    kunstenaars, bestaande uit Trudy Kramer, Wout Muller, Matthijs Röling, Ger Siks
    en Clary Mastenbroek. Die groep bestond ook uit dichters.

    Ik zat er als dichter in met C.O. Jellema en Fritzi Harmsen
    van Beek. Dus ik ben de enige overlevende.

    Voel jij je meer
    verwant met figuratieve kunst?

    Ik zag bij binnenkomst van dit vertrek (in het NH Hotel tegenover Amsterdam CS) meteen het portret van
    Matthijs Röling, die ook het omslag van die bloemlezing met columns heeft
    verzorgt. Als je een sonnet schrijft boks je op tegen zeven eeuwen
    sonnetschrijven en Matthijs bijvoorbeeld schildert, helaas niet meer door dat
    hij door een beroerte nu ook een lam handje heeft, en meet zich ook met de
    grote meesters. Dat vind ik erg te waarderen.

    Tegelijkertijd zeg je ook dat je vind
    dat je gedichten door een melkboer begrepen moeten kunnen worden.

    Dat vind ik wel. Die ziet misschien al die dubbele bodems
    niet, die jij misschien wel ziet. Ik vind het ook zo raar dat sommige critici
    zeggen: ''Ja, dan lees je het en dan is het over.' Dat is helemaal niet waar.
    Die mensen zijn dus dom, want die denken 'dit snap ik, dan ken het niks wezen'
    en kijken niet verder.

    Komt er een
    vervolg op De Rijmkroniek nu Driek van Wissen er niet meer is?

    We gaan helaas niet verder. Ik mis Driek erg. Vier keer per
    week troffen we elkaar een paar uur, meestal om te werken, maar ook om geweldig
    veel pret te maken. Hij was mijn klankbord en dat gold over en weer. Dat ben ik
    nu kwijt en dat is een groot gemis.

    Wie is nu je
    klankbord?

    Niemand zoals hij het was. Het was een vriendschap van veertig
    jaar. Dat krijg je niet terug. Ik zou deze gedichten ook zeker eerst aan hem
    laten zien.

    Heeft hij hier
    nog iets van gezien?

    Nee, bijna niet.

    Toen ik op Facebook
    en Twitter meldde dat ik jou ging interviewen en mijn vrienden vroeg of ze nog
    vragen voor je hadden, kreeg ik de volgende reacties binnen.

    Bernd Ebbo Visser:
    Wat had hij werkelijk willen worden?

    Ik ben helemaal geworden wat ik uiteindelijk dacht te
    worden. Als kind zat ik vaak bij mijn vader achter op de fiets en dan zag ik de
    café's en dacht ik 'dat is nu de echte vrijheid.' Hier tegenover je zit een man
    wiens jongensdroom is uitgekomen.

    Leontien Ceulemans:
    Hoe is zijn liefde voor poëzie ontstaan?

    Dat ging al heel vroeg. De dimensie van het woord was
    natuurlijk heel belangrijk bij ons en zoals je weet de eerste gedichten schrijf
    je als je puber bent. ik ben blij dat niemand ze ziet en niemand ze kent, want
    die waren heel erg vijftiger-achtig.

    Bestaan ze nog?

    Ik hoop het niet. Ze stonden in schoolkranten.

    Dat zou nog wel eens
    te achterhalen zijn.

    Als ik een exemplaar vind vernietig ik hem onmiddellijk. Ik geloof dat  een
    gedicht van Hoornik cruciaal was. 'Dat is het,' dacht ik. Het gedicht ging over
    Dachau.

    Willem Tieske Derks:
    Is poëzie voor hem urgenter geworden, of wellicht juist minder urgent sinds
    zijn herseninfarct?

    Ik geef het antwoord al een paar keer en doe het ook met die
    bundel. De echte poëzie is juist weer teruggekomen. Eigenlijk vind ik het jaar
    na mijn beroerte eigenlijk wel een goed jaar, omdat het veel opleverde. Ik heb
    natuurlijk enorm geboft, ik had nu ook een idioot kunnen zijn. Ik wens het
    niemand toe, want het was een zware attack, maar ik ben er goed uitgekomen en
    ik kan goed leven met de restverschijnselen. Mijn omgeving kennelijk ook.

    Rutger H. Cornets de
    Groot: Wat vindt hij van de regels 'ik zing de aarde aarde:/ de aarde met haar
    carnivale uiterweide' van Lucebert?

    Ik doe niet zo mee met het bewonderen van Lucebert. Ik
    begrijp een heleboel niet. Op een paar regels na blijft er ook weinig van hem
    bij mij hangen. Dus ik heb daar geen oordeel over.

     

    Joost Oomen: Ik ben
    wel benieuwd of Rawie zich verbonden voelt met nog levende collega's binnen het
    schrijversvak of dat hij zich juist een éénling voelt binnen het literaire
    veld?

    Ik lees weinig eigentijdse Nederlandse poëzie omdat dan het
    gevoel heb dat iemand anders op mijn instrument speelt en het daardoor
    ontstemt. Wat helemaal niet wil zeggen, dat het geen prachtige gedichten zijn.

    Jan Beuving: Wat is zijn verweer tegen
    zeurkousen die vinden dat ritme en rijm uit de tijd zijn en niet van waarde
    zijn voor de poëzie?

    Mijn verweer is het publiceren van mijn werk.

    Man van Myra: is
    poëzie gestileerde blues?

    Nou ik herinner me dat Harry Muskee mij ooit interviewde
    voor een radioprogramma. Hij zei: 'ik vind jou poëzie enorm bluesy.' Ik begrijp
    dat ook wel een beetje. Hij heeft me ook nog een keertje gebeld of ik teksten
    voor hem kon schrijven, maar dat moest dan in het Engels en dat is toen niet
    gebeurd.

    Daar hebben we toch
    wel iets aan gemist misschien.

    Dat is waar. Aardige jongen was het trouwens.

    Komen er nog veel
    jonge dichter naar je toe om je raad te vragen?

    Je krijgt zodra je met je snufferd op de buis bent geweest
    een heleboel idioten aan de deur. Mensen sturen ook wel eens iets op.  Er was een man van een jaar of zestig die de
    dag nadat ik bij De Werekd Draait Door was geweest overal had aangebeld in de
    Visserstraat, want die had gehoord dat ik daar woonde. Hij vroeg me of hij zijn
    sonnet mocht voordragen en toen zei ik 'stuur maar op.' Daar heb ik op
    geantwoord. Het was niet veel zaaks.

    Je zei in een van je
    gedichten dat je geen dubbelganger hebt, maar er loopt hier in Amsterdam een
    jongen rond in driedelig pak die Simon Mulder heet. Ken je hem?

    Ja, die schrijft heel tachtigerachtige poëzie.

    Hij heeft goed op je
    gelet.

    Hij deed mee aan een sonnettenwedstrijd in Leiden waarbij ik
    in de jury zat samen met Ilja Pfeijffer. Die heeft hij niet gewonnen geloof ik.
    Die jongen moet toch heel erg loskomen van de Tachtigers denk ik. Maar
    misschien is het wel heel geweldig wat hij doet.

    'Er was niets te
    winnen' zeg je in 'Verschil', maar je hebt toch goeie vrienden gekend en bent
    al jaren met dezelfde vriendin.

    Maar het gaat allemaal voorbij. Als ik al een boodschap heb,
    is dat het wel. Dat het leven eindig is, ook al is dat niet bijster origineel.

    Maar er zijn ook
    andere gedachten want in Som zeg je iets anders: 'In duizend straten / maar één
    enkel pad / te gaan. En dat je daar / genoeg aan had.'

    Ja maar 'dat je daar genoeg aan had' is ook een ironische
    wending. Dat is ook geen originele gedachte maar ik verwoord het op een
    bepaalde manier. Je moet ook geen consistente levensbeschouwing van zo'n bundel
    verwachten. Dan zou je iets heel anders moeten doen dan poëzie schrijven.

    Zijn er uit deze bundel al regels op
    zerken geplaatst?

    Ik geloof het nog niet. Ik heb wel al rouwadvertenties
    gezien met regels eruit, bijvoorbeeld het slot van het eerste gedicht uit de
    bundel: 'Je raakt de mensen en de dingen kwijt, / tot je het leven langzaam
    voelt verglijden / een deel wordt van het raadsel van de tijd.'

    De-tijd-vliegt-maar-de-dagen-gaan-te-traag

  • Torchpc1936

    Het Olympische vuur, de verharding en het opzeggen van het PVDA lidmaatschap waren onderwerpen bij Dit is de Dag. Dat leverde de onderstaande gedichtencolumn op:

    Torch1936co

    WIE ERFT HET VUUR EN WIE DE ARMOEDE

    honderd ossen werden verbrand
    voor de olympische tempel van
    zeus
    en tijdens de gehele spelen
    werd dat vuur brandende
    gehouden

    pas in 1928 tijdens de
    olympische spelen in amsterdam
    werd die traditie in ere
    hersteld
    op de ossen na

    de fakkelestafette werd voor
    het eerst gelopen
    tijdens de spelen van 1936 te
    berlijn

    en de fakkelhouder ontworpen
    door de firma krupp
    ook zeer talentvol in het
    fabriceren van tanks
    en bekend van hitlers
    uitspraak dat de duitse jeugd
    hard moest zijn als
    kruppstaal

    stond symbool voor de
    diefstal
    van het vuur door prometheus
    voorvechter van de mens
    en de menselijkheid

    maar men vraagt zich af of
    wij het gestolen licht
    ooit hebben gezien of
    aanvaard

    wat wel vaststaat is dat we
    harder geworden zijn
    dat we onze idealen zijn gaan
    verhandelen
    voor welvaart

    zodat we op onze eigen arcadische
    troon
    kunnen blijven zitten

    terwijl in de betegelde buitenwijken
    van stockholm en parijs de kansarme
    jeugd
    collectief en sportief

    ons povere bezit in as legt


    © Tsead Bruinja

    Afgelopen vrijdag presenteerde Femke IJlstra de cd 'Stofsûgersjongers' die ook in het boek te vinden is. Hieronder een filmje van ons optreden samen:

    Femke IJlstra en Tsead Bruinja 'Sy jout it hynder iten – Zij geeft het paard eten' from Tsead Bruinja on Vimeo.

    Afgelopen zondag werden de gedichten, de etsen en de muziek besproken in het Friese radioprogramma Buro de Vries. Het Friestalige gesprek is hieronder te beluisteren, met daaronder een filmpje dat Mirka Farabegoli maakte van de etsen en het boek.

      

    Het boek is nu leverbaar via de internetboekhandels, het Centraal Boekhuis en natuurlijk via de uitgever: http://afuk.nl/?page=shop_product&productID=4563&language=nl

    Stofsûgersjongers / Stofzuigerzangers
    Tsead Bruinja – Mirka Farabegoli – Femke IJlstra
    Uitgeverij Afûk
    Hardcover | 21x25cm | 128 pag.’s fullcolor
    2-talig | met etsen en muziek cd
    ISBN: 978 90 6273 944 8
    Prijs € 22,50

  •  
    Wie weten wil wie Sandy is, komt morgen naar het nieuwe poëzie festival in De Nieuwe Liefde (Da Costakade 102) te Amsterdam. Voor haar schreef ik onderstaand gedicht:

    VERHUISD NAAR DISNEYLAND

    in de zee is een vis die
    met mij wil vechten

    in de lucht hangt de maan
    waar mijn ogen op rusten

    's nachts in het witte licht
    koelen mijn voetzolen af

    ik droom van een vis

    *

    het motregent zout
    boven de pannen van mijn vader
    hij kookt

    mijn moeder past op
    kinderen van anderen
    ik ben geen zoon

    mijn vader kookt

    *

    ik zwem bij het strand
    langs de kade

    want in de zee
                  is een
    vis
    die met mij
                   wil
              vechten

    en schattig in de zon
    de flatgebouwen

    en heerlijk dat gevoel
    van succes in je werk

    een vriendin die je zomaar opbelt
    en je bij de thee vertelt

    ik heb geprobeerd te dromen
    je vis


    © Tsead Bruinja
     

    DICHTER & BUUR

    Speciaal voor Poëziefestival De Nieuwe Liefde maakte filmmaker Frithjof Kalf de documentaire Dichter & buur die op het festival in première gaat. Schuilt er poëzie in ieder huis?

    603757_565565713476331_699669301_n

    Vijf dichters uit de wijde buurt rond De Nieuwe Liefde gingen op bezoek bij vijf uiteenlopende bewoners uit verschillende Dichtersstraten. Vooraf wisten de dichters, Tsead BruinjaMenno WigmanAnnemieke GerristHenk van der Waalen Mustafa Stitou, niet bij wat voor soort persoon ze op bezoek gingen. Ze kregen een naam en een adres. Dat was alles. Tijdens het bezoek vertelden de bewoners over hun leven en hun favoriete gedicht. Aan de hand van het levensverhaal en het gedicht maakten de vijf dichters een nieuw gedicht, dat ze tijdens een tweede bezoek voorlezen aan de bewoners. Dichter dan dit kunnen dichter en buurtbewoner elkaar niet naderen.

    De presentatie van het programma zal in handen zijn van Hadassah de Boer en iedereen die aan de documentaire heeft meegewerkt, is bij deze première aanwezig. Het openingswoord wordt verzorgd door stadsdeelvoorzitter Godfried Lambriex.

    Dit is een samenwerkingsproject naar een idee van dichter Tsead Bruinja met al die buurtbewoners die hun verhalen deelden.
     
    Locatie: De Nieuwe Liefde (Grote zaal), Da Costakade 102, Amsterdam
    Datum: zaterdag 25-05-2013
    Aanvang: 20.00 uur
    Toegang: € 12,50

    Web: http://denieuweliefde.com/programmas/dichter—buur.141.html

    P.s. tijdens het festival zijn er ook een aantal open podia, waar zaterdagavond om 19.15 uur wordt voorgelezen door mijn vrouw Saskia Stehouwer, gevolgd door Annelie David.

     

  • Imp08_simon_bleeker
    Foto van Maria van Daalen tijdens een vorige editie gemaakt door Simon Bleeker
    Al vijf edities lang maakt Dien L. de Boer haar boerderij te Exmorra (Vlakbij Bolsward0 beschikbaar voor poëzie en muziek tijdens het programma 'Dichter op de deel', zo ook komende zondag. Voor 5 euro geniet u van de poëzie van Menno Wigman , Tsead BruinjaJoost Oomen, Thomas MöhlmannMaud VerhauwaertElse Kampen, Sigrid KingmaRense Sinkgraven en Dien L. de Boer zelf. Daarnaast is er muziek door Talking Cows, bestaande uit
    saxofonist Frans Vermeerssen, pianist Robert Jan Vermeulen, drummer Yong
    Sun en bassist Dion Nijland. 
    Het wordt opnieuw een mooie middag vol poëzie & muziek onder het gebinte van de boerderij in Exmorra.
    Na vier succesvolle edities wordt het
    Lustrum gevierd, onder meer met een vertaalproject: de Friese dichters lezen
    een Nederlandse vertaling van hun werk, maar er zullen ook Friese vertalingen te
    horen zijn van de Nederlandse dichters.
    Het programma wordt feestelijk afgesloten met een maaltijd van gerookte
    vis, soep en brood en er is gelegenheid een gesigneerde bundel aan te
    schaffen van de optredende dichters.

    Locatie:
    Bolswarderweg 13, Exmorra
    Datum en aanvang: zondag 26 mei
    2013, 14.00 uur
    Toegang: € 5,-

    VOORPROEVEN?
    Als voorproefje hier alvast de vertaling van Menno Wigmans gedicht 'Kamer 421' uit de bundel Mijn naam is Legioen (Prometheus,
    2012)
     

    Kamer 421

    Mijn moeder gaat kapot. Ze heeft een hok,
    nog net geen kist, waar ze haar stoel bepist
    en steeds dezelfde dag uitzit. Uitzicht 
    op bomen heeft ze, in die bomen vogels 
    en geen daarvan die zijn verwekker kent.

    Ik ben al meer dan veertig jaar haar zoon 
    en zoek haar op en weet niet wie ik groet. 
    Ze heeft me voorgelezen, ingestopt. 
    Ze wankelt, hapert, stokt. Ze gaat kapot.

    Geen dier, zegt men, dat aan zijn moeder denkt.
    Ik lepel bevend eten in haar mond
    en weet haast zeker dat ze me nog kent.

    Het zullen merels zijn. Ze zingen door.
    De aarde roept. Krijgt vloek na vloek gehoor.


    © Menno Wigman

    Keamer 421

    Ús mem giet stikken. Se hat in hok,
    krekt noch gjin kiste, wêr't se har stoel bepisset
    en hieltyd deselde dei útsit. Útsicht
    op beammen hat se, yn dy beammen fûgels
    en net ien dêrfan dy't syn oansetter ken.

    Ik bin al mear as fjirtich jier har soan
    en sykje har op en wit net wa't ik groetsje.
    Se hat my foarlêzen, bestoppe.
    Se wankelet, haperet, stûket. Se giet stikken.

    Gjin dier, wurdt der sein, dat oan de mem tinkt.
    Ik leppelje triljend har it iten yn `e mûle
    en bin der hast wis fan dat se my noch ken.

    It sille lysters wêze. Se sjonge troch.
    De ierde ropt. Fynt flok nei flok gehoar.

     

    © Menno Wigman
    © Friese vertaling Tsead Bruinja

    Uit: Mijn naam is Legioen (Prometheus, 2012) o.a. te koop via www.bol.com/nl/p/mijn-naam-is-l…n/1001004011551480/

  • Openspace

    http://reddebijen.nl/

    Snoep bij de Wandel Vierdaagse, nut en onnut van het ecoduct, duurzame varkens en de slachtpartij in Londen waren onderwerpen van gesprek bij Dit is de dag. En Egbert Jan Weeber was te gast om te praten over de bijen, die we moeten redden.

    Ik maakte voor hen dit:


    SNOEP VERSTANDIG

    varkensvlees in honing-sinaasappelmarinade
    geroosterd varkensvlees met honing
    varkensvlees gemarineerd in ketjap en honing
    varkensrollade met honing mosterdglazuur
    varkensvlees met honing-kruidenkorst
    of met honing en abrikozen

    er zijn vele redenen om bijen te koesteren
    bovendien hoef je ze niet te vertroetelen
    ze worden graag bij elkaar gepropt
    in een bijenstal- flat of paleis

    behalve bij de oude maya's
    die maakten soldatenpoppen
    gaven ze speren en schilden
    en vulden ze met wespen
    muggen en bijen

    een soort opgefokte mensachtige piñatas
    variant van de mexicaanse ezeltjes van papier-maché
    die gevuld worden met zoetigheden

    je kunt bijen inzetten om mijnen te zoeken
    ze hebben geen wegen of weiland nodig
    geen groepsbedden schuurpalen
    of neveldouches

    hun wieg is hun hok
    hun leven uw glazuur

     

    © Tsead Bruinja

    U kunt een bijdrage leveren aan een speciaal ontworpen ecologisch bijenpaleis via http://www.ilovebeeing.nl/bijenpaleis/. Hieronder het filmpje waarin Egbert Jan Weeber u oproept dat te doen (en kappen met dat gif a.u.b.):

     

  • Voor wie de mooie avond in Perdu rondom Stofsûgersjongers / Stofzuigerzangers gemist heeft en/of voor wie graag de composities op de cd Stofsûgersjongers van Femke IJlstra live wil horen, kom op 24 mei naar het Bethaniënklooster, Barndesteeg 6B te Amsterdam.

    Hieronder de uitnodiging:

    !cid_ii_13e833540b215cef

    Reserveren wordt sterk aangeraden. Dat kan via femkeijlstra@hotmail.com.

    Femke_klein

    (Ets door Mirka Farabegoli - http://www.mirkafarabegoli.com/)

    Ik zal tijdens de presentatie zeker onderstaand gedicht uit de bundel voordragen, waarvan ik me net bedacht dat het eigenlijk 'harde politiefilm snelle motoren' zou moeten zijn (of zoals ik via google las – harde politiefilm snelle momenten), maar dit is ook mooi en toepasselijker, bijna een tekst voor een contactadvertentie. 

    harde politieman snelle motor

    in een oude schuur zitten vier jonge blazers
    van de dorpsfanfare met tussen hen in
    een fles whisky

    de een heeft al baardgroei
    bij de ander is het dons
    dat de klok slaat

    ze spelen mee met de beat uit een speelgoedkeyboard
    ze staren naar de fles en mijmeren over jeltsje van de
    videotheek
    hoe ze voorover leunt als ze de kortingsbonnen
    uit de krant knipt

    de stad waar ze gaan studeren
    het uit huis en het laatste optreden van de fanfare
    wie er aan de weg zal staan

    is het richt van wie henk de pony mocht borstelen
    en de stal uitmestte

    die hem in de bar-dancing lang aankeek
    maar die laatste stap nooit aandurfde
    net als henk

    is het het buurmeisje nynke waar wiebe mee op zwemmen zat
    voor diploma c
    zuster van zijn beste vriend van wie het zwempak net wat
    doorzichtiger was
    dan ze zelf dacht

    of was het jan die pieter een steen op zijn kop liet
    vallen
    steen die aan een touw over een hoge tak hing
    en als val diende voor vijanden
    die ze nooit hadden gezien

    jan zijn vader was bij de politie
    als er wat loos was vroeg hij wat er gebeurd was
    en stoof snel de tegenovergestelde kant op

    jan had een snorretje net als zijn vader
    en een paar van de jongens alleen
    nog maar dons

    dons dons wordt baard voor alle jongens
    en zolang hun kop het nog doet blazen ze alle vier ’s
    nachts

    in een oude schuur met een fles whisky tussen hen in
    en posters aan de muur van richt nynke jan en jeltsje
    terwijl ze de kortingsbonnen uit de krant knipt 

     

    harde politieman snelle motor

    yn in âld skuorre sitte fjouwer jonge blazers
    fan de doarpsfanfare mei tusken harren yn
    in flesse wisky

    de ien hat al burd
    by de oare is it dûns
    dat de klok slacht

    se spylje mei de beat mei út in boartersguodkeyboard
    se stoarje nei de flesse en mimerje oer jeltsje fan de fideoteek
    hoe’t se foaroer linet at se de koartingsbonnen
    út de krante knipt

    de stêd dêr’t se studearje sille
    it út hûs en it lêste optreden fan de fanfare
    wa’t der oan de dyk stean sil

    is it richt fan wa’t henk de pony boarstelje mocht
    en de stâl útmjokse

    dy’t him yn de bar-dancing lang oanseach
    mar noait dy lêste stap oandoarde
    lykas henk

    is it it buorfamke nynke dêr’t wiebe mei op swimmen siet
    foar diploma c
    suster fan syn bêste maat fan wa’t it swimpak krekt wat
    trochsichtiger wie
    as se sels tocht

    of wie it jan dy’t pieter in stien op ’e kop falle liet
    stien dy’t oan in tou oer in hege takke hong
    en as fal foar fijannen tsjinne
    dy’t se noait sjoen hienen

    jan syn heit wie by de plysje
    at der wat loas wie frege er wêr’t it bard wie
    en stode gau de oare kant op

    jan hie in snorke lykas syn heit
    en guon fan de jonges allinnich
    noch mar dûns

    dûns dûns wurdt burd foar alle jonges
    en salang at de kop it docht blaze se alle fjouwer nachts

    yn in âld skuorre mei in flesse wisky tusken harren yn
    en posters oan de muorre fan richt nynke jan en jeltsje
    wylst se de koartingsbonnen út de krante knipt

    © Tsead Bruinja

     

    Femke_cd

    TRACKLIST

    1. Femke d’r Solo (2012) – Micha Hamel (1970)

    2. Wings of
    the Grasses
    (2004) – Hilary Tann
    (1947)
    Met Nora Fischer, zang. Tekst: Menna Elfy

    3. Femke en la Gran Ciudad (2009) - Guillermo Lago (1960)
    Voor sopraansaxofoon en tape

    4. Lullaby
    for a Mourning Child
    (1995) – Charles Rochester Young (1965)
    Met Jelmer Tichelaar,
    slagwerk

    5. De Bazuin (2011) – Geert Schoonbeek de Vlaming (1965)
    Met Arno Bornkamp,
    baritonsaxofoon

    6. Two
    Memorials
    (1995/2000) -Marc-
    Anthony Turnage (1960)

    I Trier
    II Memorial

    Aanschafinformatie:

    Stofsûgersjongers - Femke IJlstra
    2013 Skarster Music Investment 
    buma stemra ST 1301-2

  • Was nog niet op de hoogte van het Friese weblog van Klaas van der Hoek, conservator handschriften en moderne letterkunde bij de Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam. Van der Hoek publiceert op zijn blog o.a. Friese vertalingen van de poëzie van Emily Dickinson en verslagen over literaire evenementen. Zo schreef hij over het programma ter ere van Tsjêbbe Hettinga bij de Nieuwe Liefde en over de bundelpresentatie van Stofsûgersjongers / Stofzuigerzangers. Zijn blog is hier http://www.konsenylje.nl/ te vinden.

    In het Fries klinkt:

    There’s been a Death, in the Opposite House,
    As lately as Today –
    I know it, by the numb look
    Such Houses have – alway –

    Zo:

    In Stjergefal, yn it Hûs hjir Tsjinoer,
    It barde Hjoed – saniis –
    Ik wit it troch it oansicht, njoer,
    Dat Sa’n Hûs – eigen is –

    (…)

    Lees de rest van de vertaling hier

    Dickinson

    Zaterdagmiddag ben ik te gast bij Opium Radio. Waar verder gesproken zal worden over welke vijf kleine theatervoorstellingen uitgekozen zijn voor het Nederlands Theater Festival, dat begin september wordt gehouden bij de start van het nieuwe toneelseizoen, door Arthur Japin. Daarnaast vertelt kleinkunstkenner Daan Bartels over wat volgens hem de nieuwe klassieke kleinkustliedjes zijn en komt Ernst Daniel Smid aan het woord over wat Verdi's opera La Traviata zo bijzonder maakt.

    Opium2

    Vorige week was Nynke Laverman te gast bij Opium in het kader van haar prachtige nieuwe cd 'Alter'. Haar optredens zijn o.a. te beluisteren in het eerste uur (na 11 min.) en in het tweede uur (na 9 min.) via http://avro.nl/audioplayer/?p=opiumzat.

    Hieronder twee van de liedjes van de cd en een item dat Omrop Fryslân over de nieuwe plaat maakte. 


     


     

    Het mooiste nummer op de cd vind ik tot nu toe het duet met dichter Tsjêbbe Hettinga dat ook via soundcloud te beluisteren is:

     
    Meer op: http://nynkemusic.com/

    EIGEN HANDEL

    Omdat ik nog niet weet waar de Stofzuigersjongers allemaal te koop zijn, hieronder een handreiking.

    Online is het boek te bestellen via:

    De website van de uitgeverijhttp://afuk.nl/?page=shop_product&productID=4563

    De Friese Boekhandel website - http://frieseboekhandel.nl/basis.php?nurpage=y&nur=524&sort=alfa&find=906273944X#.UYuu0aKGHTo

    (Volgens de website rekenen ze boven de 20 euri geen verzendkosten)

    De website van de Perdu online boekhandelhttp://www.boekhandelperdu.nl/Stofsugersjongers/stofzuigerzanger

    Daarnaast zal het boek ongetwijfeld bij verschillende boekhandels in Friesland liggen en in het westen zeker bij boekhandel Perdu aan de Kloveniersburgwal te Amsterdam.

  • FD2

    Ernst Bruinsma merkte nog een rare fout op aan het einde van deze tekst. De vormgeefster is Monique Vogelsang en niet Vogelvanger. Monique maakt mooi werk, bekijk het op:

    http://www.moniquevogelsang.nl/nieuws/

    Website: http://www.frieschdagblad.nl/

    Auteur: Gebrich van der Meer