• Faust
    Édouard de Reszke als Mephistopheles in Gounod's opera Faust (rond 1880)

    lintwaarde

    als je denkt dat je wonder de mensen in de stad vannacht zal tegenvallen
    moet je de stad ingaan met geld voor het wonder van een ander

    spreeuwen die van de kale takken van de populier pauwenveren maken
    een zwerm ogen die opvliegt en terugvalt
    t’rug-t’rug de boom in
    vuurhoofdpasseer

    als iemand tegen je zegt dat liefde weinig meer is
    dan een verzameling afspraken tussen twee narcisten

    dat er niets meetbaars overblijft van dat beschuitje
    moet je op zoek naar een andere baard
    langer naar de populier kijken

    wat de dirigent doet wordt hoorbaar in het orkest zucht enquist
    wat je de dirigent ziet doen is ‘t topske van de ijsberg 

    het resultaat van vlijt en ijver is soms een geslaagd poëziefestival  
    rond ’t thema spreeuwen die van een populier een doorzichtige pluisjestrui maken
    soms een rivier van bloed

    krijgen wij de muziek die we verdienen vraag ik me af
    onze beulen de kijkcijfers waar we recht op hebben

    welke advertentie past bij een onthoofding
    welk overlijdensbericht

    en is christopher nolan echt een flapdrol zoals max urai beweert
    zijn mijn onderste hersentjes al toe aan een nieuwe kapper
    wappert in café het geboende hartje
    de juiste halfstokvlag halfstok

    wendy roep jij de ecocorrectie uit
    voordat ik het doe

    maarten als je denkt dat je vannacht in een stad een lomp wonder kunt verrichten
    zal ik dan de stad ingaan met mindergeld?


    © Tsead Bruinja

    Dit gedicht werd in opdracht geschreven voor het Leeuwarder festival Explore The North van afgelopen weekend. 3 kunstenaars werden gevraagd zich te laten inspireren door het verhaal van Faustus die de Friese hoofdstad bezoekt:

    Satansvriend dokter Faustus stapt in Leeuwarden op het Noordelijk Stadseinde uit de trekschuit van Dokkum en loopt de Voorstreek op. Hij komt in de Amelandsstraat en hier wonen vele gildeleden en laat zijn baard scheren bij een barbier. De baard blijkt steeds opnieuw aan te groeien en de barbier wordt bang, maar houdt zichzelf voor dat het gezichtsbedrog is. De leerjongen kookt sop in de schouw om de messen te slijpen en draait de zandloper om, zijn meester is al een half uur aan het scheren. De klant wordt ongeduldig en pakt zijn hoofd van zijn romp en begint zelf de baard te scheren. Na een paar minuten is hij klaar en het hoofd staat plotseling weer op de romp. De klant geeft toch een gouden dukaat aan de barbier en vertrekt…

    Lees vooral ook de rest op http://nl.wikipedia.org/wiki/Faustus_te_Leeuwarden

    20141204_112245

  • Wij beoordelen elkaar op hoe wij genieten. Als ik iemand een heel concert lang als een idioot zie staan meeschreeuwen, voel ik niet de aandrang om hem beter te leren kennen. Als iemand meer bezig is met zijn alcoholinname en het bespreken van de dagelijkse besognes dan met een hartverscheurende gitaarsolo, hoef ik hem niet als vriend. Maar als iemand zich durft te laten meeslepen, gelooft in de magie van de vervoering en tegelijkertijd niet bang is om te onderzoeken waardoor hij nu eigenlijk in vervoering raakt, word ik geïnteresseerd.

    Dat gebeurde toen ik classicus en dichter Piet Gebrandy bij het radioprogramma Nooit Meer Slapen hoorde. Hij was er te gast vanwege de essaybundel De jacht op het sublieme, waarin hij niet alleen zijn bewondering voor dichters en denkers uit heden en verleden onderzoekt, maar het ook heeft over de complexiteit van de liefde:

    …hoe we haar moeten definiëren weten we niet. Zeker, er zijn simplisten als Dick Swaab die, in de veronderstelling dat wij ons brein zijn, ook liefde aan neuraal vuurwerk zullen toeschrijven, maar zelfs de compleetste opsomming van fysieke factoren zal nooit kunnen uitdrukken wat het betekent verliefd te zijn of van iemand te houden.

     

    Ook het lezen van een gedicht is voor Gerbrandy een fysieke en complexe ervaring. Hij stelt zich een spreker voor en laat die weerklinken in zijn hoofd. Dat contact zoeken met de stem van de dichter lijkt misschien een futiele bezigheid, maar hoe vaak is het najagen van de liefde dat ook niet?

    Zondag sprak ik met mijn zwager Bert over het toekomstige liefdespad van mijn twaalfjarige neefje. Ik zei dat de blauwtjes die ik heb gelopen niet op twee handen te tellen zijn. Waarna Bert vertelde dat hij voor mijn zus geen enekele andere vrouw had bemind. Hij wist van jongs af hoe hij “het wilde” en zo had hij het gekregen. Als wanhopige zestienjarige had ik vast graag met iemand als Bert willen ruilen; de veertigjarige Tsead kijkt echter met een gevoel van trots terug op al zijn mislukkingen.

    Als ik De jacht op het sublieme lees, krijg ik niet accuut zin weer een blauwtje te lopen, maar wel om opnieuw verliefd te worden op een gedicht en me in een oeuvre onder te dompelen. Gerbrandy laat zien wat voor beloning er wacht wanneer je het hele werk van een schijnbaar ontoegankelijk dichter als Kees Ouwens “in je laat weerklinken” en met hem meezoekt langs “monotheïsme, polytheïsme en vaag pantheïsme” om voorbij de “duisternis, heel even het verblindend licht” te ervaren van een Zeeuwse zonsondergang: “de scheldemond, breskens’ / haven, het westelijk zonlicht aan scherven, schitterend / gebroken // op vlissingens rede // en van een lieflijkheid die wij niet bereiken kunnen.”

    Het woord moet door de mond naar binnen.

    Piet1

    • Auteur: Piet Gerbrandy
    • Aantal pagina's: 288
    • Uitvoering: Paperback
    • Prijs: €29,90


    Deze column verscheen op 28 november 2014 in de Leeuwarder Courant - http://www.lc.nl/

  •  

    nu dan de nederlaag geleden is

    xu lizhi liep langs het spoor
    tot hij bij de stad
    tot hij bij de lopende band
    tot hij bij de plek aankwam
    waar hij zijn jeugd en lichaam inruilde
    voor een stofsmogstofhoest
    en een leven dat hem koud liet
    beide propte hij in een schandalig gedicht dat op een website staat
    lieplangs het spoor

    xu lizhi leek volgens de dorpsoudsten
    op zijn grootvader bamboestok
    die van het oplossen van raadsels hield
    duivelse japanners hebbben hem levend verbrand
    snippers 1943 su-hu-lingers

    xu lizhi dunne klerenhanger
    volgens de dorpsoudsten liep hij langs het spoor
    tot hij bij zijn stad aankwam waar zelfs de machines in slaap sukkelen
    de ma’ahn van ijzer is
            een vierkante kamer
    be-at hij besliep hij bescheet hij bedacht hij
    beschreef xu zonder zon
    en ging maar niet dood loonstrook
    als hij een raam opent
    verschuift hij het deksel van een kist
    loonstrook
    xu lizhi liepin zijn laatste schandalige gedicht loonstrook
    zegt ‘ie dat ‘ie nog een keer de oceaan wil zien
    een  berg wil beklimmen
    dat hij zijn verloren ziel terug zou willen roepen intercom
    maar dat hem het niet lukt
    intercom
    dat we niet rouwig hoeven te zijn
    het was prima toen hij kwam intercom het was prima toen hij ging
    prima de xu lizhi nam stappen
    toen hij niet door de bibliotheek werd aangenomen
    kloonstrook intercom  spoor

    nu is er een xu en een dichter aan de wereld ontsnapt
    die van zijn raam een deur makte
    van de straat z’n gr’f

    en ik lig er nog niet wakker van 6.0

    Web: https://libcom.org/blog/xulizhi-foxconn-suicide-poetry

    Fc

    Volgende week zaterdag treed ik op tijdens het Herman Gorter Festival te Balk samen met Ingmar Heytze, Hein Jaap Hilarides en Gerrit Breteler. Voor dat festival en naar aanleiding van het nieuwsbericht over en de gedichten van Xu Lizhi schreef ik dit gedicht, dat daarnaast geïnspireerd werd door de volgende tekst van Gorter:

    Fg

     

    Nu dan de nederlaag geleden is,
    En d’arbeiders teruggestoten zijn
    In der tirannie donkre duisternis,
    Nu wil ik zingen, zacht en hel en fijn,

    Hoe zij herstijgen uit bekommernis
    Weder naar der lichts goudenen zonneschijn
    Want mijn hart leeft hun leven. En ’t is wis
    Dat zij herstijgen zullen, sterk en rein.

    Zij zullen weder opvliegen ten hemel
    Van uit der slavernij diep donkre poel,
    Zij zullen zich verovren het gewemel

    Der aarde. Nu voor goed. Het Hoge Doel.
    Dit wil ik zingen in een gouden schijn.
    In nederlaag wil ik hun dichter zijn.

     

    Herman Gorter
    uit De Arbeidersraad

    Scannen0004_1

  • Sommige mensen slapen met de televisie aan. Ik hield er jaren geleden van om ’s middags Oprah Winfrey aan te zetten op RTL4. Vrouwenzaken hadden blijkbaar een kalmerende werking op mij. De dutsjes waren heerlijk en, in de tijd dat ik mijn ogen en oren open kon houden, leerde ik ook nog iets over de problemen van het andere geslacht. Wellicht werd ik er zelfs een begripvollere en zorgzamere echtgenoot van.

    Koen Frijns, een van mijn studenten Creative Writing, slaapt ’s nachts vaak met de stereo aan, wat niet makkelijk moet zijn voor zijn vriendin. Hij maakt playlists om de nacht door te komen, zodat hij niet de hele tijd wakker wordt gehouden door de continue piep in zijn oor. Koen heeft last van tinnitus.

    Tumblr_n33kps4GRB1tutbx9o1_1280

    Onder de titel ‘De parkieten kwetteren harder’ maakte hij een voorstelling over zijn aandoening. Ik mocht hem begeleiden. Bijna een jaar lang sprak hij met familieleden, een ex-vriendin en zorgverleners over zijn ziekte en hield er een blog over bij.

    Parkiet

    Op dat blog publiceerde Koen een interview met zijn opa, die aan hetzelfde euvel lijdt. Michaël Frijns maakte geen playlist tegen het gepiep, maar goot aftershave in zijn neus waardoor het geluid ‘een beetje verdoofd werd’. Daarna had hij last van tinnitus en een loopneus.

    Die tinnitus begon voor Frijns, die volgens zijn kleinzoon “elke steen van zijn Limburgse huis in handen heeft gehad”, tijdens een bootreis naar Noorwegen. Na afloop van zwaar noodweer dat hij met zijn vrouw op het dek bewonderde, nestelde een eeuwige toon zich in zijn oren.

    Deze korte anekdote werd door Koen meesterlijk omgezet in drama. Hij maakte van zijn opa een drenkeling: “Ze gooiden touwen, reddingsvesten, / schreeuwden zijn naam, probeerden hem te grijpen, / maar niks kon hem uit het water krijgen. / Mijn oma, zo klein en zachtmoedig, / zwom voorzichtig naar hem toe. / Ze duwde zijn hoofd boven water / en fluisterde: / 'Mick, kom naar boven', / en trok hem aan zijn kraag / naar de oever.” Het is de uitgebreide vertaling van de kernachtige opmerking “gelukkig had ik Annie nog en de kinderen” uit het eerdergenoemde interview.

    Ik heb regelmatig terneergeslagen in de trein naar huis gezeten na afloop van een workshop poëzie op een middelbare school. Door een gebrekkig talent voor ordehouden en de geringe interesse bij zowel leerlingen als docenten voor mijn workshop, vroeg ik me dan af waar ik in godsnaam mee bezig was en of ik niet gebakken lucht had staan verkopen.

    Studenten als Koen Frijns hebben korte metten gemaakt met die twijfel. Hij heeft mij en zijn medestudenten laten voelen en horen wat tinnitus is en hoe je die kan overwinnen door de liefde van een vrouw en het vormgeven van je verhaal.

     

    De hele voorstelling van Koen Frijns staat op Youtube en is via bovenstaande link te bekijken op deze pagina of via deze link http://youtu.be/OnAECJuWla8 op Youtube zelf.

     Deze column werd geschreven voor de Leeuwarder Courant - http://www.lc.nl/

  • Hieronder is de Friese vertaling te lezen van David Huerta's gedicht 'Ayotzinapa' over de ontvoerde en vermoorde studenten in Mexico. Het origineel, de Nederlandse, de Engelse en nog veel meer vertalingen zijn te lezen op de website Asymptote Journal http://www.asymptotejournal.com/blog/2014/11/18/say-ayotzinapa/

    5

    AYOTZINAPA

    Wy bite it skaad
    En yn it skaad
    Ferskine de deaden
    As kearsen en fruit
    As bekers bloed
    As stiennen út ’e djipten
    As twiigen en spruten
    Fan swiete terms

    De deaden ha hannen
    Dompele yn lijen
    En hollen bûgd
    Yn it hinnekleed fan ’e wyn
    De deaden drage yn harren
    In net te sêdzjen pine mei

    Dit is it lân fan massagrêven
    Achte dames en hearen
    Dit is it lân fan it razen
    It lân fan de bern yn flammen
    It lân fan tramtearre froulju
    It lân dat juster noch mar krekt bestie
    Dêr’t we net fan witte wêr’t it keard is

    Wy binne it paad bjuster rekke
    Us longen fol ferdomd swevel
    En ferneatigjend fjoer
    Wy steane mei ús eagen iepen
    En yn dy eagen in see
    Fan puntich glês

    Wy besykje
    Us libbene hannen út te stekken
    Nei dy’t ferdwûn binne en de deaden
    Mar se driuwe fuort fan ús ferlitte ús
    Mei in gebear fan einleaze ôfstân

    De bôle ferbaarnt
    De antlitten fan it libben ôfskuord baarne
    En der binne gjin hannen
    Noch binne der antlitten
    Noch binne der lannen

    Der is allinnich in triljen
    Fol fan triennen
    In lang razen
    Wêryn’t wy de deaden
    en de libbenen
    betiisd binne

    Wa’t dit ek lêst moat witte
    Dat it yn in see fan reek smiten is
    Oer de stêden
    As in teken fan de brutsen geast

    Wa’t dit ek lêst moat fierder witte
    Dat nettsjinsteande alles
    De deaden net ôfset binne
    Of weiwurde kinne

    Dat it magyske fan de deaden
    Yn de dage en de leppel is
    Yn ús fuotten en ús maisfjilden
    Yn ús tekingen en yn ’e rivier

    Lit ús oan dy magy
    It timpere silver
    Fan in koeltsje skinke

    Lit ús oan de deaden
    En ús jongferstoarnen
    De bôle fan ’e himel skinke
    It tsjêf fan it wetter
    De skientme fan al it fertriet
    De rjemme fan ús ferdommenis
    De ferjitnis fan ’e wrâld
    En it skeinde ûnthâld
    Fan eltsenien dy’t libbet

    No is it better stil te wêzen
    Bruorren en susters
    En ús hannen en geasten te iepenjen
    Sadat we fan de ferflokte grûn
    De ferskuorde herten oppakke kinne
    Fan alle minsken dy’t besteane
    En alle minsken dy’t
    Bestien ha

     

    David Huerta
    Oersetting Tsead Bruinja

     

  • Om in India en Nicaragua, waar ik binnenkort ga voorlezen, buiktyfus en malaria te voorkomen, moest ik dinsdagochtend naar de GGD.  Het wordt mijn eerste reis naar India, waar je hondsdolheid op schijnt te kunnen lopen (geen aapjes aaien!). In Nicaragua was ik vijf jaar geleden al eens voor het Festival internacional de Poesía de Granada.

    R

    Dankzij de superheldenstatus van enkele lokale dichters komer er zo’n tweeduizend man naar de poëzieavonden. Ernesto Cardenal, oude dichter, politicus en katholiek priester, wordt gezien als grote revolutionair. Kinderen staan te dringen om zijn handtekening of een foto, terwijl de buitenlandse dichters de op eikenhout gerijpte rum savoureren en na afloop manmoedig de stijve heupjes proberen los te schudden op de dansvloer.

    Het had niet veel gescheeld of ik had na mijn eerste bezoek aan Nicaragua met mijn stijve heupjes de andere ingang van de GGD moeten kiezen: de SOA afdeling. Dat was niet vanwege mijn amoureuze plannen, maar vanwege de vriendelijkheid van een Italiaanse collega.

    2

    Lello Voce, rasperformer en groot genieter, wist dat ik ook wiet rookte en had op het marktplein wat weten te regelen. Hij liep me ’s ochtends vrolijker dan gewoonlijk tegemoet, gaf mij een hand en zei dat ik die hand, waarin hij een zakje had gedeponeerd, maar snel in mijn broekzak moest steken.

    Die dag werden de dichters naar verschillende steden gestuurd om voor te dragen. Voce vertrok naar een andere locatie dan ik, ongetwijfeld met eeen gezonde voorraad rookwaar. In de bus kreeg ik te horen waar wij heen zouden vertrekken en dat we feestelijk opgevangen zouden worden op het plaatselijke politieburo.

    Het angstzweet brak mij uit. In geen velden of wegen waren prullenbakken te bekennen en ik moest dat zakje kwijt. Ik besloot het toilet te bezoeken en te proberen het zakje door te spoelen, maar het bleef drijven, dus plukte ik het er uit, spoelde het af en ging ermee terug naar de ontvangstruimte waar el commandante ons welkom zou heten.

    Tijdens zijn speech kregen we een bekertje ranja en in dat bekertje schuilde mijn redding. Ik klokte de ranja naar binnen, plaatste de beplaste wiet in het bekertje en wilde het geheel in de prullenbak onder het andere afval verstoppen. Dat afwal was er niet. Het bekertje viel in een maagdelijk lege emmer. Waar kwam die ene dichter ook alweer vandaan? Amsterdam?

    3

    De laatste dagen van mijn verblijf verwachtte ik elk moment opgepakt te worden om de volgende dertig jaar de zeep op te moeten rapen in de Nicaraguaanse gevangenisdouche, terwijl ik werd bestegen door de head honcho van de bak. Gelukkig is het zakje ongerookt op de vuilnisbelt beland of heeft een schoonmaker er een mooie avond mee beleeft, waardoor ik in het vliegtuig terug naar huis eindelijk weer opgelucht kon ademhalen. 

  • “Wat is het meest schokkende nieuws dat je in je leven gehoord hebt?” vroeg mijn buurvrouw me tijdens de koffie afgelopen zondagmorgen. Voor haar was het de moord op Theo van Gogh geweest.

    Voordat ik kon kiezen welk nieuws mij het meest geraakt had, werd ik in gedachten teruggebracht naar 2 november 2004. Ik woonde amper een jaar in Amsterdam-West. Mijn geliefde was op de fiets naar haar werk vertrokken en ik zat achter de computer met het journaal aan.

    Ik herkende de Linaeusstraat, waar het levenloze lichaam van de regisseur lag. Ik was er een paar keer doorheengefietst op weg naar vrienden. Als ik nog in Groningen had gewoond, had het misschien verder van me afgestaan, maar nu was het in de buurt. Misschien dat ik juist daardoor me vaak heb afgevraagd wat ik zou hebben gedaan als ik erbij was geweest. Mijn hersenen hebben een overdreven grote afdeling nutteloze reddingsfantasieën.

    5183e4ffb3fc4b4d52000013_one-world-trade-center-will-soon-top-out-at-1-776-feet_2-1000x708

    Maar of deze moord voor mij de meest schokkende gebeurtenis was? De moord op Pim Fortuyn en de aanslag op de Twin Towers flitsten voorbij. Terwijl de brandweermannen het World Trade center inrenden, liep ik het Harmoniecomplex van de Rijksuniversiteit Groningen binnen om een essay over Faulkner in te leveren. Naast de balie van de portier was een karretje met een tv neergezet. Ik vroeg wat er gebeurd was, keek even en liep de trap op richting het postvakje van mijn docenten Engelse Taal- en Letterkunde. Het zou me pas later echt raken.

    De wrede actie van de jihadisten verbaasde me in eerste instantie niet, doordat ik met de Iraakse dichter Mowaffk Al-Sawad veel gesproken had over de dubbele agenda van het westen ten opzichte van de rest van de wereld. Mowaffk had zich in 1991 vlak na de Eerste Golfoorlog aangesloten bij de opstand tegen Sadam Hoessein in de Zuidelijke havenstad Basra. Hij en zijn vrienden smeekten de Amerikanen om wapens, terwijl de Republikeinse garde van Hoessein jacht op hen maakte. Maar Bush sr. had na de bevrijding van Koewiet besloten de strijd te staken. Zijn mannen boden de jonge verzetstrijders geen geweren, maar een dubieuze vluchtroute aan. De opstandelingen werden naar geheime gevangeniskampen in Saoedi-Arabië vervoerd, waar hen alle contact met de buitenwereld werd ontzegd. Na drie jaar wist een man te ontsnappen. Hij belde de BBC world service en zorgde er daarmee voor dat de kampen werden ontmanteld. Mowaffk belandde in Nederland.

    Het meest schokkende dat ik mij herinner zag ik niet op tv. Het waren de tranen in de ogen van mijn vriend Mowaffk op 19 maart 2003 toen Bagdad in lichterlaaie werd gezet. Hij huilde de hele taxireis van Groningen naar de studio van Barend en Van Dorp in Almere. Ik heb nog nooit iemand zo lang en zo terecht zien huilen.

    Fe252103f52bb3eb8a3ff2326d72bd0b

    Mowaffk schreef brieven tijdens zijn gevangenschap. Die zijn te lezen in Stemmen onder de zon dat verscheen bij Uitgeverij Passage.

    http://www.uitgeverijpassage.nl

    Recensie op Meander: http://eerder.meandermagazine.net/

    In 2013 publiceerde Mowaffk Al-Sawad twee nieuwe gedichten op de website van de Revisor. Die zijn hier te lezen.

     

    Voordracht uit de bundel Een middag wit als melk (Bornmeer)

     

  • Tot voor kort moest ik het doen zonder een Stijn Frantzen in mijn leven. Totdat ik plaats mocht nemen in de jury van Het Andere Gedicht, een wedstrijd voor dichters met een verstandelijke handicap, georganiseerd door Special Arts te Amersfoort. Samen met onder andere oud-kamervoorzitter Jeltje van Nieuwenhoven en Dichteres des Vaderlands Anne Vegter beoordeelde ik de inzendingen van Frantzen en zijn collega’s.

    Frantzen kreeg de eerste eervolle vermelding voor het geniale miniatuurtje ‘Pen’, dat ik hier volledig citeer: “Stijn Frantzen / is met zijn pen aan het dansen / op het papier / daarom heeft hij plezier / de pen van Stijn Frantzen / danst graag op het papier.”

    1505012_800534753327359_565767333471687863_n

    Wij genoten ook van een nuttig gedicht van Frantzens voornaamgenoot Stijn Zeelenberg die in ‘Het drinken van thee’ bij de Blokker wel een theekopje, maar geen gebruiksaanwijzing voor het drinken van thee kan vinden. Hij bedenkt er zelf maar een: “Houd het kopje met 2 vingers vast bij de oortjes / (met de duim naar boven) / Blaas 1 beetje om het te laten afkoelen / Breng de beker in 1 hoek van 60 graden naar de mond / Houd de lippen uit elkaar / en giet de thee naar binnen toe.” Dat is nu eens poëzie waar je iets aan hebt!

    Img_2813
    Trotse theedrinker Stijn Zeelenberg met de prijs terug bij de dagbesteding de Amerpoort.

    Met het verstand zat het dus wel snor bij deze dichters en met het begrip ook. Lea de Kok liet zien dat je mensen soms maar beter in de waan kunt laten, zeker als het een mooie waan is. In haar gedicht ‘De vrolijke bloemen’ vertelt ze over een oma die volhoudt dat de nepbloem in haar tuin echt is: “Volgens Oma groeide hij zo mooi in de tuin.” De Kok sluit af met: “Ik dacht er heel anders over / maar Oma niet / Wij hebben het zo gelaten / wij dachten anders, dan Oma.”

    Wat deze dichters zelf precies mankeert, blijft in het midden. Er wordt niet geklaagd. Als er al een aandoening ter sprake komt, wordt die meteen gerelativeerd. Celine Puttens zegt bijvoorbeeld “het kan altijd erger”, nadat ze bekent heeft soms gek te worden van haar handicap.

    Tevredenheid is een groot goed voor de deelnemers aan Het Andere Gedicht. Nadine van Lent verwoordde die tevredenheid het sterkst: “God heeft mensen / op de aarde gebracht / ik vind dat god / dat goed heeft gedaan / anders waren wij hier niet // mijn moeder heeft besloten / om mij op de aarde te zetten / ik vind dat mijn moeder / dat goed heeft gedaan / anders was ik hier niet.”

    Vele speciale moeders en verzorgers hebben hun werk goed gedaan. Ik ben hen en hun kinderen dankbaar. Ze lieten mijn hart en mijn pen weer dansen.

     
    Freek de Jonge en Lenny Kuhr gaven geweldige optredens. Kuhr schreef een nummer geïnspireerd door de gedichten van de winnaars, maar dat is helaas nog niet online te vinden, vandaar hier een nummer dat ze schreef naar aanleiding van een gesprek met haar kleindochter die in Israël woont.

    Affiche Het Andere Gedicht HR

  • Twee à drie keer per jaar bieden koning Willem-Alexander en koningin Maxima een uitblinkerslunch aan op Paleis Noordeinde. In aanmerking komen Nederlanders die een bijzondere prestatie hebben geleverd op het gebied van sport, cultuur, journalistiek, zorg, vrijwilligerswerk of bedrijfsleven. Ik zie bijna voor me hoe de leden van motorclub No Surrender, die op dit moment in Kobane vrijwillig ISIS strijders aan gort schieten, hongerig mogen aanschuiven naast Epke en consorten. De mannen zullen van alles op hun kerfstok hebben, maar van mij zouden ze er zo bij kunnen.

    Uin

    Maarten van der Graaff, de jonge dichter die dit jaar de C. Buddingh’-Prijs won voor het beste poëziedebuut, sloeg zijn uitnodiging voor deze royale lunch af door middel van het publiceren van een gedicht in de NRC. In dat gedicht haalt hij instemmend de regels aan van collega Tonnus Oosterhoff, die in Leegte lacht over Prinses Beatrix zou hebben geschreven “de koningin is een steenrijk wijf, dat afstamt van roofridders.” Dat Oosterhoff ook ooit een gedicht leverde voor de bloemlezing Ja, ik wil, een bundel die werd aangeboden aan Willem-Alexander en Maxima bij hun huwelijk, wordt voor het gemak even buiten beschouwing gelaten.

     
    Anton de Goede sprak Van der Graaff voor Nooit Meer Slapen (Radio 1)

    Van der Graaff, die volgens de jury van deC.  Buddingh’-Prijs “door middel van elliptische zinnen en associatief taalgebruik zijn hoofd binnenstebuiten keert”,  heeft bij de majesteiten net als Oosterhoff niet al te fijne associaties. Als hij aan hen denkt, doemt er voor hem “een vaal Eftelingenland op, waar het ruikt naar rottend blad / en mijn vrienden holtes hebben, / waar eerst ogen zaten.” Verder blijft Van der Graaff hoffelijk. Hij maakt bezwaar tegen de geërfde positie van de Koning, maar zou met alle plezier de deur van zijn Utrechtse bovenwoning voor hem openen, als de Oranjes simpelweg afstand zouden doen van de kroon.

    Als onbelezen heiden las ik over de bijbelverwijzing aan het eind van het gedicht heen. “Alle dingen zijn gereed,” zegt Van der Graaff, waarin dichteres Maria van Daalen een regel uit Mattheüs 22:1-46, ‘Gelijkenis van de koninklijke bruiloft’, herkende.

    Dankbaar begon ik te lezen over hoe Jezus zijn discipelen vergelijkt met dienstknechten die namens God de mensheid uitnodigen voor een huwelijk. Ook die uitnodiging stuit op dovemansoren, ondanks de belofte van “ossen en gemeste beesten”. Enkele genodigden doen de dienstknechten zelfs “smaadheid aan” of doden hen, waarna alle onderdanen alsnog worden verzameld en er tijdens de feestelijkheden eentje wordt uitgepikt omdat hij geen “bruiloftskleed” aan heeft. De arme ziel wordt “de buitenste duisternis” ingeworpen;  “daar zal zijn wening en knersing der tanden.”

    DSCN2609

    Van der Graaff, die met deze slotregel behendig de rol van de koning lijkt over te nemen, werd kort na zijn brief uitgenodigd op de thee bij het Republikeins Genootschap. Ook die uitnodiging sloeg hij af. Helaas niet met nog zo’n sterk gedicht.  
        

    Menu
    Voorbeeld van een uitblinkersmenu 

    Hieronder de tekst van Maarten van der Graaff:

    Allereerst wil ik U danken voor de uitnodiging
    voor de zogenaamde uitblinkerslunch op paleis Noordeinde,
    die ik in goede orde ontving.
    In dit gedicht leg ik uit waarom ik niet
    op Uw uitnodiging zal ingaan.
    De dichter Tonnus Oosterhoff
    schrijft in Leegte lacht over Prinses Beatrix,
    Uw moeder/schoonmoeder:
    ‘de koningin is een steenrijk wijf,
    dat afstamt van roofridders.’
    Wanneer ik deze regels lees, knik ik instemmend.
    Majesteiten, de privileges die U geniet
    maken mij nerveus.

    Wanneer ik aan U denk
    doemt een vaal Eftelingland op,
    waar het ruikt naar rottend blad
    en mijn vrienden holtes hebben,
    waar eerst ogen zaten.

    Ik kom uit een ver, vlak gebied
    dat door inpoldering aan Uw rijk is toegevoegd
    en stel mij voor dat U deze brief in bed
    aan elkaar voorleest.
    Om Uw bed is Eikenhorst en daarbuiten
    het vigerend duister.
    Op de televisie doen Uw onderdanen dingen
    voor geld, roem of uit verveling.

    Ik vraag U deze afwijzing
    niet persoonlijk op te vatten.
    Het gaat mij om Uw geboorte.
    Daarom hoop ik niet
    dat U mij opgeeft, Majesteiten,
    want er is een Nederland
    waarin wij zouden kunnen lunchen.
    Leg Uw kronen af
    en kom naar mijn bovenwoning.
    U moet in Lombok, Utrecht zijn,
    vijf minuten lopen vanaf het station.
    Alle dingen zijn gereed.

    10700006_728028077262777_4742466492049018783_o
    De tekst in de NRC: http://www.nrc.nl/handelsblad/

    Website van Maarten van der Graaff: http://www.maartenvandergraaff.nl/

    P.s. zelf was ik uit nieuwsgierigheid waarschijnlijk wel op de uitnodiging ingegaan, al ben ik niet voor het voortbestaan van de monarchie. Het zou dan wel attent zijn als men eend zou serveren: