Flaptekst:Wat doe je als je je oude manier van leven moet opgeven? Als al je oude manieren en gewoontes niet meer blijken te werken? Wachtkamers is het verslag van een ontdekkingstocht in een nieuwe wereld, waarin alles tot leven komt en controle vaak ver te zoeken is. Het is een wonderlijk universum, waarin 'de hoekstukken kwijt zijn'. De personages leren om met de nieuwsgierige blik van een beginner te kijken naar wat er allemaal op hun pad komt en niet te snel te oordelen, want 'in elke val zit een dans verborgen'.
Reserveren: Mocht u erbij willen zijn, stuur dan een mailtje naar saskia.stehouwer@gmail.com. Aangezien de ruimte bij Perdu beperkt is, wordt het ook zeer gewaardeerd als u zich weer afmeldt, mocht u verhinderd zijn.
Indien u speciale vragen heeft, bijvoorbeeld een interviewaanvraag of u wenst ander materiaal te ontvangen, dan kunt u een bericht sturen aan info@uitgeverijmarmer.nl
Vertegenwooridging pers en publiciteit in Nederland:
Het kantoortje van Remco Amstel 85 sous 1018 EK Amsterdam T: +31 20 4208168 Remco Volkers M: +31 6 24603790 E: remco@hetkantoortje.nl
Vertegenwooridging pers en publiciteit in België (Vlaanderen):
Saskia Stehouwer (Alkmaar, 1975) studeerde Nederlands en Engels aan de Universiteit van Amsterdam. Ze werkte ruim tien jaar als redacteur en projectleider op de Vrije Universiteit. Haar gedicht ‘Glimp‘ haalde de top-20 van de Türing Nationale Gedichtenprijs 2012 en diverse van haar gedichten werden gepubliceerd in tijdschriften en bloemlezingen.
Er komen steeds meer manieren bij om de dood buiten de deur te houden. Zo stond er deze week op Facebook een artikel over een geneesmiddel tegen kanker dat alleen voor de rijken bestemd zou zijn en vertelde een vriend me over de zorgcontainer die zijn ouders besteld hadden in verband met de terminale ziekte van zijn moeder. Straks komt de dood voor de westerling alleen nog maar over de digitale drempel het eigen huis binnen. Voor het echte sterven stappen we verdrietig de achterdeur uit richting een naar eigen comfort en smaak ingerichte ijzeren bak in de tuin om daar alsnog ons harde lot te mogen aanvaarden.
Ik kan me daar van alles bij voorstellen. De muren zouden uit videowalls kunnen bestaan, zodat je kunt sterven op een plek naar keuze: een middeleeuws kasteel, een hossende discotheek of tussen de koeien in de weilanden van Rinsumageest. Met de toevoeging van wat chemische middelen zal het voelen alsof je niet aan het einde van je leven beland bent, maar er nog midden in staat.
Toen mijn moeder de eeuwige jachtvelden betrad eind jaren tachtig, waren de overlevingskansen voor arme en rijke westerse kankerpatiënten ongeveer gelijk. Bij het Groene Kruis werden voor die laatste paar weken wat klossen gehaald voor onder het bed dat in de achterkamer werd geplaatst. De familie hield een wake. Er werd gewacht tot de laatste adem het vergeelde comateuze lichaam had verlaten.
Dat soort herinneringen koester je niet en misschien wil je liever ook niet dat ze het huis van je nabestaanden besmetten, zeker niet als zieke. Mijn moeder was als boerendochter praktisch ingesteld. Bang voor haar eigen dood was ze niet, eerder bang voor hoe wij verder moesten. Een zorgcontainer naast het fietsenhok had ze vast toegejuicht. Bovendien had ze dan nog wat langer in bad gekund, waar mijn vader haar op het laatst niet meer naar toe kon tillen. Hoe graag hij dat ook wilde.
De dag dat mijn moeder overleed en gewassen werd in het mortuarium, ging haar sterfbed terug naar boven. De lakens werden verschoond. Ze wilde niet thuis opgebaard blijven, omdat wij ‘door’ moesten en ze wilde niet in hetzelfde dorp waar wij woonden, begraven worden, omdat we er dan te vaak langs zouden gaan. Toen vrienden en familie met mijn vader afscheid gingen nemen in de aula te Oudwoude, waren mijn zus en ik in Kollum met de buurjongen aan het stoepranden. De dood werd op afstand gehouden.
Maar nu aan beide kanten van de evenaar men thuis of in het internetcafé kan zien wie er het meest luxe mag sterven en de meeste kansen heeft om vreselijke ziektes als kanker en ebola te overleven, staan de zaken er anders voor. We mogen ons voorbereiden op een nieuw soort vluchtelingen. Wie ontwikkelt het beste slot voor onze zorgcontainer?
Deze column verscheen in de Leeuwarder Courant van 19-9-2014 – http://www.lc.nl/
Hield je van de series 'A'dam en e.v.a' en 'Dunya & Desie' en vind je dat schrijvers fatsoenlijk betaald moeten worden voor hun werk en mee zouden moeten kunnen delen in het succes van hun werk?
Lees dan onderstaand stuk van Robert Alberdingk Thijm, scenarioschrijver en Lira-bestuurslid. Het is vandaag ook te lezen in de NRC.
"Het was een mooi gezicht, toen ik laatst met de trein uit de richting van Schiphol Amsterdam binnen kwam rijden: boven de gebouwen in Westpoort torende een levensgroot Gouden Kalf uit. Aha september, dacht ik, het Nederlands Filmfestival gaat beginnen. Het Gouden Kalf is immers sinds jaar en dag het symbool van de Nederlandse filmdagen én de meest prestigieuze en begeerde filmprijs van Nederland.
Pas toen de trein de hoek om reed, zag ik dat het Gouden Kalf op het dak stond van kabelbedrijf UPC. Dat is vreemd, dacht ik. Waarom zou UPC zichzelf bekronen met een Gouden Kalf? Nog gekker was het toen ik overal een goudgekleurde advertentie van UPC zag opduiken met de tekst “UPC, fan van de Nederlandse Film”.
Natuurlijk. We weten allemaal dat UPC goud geld voor zijn eigenaar Liberty Global verdient met het doorgeven van Nederlandse films en dramaseries. Maar maakt dat je dan ook een fan?
Op 27 augustus j.l. oordeelde de rechtbank van Amsterdam dat UPC, samen met andere kabelbedrijven als Ziggo, sinds 2012 inbreuk maakt op auteursrechten van Nederlandse scenarioschrijvers. Toen hielden de kabelbedrijven namelijk eenzijdig op met het betalen van auteursrechten aan filmmakers. Zij vonden (en vinden) dat scenarioschrijvers en regisseurs – de mákers van de Nederlandse Film – helemaal geen vergoeding toekomt voor het vele gebruik van hun werk. Liever stoppen zij hun winsten in andere activiteiten, zoals het doen van peperdure overnames en het uitbetalen van riante bonussen aan hun topmensen.
Verhaal halen bij omroepen en producenten had voor de schrijvers en regisseurs geen zin: zij hadden samen met de schatrijke kabelaars een kartel gevormd, RoDap genaamd, om zelf de voor schrijvers en regisseurs bestemde auteursrechten te beheren. Want u moet weten: omroepen en producenten in Nederland kunnen elk dubbeltje gebruiken, ook al is dat niet van hen.
Er zat niks anders op dan een gang naar de rechter, waar Stichting Lira, de rechtenorganisatie van de schrijvers, via een tijdrovende bodemprocedure om een grondige beoordeling van het geschil vroeg. Het kartel van producenten en commerciële en publieke omroepen steunde in deze procedure niet de schrijvers, op wiens werk zij leunen, maar de kabelaars, naar wiens zilverlingen ze smachten. Jammer voor hen, want de rechter gaf na twee jaar (!) procederen de schrijvers gelijk: de kabelaars maken inbreuk op de auteursrechten van scenarioschrijvers en moeten betalen voor het verhandelen van hun werken – en ook voor het jarenlang exploiteren van de dienst Uitzending Gemist.
Je zou denken dat deze partijen zich na zo’n terechtwijzing diep zouden gaan schamen en als de wiedeweerga aanbieden om de gederfde inkomsten van de schrijvers te compenseren. Niets is minder waar: de Nederlandse producenten hebben na overleg binnen het kartel meteen een brief aan hun achterban en de omroepen rondgestuurd met de instructie om het Nederlandse scenarioschrijvers onmogelijk te maken nog contracten te sluiten wanneer ze niet ogenblikkelijk afstand doen van hun rechten op een vergoeding voor kabelexploitatie. Ook dreigt RoDap bij individuele auteurs verhaal te halen wanneer Lira het vonnis ten uitvoer brengt. Een onvervalst staaltje machtsmisbruik.
Van de overheid hoeven Nederlandse scenarioschrijvers weinig te verwachten: de aangekondigde nieuwe auteurswet om de positie van makers te verbeteren is onder druk van het kartel zo uitgekleed dat die positie alleen maar slechter lijkt te worden. Misschien ook geen verrassing want de vanuit de overheid gefinancierde Publieke Omroep is immers deel van het RoDap-kartel en in ons koopmansland gaan de belangen van exploitanten altijd voor die van makers.
Elk land krijgt de films en dramaseries die het verdient. Het Nederlandse Filmfestival beloont en bekroont de sponsorgelden van UPC met een Gouden Kalf. De UPC-mannen en -vrouwen, die niets willen bijdragen aan de totstandkoming van diezelfde films waarvan zij een ‘fan’ zeggen te zijn, hebben hun smokings en galajurken al naar de stomerij gebracht om straks in Utrecht over de rode lopers te kunnen paraderen met hun gratis VIP-kaarten voor hun gratis champagne.
Hiermee heeft het Gouden Kalf weer zijn Bijbelse betekenis terug gekregen: die van beroving van het volk en valse afgoderij.
Robert Alberdingk Thijm scenarioschrijver en bestuurslid Stichting Lira
Met o.a. Meindert Talma, Jan Ketelaar, Sannemaj Betten, Dirk Geerding, Bennie Spekken en Tsead Bruinja
In de tuin van het Simke Kloostermanhûs wordt op zaterdagavond 20 september 2014 een voorstelling georganiseerd met landelijk bekende en jonge getalenteerde dichters, die banden hebben met Noordoost Friesland. De Jan Ritskes Poëzienacht is vooral een podium voor jong talent uit de regio Noordoost Friesland en in het bijzonder De Noardfryske Wâlden.
Elk van deze dichters is gevraagd een jong talent mee te nemen. De identiteit is voor organisatie en publiek nog een verrassing. De gasten wordt een kort optreden geboden en daarmee een podium om zich te presenteren. Daarnaast zijn er gastrollen zijn weggelegd voor het dichterscollectief De Ferswevers uit Drachten.
De muzikale omlijsting van de avond wordt verzorgd door de Friese folkband Dixie Doodle.
Beeld van Jan Ketelaar van wie onlangs de bundel 'Van een man die dacht / ik wil niet meer denken' verscheen. Tot en met 9 november is te Drachten in het Museum Dr8888 een tentoonstelling van zijn werk te zien.
‘Jouw gezicht is hét gezicht / is het gezicht dat mij ankert / en mij omploegt, beide.’ Zo eindigt ‘Portret’ van Dien de Boer. Het beeld trok een slanke vore door mijn ziel. Ik zat in de bus van station Hoorn naar Den Oever, onderweg naar de Boers bundelpresentatie in een verbouwde boerderij te Exmorra, waar ze met haar gezin woont.
De wolken waren des Ruysdaels boven Noord-Holland. Een meisje met een prachtig gezicht en grote hoepeloorbellen groette de buschaufeuse tot drie keer toe bij het uitstappen, een keer toen ze uitcheckte, een keer toen de deuren zich achter haar sloten en nog een keer terwijl de bus haar voorbijreed. Het was alsof de twee vrouwen elkaar al jaren kenden.
De Boer schrijft: “toen ik ’s morgens mijn zoon de droom / vertelde, zei hij: opschrijven / dan kan ik ’m ook dromen / net een boot die wordt overgedaan”.
Ik was in Den Helder overgestapt op de Q-liner en probeerde een beeld te vinden voor het IJsselmeer dat als een stalen plaat op de aarde leek te liggen, overwoog een foto te maken om naar mijn vrouw te whatsappen, die in haar Haarlemse volkstuin aan het werk was, maar bleef kijken. De horizon was een dun lijntje. Het water droeg dezelfde kleuren als de lucht.
Een groep racefietsers werd aan de achter- en voorkant begeleid door motorrijders met rode hesjes.
En ik las door in De Boers bundel Niet het moment maar het nagonzen, waarin een moeder van haar kinderen leert. Tijdens een wandeling ‘gooit’ een zoon ‘woord voor woord / naar alles.’ Hij gooit ‘voog! voog!’ naar een meeuw en ‘veer! veer!’ als hij wil hurken bij ‘bloem! bloem!’. ‘Aldoor houdt hij halt en verjaagt daarmee zijn moeders ‘vlug! vlug!’.
Ik had geen haast. Ik zat in de bus. Het IJsselmeer en de poëzie speelden met me.
Er was een tussenstop bij nieuwe vrienden in Pingjum. We spraken over Coltrane en hoe hij in zijn muziek soms met een leger vrienden dronken de hemel leek te bestormen. De echtgenoot smeerde een boterham in vier stukjes, legde er worst op, met op elk plakje wat mosterd.
Het waait hard in de buurt van Pingjum en Exmorra. Twee vrouwen roemden de voordelen van de elektrische fiets. De eerste vertelde hoe haar man na een feestje tegen de wind in moeite had haar bij te houden. De tweede sprak over hoe ze zich als Amsterdams meisje had voorgenomen nooit ergens te gaan wonen waar het altijd waaide. Van wind werd ze depressief. Deze week zullen ze lezen hoe ‘wanneer je ogen / de horizon afgrazen wonden geaaid’ worden en hoe door de wind ‘het waaien dan in je kan gaan liggen’.
Terwijl afgelopen zondag op het Museumplein in Amsterdam de Uitmarkt in volle gang was, liep ik met mijn vrouw en een bevriend stel uit Schotland het Stedelijk Museum binnen. De zon scheen. De geur van aangebrande biologische hamburgers hing in de lucht.
De laatste keer dat ik het museum bezocht, was tijdens de uitmarkt van 2003. Mijn toekomstige vrouw en ik waren net aan elkaar voorgesteld. Ze vond me een vervelend betwetertje. Toen ze me vertelde over haar interesse in de Zuid-Afrikaanse poëzie, was ik meteen begonnen over Charl-Pierre Naudé van wie ik een gedicht uit het Afrikaans naar het Fries had vertaald. Driekwart jaar later kon ze me gelukkig beter verdragen en zaten we te zoenen op een ijskoude stoep voor haar huis.
In het Stedelijk Museum opent morgen een tentoonstelling van de Zuid-Afrikaanse schilderes Marlene Dumas, waar nu alleen door een laag bubbeltjesplastic iets van te zien was. Mocht u daar een kijkje gaan nemen, vergeet dan niet even af te dalen naar de kelder van het museum waar werk uit de privécollectie van verzamelaars Martijn en Jeanette Sanders te bewonderen valt, onder de titel 'Bad Thoughts'.
Marlene Dumas, The Wall, 2009
Ik liep daar een donker kamertje binnen, waar een peertje aan het plafond kortstondig een tekst verlichtte. Het betrof een werk van de Schotse kunstenaar Douglas Gordon die volgens de beschrijving “gefascineerd is door de processen waarmee mensen proberen vat te krijgen op wat ze zien.” Ik kreeg vat op een schokkend beeld uit het nieuws dat eerder op mijn netvlies was gebrand: de onthoofding van journalist James Foley. Het hele filmpje heb ik nooit durven kijken, maar ik heb er wel over gelezen op de site van de Vrij Nederland. Jeroen Vullings omschrijft de moord op de journalist als volgt: “Hij trekt Foleys hoofd naar achteren, zet het mes op zijn keel en begint te snijden. Een vreemd geluid is te horen, het lijkt wel gemekker. Gelukkig blijft de rest van de afslachting ons bespaard.” Vullings sluit zijn beschouwing af met “laten we hopen dat James Foley op slag dood was.”
Ik hoop ook dat Foley op slag dood was, maar wie het donkere kamertje van Douglas Gordon binnenloopt, vraagt zich af of dat daadwerkelijk het geval was. In Gordons ’30 Seconds Text’ lezen we, terwijl het peertje 30 seconden lang brandt, over een Frans experiment uit 1905 waarbij een dokter met het afgehakte hoofd van een veroordeelde probeert te communiceren. Na enkele kortstondige stuiptrekkingen van oogleden en lippen, roept de dokter ‘Languille’, de naam van de overledene. Diens ogen openen zich langzaam en kijken hem een paar seconden aan, “not dull and empty”, maar “fully alive” en “indisputably looking at me.” Zo kijkt ook Foley’s gezicht (en inmiddels ook dat van zijn collega Steven Sotloff), zonder dat ik het naast zijn dode lichaam heb zien liggen, mij nog steeds aan.
Hele horden studenten nemen deze maand hun intrek in hun eerste kamer. Mijn kamergeschiedenis begon twintig jaar geleden en eindigde in 2003.Met een VWO-diploma op zak toog ik in 1994 naar Groningen om Engels te gaan studeren. In een kamertje van drie bij drie timmerde mijn vader een hoogslaper, met daaronder ruimte voor m’n bureau. Er was een gemeenschappelijke woonkamer, waar veel bami met satésaus werd gekookt, Beavis & Butthead werd gekeken en bier werd gedronken. De lege kratten brachten we niet terug naar de supermarkt, maar stapelden we op zodat ze als geïmproviseerde tafelpoten onder een oude kastdeur konden dienen. De betreffende jaren zeventig flat is ondertussen tegen de vlakte. De buitenwijk is er niet minder troosteloos op geworden.
Ik promoveerde uiteindelijk naar een grote kamer aan het spoor vlakbij het station, waar je ’s nachts in bed de goederentreinen langs voelde denderen. Vele liefdes passeerden mijn bed, maar bleken allemaal op doorreis, meestal door mijn eigen toedoen. Ik moest weg van die vrouwen en uit Groningen vandaan. Ik moest en zou naar Amsterdam.
Mijn verhuiswens bleek niet eenvoudig te vervullen. Ik moest genoegen nemen met een kamer in Diemen, een soort buitenwijk van Amsterdam. De huisbaas was een bankmedewerker van begin dertig, die met moeite vrienden maakte en weinig succes had bij de vrouwen. Wie intrek nam in een van de kleine kamertjes in zijn huis, diende dan ook zijn nieuwe boezemvriend te worden of met hem het bed te delen. Maandenlang lag er een rondborstig blondje uit Groningen in zijn bed aan wie hij de bezette kamer naast de mijne beloofd had. Trots vertelde hij dat de aspirant-medebewoonster haar lichaam wel eens aan mannen had aangeboden voor geld.
De huisbaas die mijn vriend wilde worden, bleek een pathologische leugenaar. Voor iemand die bij een bank werkt, zal dat misschien een handige eigenschap zijn, onze vriendschap kwam het niet ten goede. Zijn grootste leugen had betrekking op de oude Italiaanse vader die er soms een weekje zou zijn. De beste man was er het hele jaar door, zeurde voortdurend over zijn zoon, die hij maar een loser vond, en liet de hele dag het gas aan staan. Als een bezetene zocht ik naar weer een nieuwe woonplek.
Die plek vond ik in de vorm van een omgebouwd berghok op een zolder in Amsterdam-West. Voor vijfhonderd euro per maand mocht ik mijn intrek nemen in het hokje zonder verwarming, maar met geiser en bad. Als ik destijds bij het afwassen of douchen echter geen raam open had gedaan, was deze jonge Friese dichter aan een koolstofmonoxidevergiftiging overleden. Het waren avontuurlijke jaren. Ik speelde onhandig met de liefde en mijn leven. Ik ben blij dat ik nu mijn eigen veilige huis heb om bami in te eten.
Deze column verscheen op 29-8-2014 in de Leeuwarder Courant – http://www.lc.nl/
Er is weinig mooiers dan een vriend te zien slagen. En dat gebeurde afgelopen dinsdag in het Eye filminstituut te Amsterdam waar Pim Zwier zijn documentaire ‘Never a dull moment’ ten doop hield. Het hartelijke applaus dat Zwier ten deel viel, deed me denken aan hoe het moet voelen als je favoriete sportclub wint. U moet begrijpen dat ik niet zo’n talent voor juichen heb op dat gebied.
‘Never a dull moment’ gaat over de Joodse avonturier, fotograaf en journalist Sam Waagenaar (1908-1997). Door middel van de indringende foto’s die Waagenaar maakte tijdens reizen door het Amerika van de jaren dertig, het kapotgeschoten Europa van vlak na de Tweede Wereldoorlog en het Azië van de jaren veertig en vijftig krijgen we een goed beeld van hoe de wereld er toen uitzag.
Daarnaast maakt Zwier gebruik van de ongepubliceerde autobiografie van Waagenaar, waar hij fragmenten uit laat voordragen. We horen acteur Hans Dagelet spreken over Waagenaars eerste succes in de jaren twintig, toen hij razendsnel een half miljoen folders wist te verspreiden door Amsterdam voor de spektakelfilm ‘Ben Hur’, een klus die hem later een eigenaardig baantje zou opleveren in Hollywood.
Maar met alleen een voice-over en foto’s kun je geen documentaire maken. Zwier en zijn team zochten daarom over de hele wereld naar filmmateriaal passend bij de periodes en locaties van de foto’s. Terwijl je in het begin regelmatig naar filmpjes kijkt die niet door Waagenaar gemaakt zijn en waar hij zelf niet in voorkomt, heb je door de nauwkeurige selectie geen moment het idee dat je naar verschillende dingen zit te kijken.
Het dramatische hoogtepunt van de documentaire is de periode van de Tweede Wereldoorlog. Terwijl Waagenaar in Hollywoodfilms de rol van nazi speelt om aan de kost te komen, worden zijn Amsterdamse ouders in Auschwitz vernietigd. Waagenaar wil dan al lang het echte leger in, maar de Amerikanen weigeren hem keer op keer, tot het hem lukt als oorlogsfotograaf mee te gaan.
Wanneer Pim Zwier in een stil kamertje te Washington archiefbanden van de invasie in Normandië bekijkt, herkent hij beelden die hij in Nederland als foto heeft gezien. Hij springt een gat in de lucht als hij tussen de uitbundige pas bevrijde Parijzenaren Waagenaar in uniform op een terras ziet zitten, waar volgens de voice-over de kogels hem later die dag weer om de oren floten.
Er valt veel meer te vertellen over deze veelzijdige man, bijvoorbeeld over het fotodagboek van Mata Hari dat hij in handen gedrukt krijgt door haar huishoudster of de drieweekse spionnenopleiding die hij in Canada volgde. Maar u moet het zelf maar gaan bekijken in de bioscoop of op televisie in november. Ondertussen juich ik nog even stil door voor mijn vriend Pim Zwier en de schitterende documentaire die hij maakte.
Bryk en twaspjaltich ha ik songen – Oer Fallend Ljocht fan Eppie Dam
Yn 1872 skreau in Amerikaanske húsarts oer rare bewegings dy’t syn pasjinten makken. De siiken liken bytiden dûnsers en dus neamde Huntington de oandwaning ‘Chorea’. Dy dûns, dy’t letter nei har ûntdekker ferneamd waard, is him no meester oan it meitsjen fan de dichter Eppie Dam. Dam hat de dûns oannaam, mar net sûnder syn partner noch in pear nije paskes te learen, nammentlik dy fan syn lichthumoristyske, mankelike en sykjende poëzij.
Earder skreau Dam prachtige bondels oer syn heit en mem. De dea wie noait fier fuort en leafde en akseptaasje net altyd like fanselssprekkend. Boppedat mocht Dam graach ris omslaan yn de omkriten fan de Kollummerpomp fan syn bernejierren. No stiet de takomst foar de doar en dy takomst belooft net folle goeds foar in man dy’t it faak mei de kop dwaan moat.
Ik wist wêr’t it hinne gie en wa’t ik tsjinkomme soe: De Skim, dy’t earder – as koe ik him – syn liepe ferskining yn ’t genyp al oankundige hie, hjir no, as in skjirsliper dy’t bleau, foar de doar stie, himsels ferwolkomme en affisjearde as hear.
In moai byld hat Dam hjir keazen foar de ûnwolkomme gast, dy’t der letter foar soargje sil dat er ‘oan wurden gjin byt krije kin’. Dat dy ‘hear H.’ him de leien út ’e hannen nimme sil, fynt de dichter net it slimste. Hy is benauder dat ‘de kop plamuerde ideeën / yn pleats fan abstraksje de romte’ jaan sil.
Gelokkich hat Dams dûnspartner noch net de lieding. Foar abstraksje en twivel is yn dizze bondel rûm plak, byglyks yn it manjefike fers ‘Slotgebed’ wêryn’t Dam de lange relaasje mei syn god ûndersiket. Hy hat him ‘leafhân sa’t in bern dat kin, / mei losse hannen’ en hy hat ‘ôfstân nommen’ ‘as dichter hast jo tsjinpartij’. Dochs is it úteinlik oan ‘Him’ om ‘út te lizzen’ ‘oft Dam ‘hillige’ of ‘heiden’ is, ‘miskien beide.’ De toan fan dit grutte petear is folwoeksen. It wurdt nea weak of ûnderdienich, mar it fers hie om my einigje mochten mei de twa foarlêste rigels ‘bryk en twaspjaltich / ha ik songen sa’t ik rûn.’ ‘Mar neam it net wanstaltich’ wêr’t it fers no mei beslút, wurdt my te folle diktearre troch it rym mei ‘twaspjaltich’. It set in te dikke punt.
Fierders gjin klachten. At de skjirsliper Huntington al wat slipe hat dan binne it de sykjende wurden fan Dam, dy’t er wûnderlik knap yn `e stringen hâldt.