Op 9 mei begint de tweede editie van het Amsterdam Poëziefestival. Vorig jaar heb ik samen met dichteres/festivalorganisator Saskia de Jong en filmmaker Frithjof Kalf onderstaande korte documentaire gemaakt.
Tijdens het bezoek van de dichters vertelden de bewoners over hun leven en hun favoriete gedicht. Aan de hand van hun levensverhaal en dat gedicht maakten de dichters een nieuw gedicht, dat ze tijdens een tweede bezoek voorlazen aan de bewoners.
Olmo van der Mast bewerkte mijn gedicht 'Graat' uit de bundel Bang voor de bal en trad ermee op tijdens de Stilte van de Toekomst in het Rietveld Theater te Delft.
"Hello, my name is Diana. I am your volunteer." Voor mij stond een meisje dat niet veel langer was dan een meter vijfenvijftig. Ik schatte haar vijftien, maar ze bleek negentien te zijn en Engels te studeren aan de universiteit van Czernowitz in het westen van Oekraïne. We spraken elkaar in een statige aula tijdens de openingsceremonie van het Meridian Czernowitz Poëziefestival.
standbeeld Lviv
Diana vertelde me hoe trots ze was op haar land en dat de muur van haar slaapkamer vol hing met Oekraïnse vlaggen, dezelfde vlaggen die nu in brand worden gestoken door haar Russische landgenoten. Ze leerde me ook een geheime groet die de vrijheidsstrijders gebruikten tijdens hun gevecht tegen de Polen, Nazi's en Sovjets. Als een medestrijder je verwelkomde met "Slava Ukraini" (Glorie voor Oekraïne) moest je die groet beantwoorden met "Heroyam Slava" (Glorie aan de helden van Oekraïne). Verder moest ik weten dat de beste chocolade uit Lviv kwam. Daar, in een restaurant dat gebouwd is als een schuilkelder van het verzet, wordt deze groet gebruikt als toeristische attractie.
Diana stuurt me soms een kaartje en ik stuurde haar een Friese vlag. 'Bûter, brea en griene tsiis', de groet die Grutte Pier in de zestiende eeuw bedacht om de identiteit van zijn anderstongige tegenstanders te onthullen, is ze inmiddels vast vergeten.
Grote Pier
Bij het zoeken naar de correcte spelling van de Oekraïnse groet vond ik het verhaal van het restaurant, met daaronder commentaar over de wat minder glorieuze daden van de vrijheidsstrijders. Dat kwam me niet goed uit. Ik wilde juist de vriendelijke kant van het land laten zien, zonder alle hedendaagse ellende.
Zoiets was me eerder overkomen. Na een bezoek aan het genocidemuseum in Vilnius waar het lot van de Litouwse partizanen wordt herdacht, deelde ik op facebook het verhaal van een moedige koerierster. Toen zij opgepakt werd en er niet in slaagde zichzelf preventief door het hoofd te schieten, brak ze in het ziekenhuis een thermometer door midden en zoog het kwik eruit, zodat ze haar kameraden niet zou verraden. "Weet je wel dat er in dat museum één genocide totaal verzwegen wordt?" reageerde een boze facebookvriendin. "Over de moord op 200.000 joden, waar een groot aantal Litouwers de Duitsers flink bij heeft geholpen, wordt met geen woord gerept."
Ook het Oekraïnse bevrijdingsleger blijkt de Nazi's geholpen te hebben. Ze waren betrokken bij enkele etnische zuiveringen onder de Polen met wie ze van mening verschilden over de landsgrenzen. Halve dorpen werden uitgemoord en geplunderd en gemengde huwelijken tussen Polen en Oekraïners werden niet langer toegestaan.
De trotse jonge Diana mag door dit stukje geen erfgename worden van die misdaden. Herinnert u zich maar dat de lekkerste chocolade uit Lviv komt. Waar de Glorie woont, moet u mij niet vragen.
Tresoar organiseert van 30 april tot en met 4 mei 2014 het Jiddisch Festival Leeuwarden
Met o.a. Lucette van den Berg, Tsead Bruinja en Erik Poorterman
Het festival belicht diverse aspecten van de Jiddische cultuur en laat mensen kennismaken met de rijkdom van taal, muziek, film, literatuur en geschiedenis. Op 30 april 2014 vindt de opening plaats met o.a. het project: ‘Vos iz geblibn/ Wat is der oerbleaun?’ Een project waarbij Lucette van den Berg en Tsead Bruinja ieder in hun eigen taal gedichten en muziek hebben uitgewisseld over 'het grote verlangen' en over ‘uitgeteld naast elkaar liggen en langzaam elkaars handen weer opzoeken’. Deze zoektocht in het Jiddisch, Nederlands en Fries wordt ondersteund door Erik Poorterman op gitaar.
FotojournalisteGitte Brugman maakte polaroids bij regels uit de verschillende teksten. Haar werk zal tijdens het festival te zien zijn in Tresoar:
"Jûns in aai en moarns in aai," antwoordde mijn pake toen ik hem vroeg hoeveel eieren Pake en Beppe aten. Pake Klaas was boer geweest in Oostrum en boerde daar, nadat hij de 'pleats' aan zijn zoon had verkocht, kleinschalig door. Akkers met nieuwe aardappelen en aardbeien lachten je toe als je zijn 'hiem' opkwam, evenals een vijver met daaromheen een kring luid bloeiende afrikaantjes. Tussen huis en kerkhof had Pake van afvalhout een garage gebouwd met aanpalend hok vol kippen en konijnen. Die konijnenteelt liep iets uit de hand, waardoor de woning aan de Terpleane ook wel het Rattenklooster werd genoemd. Van Pake's honderd konijnen werden namelijk regelmatig jonge exemplaren gebunnynapt en omdat het hok onmogelijk ratproof kon worden gemaakt, begon Pake voor hij naar bed ging over de vloer oud brood te strooien. De ratten maakten daar totaal geen bezwaar tegen en begonnen zich met de buikjes vol vrolijk te vermenigvuldigden.
Wie in het archief van de Leeuwarder Courant zoekt, vindt daar nog een interview met Pake waarboven de kop 'By my wurdt noait wat wei' prijkt. Op de jonge konijnen na, was dat zeker waar. Pake was een groot verzamelaar van kromme spijkers die hij uit oude planken trok en maakte steevast 's ochtends vroeg een rondje door het dorp bij het afval langs, voor de vuilnismannen uit. Geldproblemen had hij overigens niet, maar doordat hij zijn boerderij ooit begonnen was met één koe en de hele handel heelhuids door de crisis had geloodst, bleef hij de rest van zijn leven zuinig.
Tijdens het eendeneieren zoeken leerde Pake Klaas ons een mooi rijmpje dat u wellicht uw kinderen of kleinkinderen kunt bijbrengen tijdens het komende Paasweekend: "Pyt skyt wyt, skyt aai, skyt dop, skyt alle minsken lyk foar de kop." Maar het was mijn moeder die mij het grootste pronkstuk van mijn verzameling bezorgde. Vóór een bosje bij ons in de buurt had zij een zwaan zien broeden. Mijn zus kreeg de instructie de jonge moeder van het nest te lokken door brood in de sloot voor het bosje te gooien, waarop ik zo stilletjes mogelijk het ei moest pakken. In de wetenschap dat een zwaan met gemak je arm kan breken, rende de zesjarige Tsead als een bezetene met de vangst onder de jas naar huis.
Volgens wikipedia blijven zwanen elkaar trouw tot aan de dood, wat mijn eieretende pake en beppe goed gelukt is, ondanks hun legendarische scheldpartijen en de messen die na verhitte strijd nog wel eens rechtop in de keukendeur stonden te trillen. Een enkele keer wil zich onder de edele vogels een echtscheiding voordoen, bijvoorbeeld bij nestelproblemen. Ik hoop maar niet dat mijn diefstal naast een wrede kindermoord ook een echtbreuk heeft veroorzaakt. Vrolijk Pasen!
Een meerpuntig metalen martelwerktuig dat steeds bloediger voren trekt door de diepe wond in de zijde van Jezus, zo herinner ik mij Mel Gibsons The Passion of the Christ. Ik moest aan dat staaltje masochistisch vernuft denken toen ik 12 Years A Slave bekeek, de bekroonde boekverfilming waarin een vrije zwarte muzikant in de jaren veertig van de 19e eeuw ontvoerd wordt in het Noorden van Amerika, waarna hij in het Zuiden als slaaf verkocht wordt. In een hartverscheurende scène zien we hem gedwongen een onschuldige slavin het bloed uit de rug slaan.
Waarom kijken we naar deze 'historisch accurate', maar ook shockerende films? Zijn we met popcorn en cola op schoot een belijdenis aan het afleggen? Moeten we onszelf voortdurend confronteren met al het slechte waar toe we in staat zijn, zodat we niet nog eens dezelfde fout maken? En waarom kijk ik naar deze films? Ik vind dat ik me niet mag afwenden van het onrecht en wil met vrienden en collega's mee kunnen praten over wat ze hebben gezien. Daarnaast biedt de bioscoop natuurlijk een verleidelijke schuldachtbaan, waarin ik, misselijk van alle narigheid, het einde als verlossing ervaar.
Wat me tegenstond aan 12 Years A Slave was de vertelling. De film, op een waargebeurd verhaal gebaseerd, bevat genoeg spanning, maar is te conventioneel vormgegeven. We leven het leven mee van de hoofdpersoon en maken soms een sprongetje in de tijd, maar verder is er weinig dat ons op het verkeerde been zet of dat een nieuw perspectief biedt op slavernij.
Dat is gelukkig anders in Door de waterspiegel,de nieuwe roman van Tomas Lieske, waarin het thema schuld met veel meer verbeeldingskracht wordt uitgewerkt. Hoofdpersoon Sebastiaan is een Nederlandse ingenieur wiens joodse vrouw in WO II als kind van Wenen naar Zwitserland moest vluchten. Als jongeman fantaseert hij over het oprichten van een eigen kindertehuis, wellicht als poging het verleden van zijn vrouw te repareren. Nadat hij bij de aanleg van een stuwmeer in Spanje machteloos moet toezien hoe een lokaal meisje verkracht wordt omdat ze protesteert tegen het onderwater zetten van haar dorp, verandert het verhaal in een wirwar aan hallucinaties, waarin door vloeibare deuren andere werelden worden betreden en een ziekenhuis wordt opgeblazen alsof het een wonder van God betreft. Het verhaal wordt bovendien verteld door een man zonder armen, benen of zicht, die aan het einde waarschuwt dat hij het laatste stuk zelf erbij heeft moeten bedenken. Als lezer weet je daardoor nooit helemaal wie je kan vertrouwen en of de werkelijkheid waarin je je bevindt wel de echte is. Het is geen prettige schuldachtbaan maar een moreel werkelijkheidsmoeras, waarin ik me weliswaar even schuldig voel als in de voorgenoemde films, maar minder een zelfkastijdende gruwelconsument.
"Wie der noch slaanderij en hast noch ien op de bek pakt?" wilde handvaardigheidleraar en autodealer Postma weten als ik op maandagochtend het lokaal binnenkwam. Met beide viel het meestal mee. De zaterdagen van deze Kollummer tiener bestonden uit overdag werken in de supermarkt, met bier na afloop, gevolgd door een avondje tv of een zaterdagnacht met nog meer bier in de Veenklooster bar-dancing de Ringo.
Foto genomen in de Ringo, met een helaas geheel onzichtbare mat
Daar kon natuurlijk wel iemand op de bek worden gepakt, maar het was dons dat mijn kaken sierde en geen echte baard. Ik was te onzeker en stil, zag er te jong uit om door welk meisje dan ook maar te worden gezien. De Zwaagwesteinder klasgenoot die geregeld plagerig de stof van mijn shirt tussen zijn vingers pakte en dan "knap stofke" zei, maar die je vooral niet per ongeluk aan moest stoten, had kunnen zorgen voor de slaanderij waar Postma nieuwsgierig naar was, maar dat was dan eerder uitgelopen op met-één-ram-tegen-de-vlakte-derij.
Vandaar dat ik toen ik eenmaal in Groningen ging studeren geen groot voorstander was van het fenomeen uitgaan. Je kon in de Groninger kroegen bovendien lang zo mooi niet op onbewaakte momenten bierglazen op de grond laten vallen om de eigenaar aan wie iedereen een hekel had op kosten te jagen. Dat veranderde toen een vriend mij introduceerde in de wereld van de chemische hulpmiddelen die de wolken voor mijn donkere humeur wegtrokken, mijn onzekerheid wegnamen en me de hele nacht konden laten dansen, zonder een greintje pijn. Ik leerde van hem ook 'niet zo triest naar de punten van mijn schoenen te staren. Bij house moest je juist blij en een beetje arrogant omhoog kijken.' Ik deed er een jaar aan mee, totdat ik een geheelonthoudende geliefde vond met wie ik veel te snel ging samenwonen om vervolgens een paar jaar op de bank te tv-vegeteren met Star Trek en een huishouding van zes katten en evenveel kattenbakken.
Die kattenbakken heb ik in Groningen bij desbetreffende ex achtergelaten, terwijl ik in Amsterdam vrolijk getrouwd dit weekend eindelijk weer eens goed van de bank afgekomen ben. Onze buren met wie we een dakterras delen en wiens jongens van vier en zes geregeld over de vloer komen om van onze bank een piratenboot te maken, vierden dat ze tien jaar bij elkaar waren. Daarom gingen wij dansen in de Paradiso. Ik stuiterde met een greins van hier tot Tokyo vijf uur lang op commerciële hiphop uit de jaren negentig en vertelde iedereen veelvuldig hoeveel ik van hen hield. Er was geen slaanderij, gjin túterij en de vogels zongen schitterend in het Vondelpark toen ik me om half zes 's ochtends met de buurvrouw en haar bakfiets richting huis begaf, meneer Postma.
'It grutte probleem dat driget is de útsluting fan de Wâlden en de Waldpiken yn de Kulturele Haadstêd,' zei Tresoar-directeur Bert Looper tijdens het radioprogramma Buro de Vries bij Omrop Fryslân. Hij prees uitbundig 'de fitaliteit, de dynamyk' en 'it modernisme' fan de Wouden. Ik moest denken aan het ouderwetse wâldpykje Johan Venema, tegenwoordig Jack Bottleneck.
Toen Jack nog Johan heette en wij samen op de Dr. J. Botkeschool te Damwoude zaten, had hij een pijl en boog, waarmee hij over de lengte van een heel voetbalveld kon schieten. Als ik hem 's morgens ophaalde, stond zijn moeder met sigaret en badjas in de deuropening. Bij Johans verjaardagsfeestje gaf ze ons, geheel aangekleed, Wonder paprika chips, die we dipten in een mengsel van mayonaise met ketchup.
Ik verhuisde van de Wonder chips in Damwoude naar Kollum, van de Dr. Bottke naar de Casimirschool, en Johan zag ik jaren later pas weer, in het theater. Meesters en juffen van verschillende openbare basisscholen voerden rond Sinterklaas in Damwoude een kluchterig sprookje op, waarbij leerlingen elkaar elleboogstootjes gaven als ze hun geschminkte meester of bepruikte juf herkenden in een bediende of schurk. Johan en ik waren dertien. Ik trof hem buiten, met sigaret, oorbelletje en Cindy, de dochter van de warme bakker, op wie ik altijd een oogje had gehad, en die later nog eens de loterij heeft gewonnen, maar dat is een ander verhaal. Het gaat hier om Johan, en om Jack.
Vijfentwintig jaar duurde het voor ik hem weer zag, op Facebook en Youtube, waar hij zong alsof hij een fles Jack Daniels had geleegd, het glas stuk had geslagen en de scherven ook maar meteen even had doorgeslikt. Ik vertelde Johan over een huiskamerfestival in Dokkum, met wijnproeverij na afloop. Ik had gevraagd of hij daar misschien ook een liedje mocht komen spelen. Dat mocht en dat deed hij, maar daarvoor had hij thuis wel in alle kleuren van de regenboog gescheten, zo meldde hij me bij het uitladen van zijn gitaren. Ondanks de verstoorde stoelgang en dankzij enkele glazen chardonay speelde hij de houtworm uit de oude balken van het grachtenpand.
Eigenlijk was het een wonder dat we elkaar na al die jaren weer zagen. Johan was dakbedekker geweest en had 's avonds thuis, na zijn werk op grote hoogte, ook in de geest de hogere sferen opgezocht met behulp van heroïne.
Van beide hoogtes duikelde hij naar beneden, waarna hij, afgekeurd en clean, zichzelf leerde de sterren van de goot terug de hemel in te spelen. Dat doet hij niet modern, maar wel 'dynamysk' en 'fitaal'. Haal Jack daarom van Youtube naar de Culturele Hoofdstad, Bert Looper. Syn muzyk sil jim troch de siele hinne snije.
'Eendje snater in het water,' hoorde ik de juf in zwempak zingen, omringd door moeders en oma's die met hun babby's en kleinkinderen rondjes dansten in het zwembad. Door de melodie deed dat liedje mij denken aan een Fries kinderliedje dat mijn moeder vroeger voor me zong:
Suze nane poppe 't kealtsje leit yn 'e groppe. Heit en mem sa fier fan hûs, Dy kinne wy net beroppe.
(variant op de laatste regel: 'dy kin se net beroppe')
Letterlijke vertaling
Suze nane kindje, 't kalfje ligt in de mestgoot / greppel Vader en moeder zo ver van huis, die kunnen wij niet (be)roepen.
(variant op de laatste regel: 'die kan ze niet beroepen')
Ik heb de rest van 'Eendje Snater' niet gehoord, maar het was ongetwijfeld minder wreed dan de Friese tekst. Ik vroeg me af waar dat ruige vandaan kwam. Lag het aan de volksaard of was er nog een andere verklaring voor te vinden?
Volgens Janna van het blog De Vier Seizoen, 'werden deze wiegeliederen vroeger gezongen door huisslavinnen, die niet altijd even vriendelijk tegenover het kind en de moeder stonden. 'Er zijn ook wiegeliedjes waarin de moeder als lelijkerd wordt benoemd.' Janna schrijft dat het een liedje gezongen werd in de afwezigheid van de vader en moeder en dat het niettemin 'een sussend effect had'.
Ik heb geen Fries kind om dat effect op uit te testen. Misschien mijn oudere zus maar eens vragen of zij het ooit voor haar kinderen heeft gezongen en of die er lekker van gingen slapen.
Hier is een mooi voorbeeld van hoe het liedje klinkt, al denk ik niet dat het meisje weet wat ze zingt:
Vertaalster Susan Massotty heeft de tekst ooit naar het Engels vertaald voor Poetry International, als onderdeel van een gedicht van Albertina Soepboer. Dan gaat het zo:
Poppet, moppet, doll, Into the water they fall. Mother is too far away, To hear the child call.