• Janita_monna
    9 januari 2025
     
     
    In veelvormige, spreektalige gedichten laat de voormalige Dichter des Vaderlands zien dat verbondenheid nodig is om de angst te lijf te gaan.
     
    Wanneer mag je prikkeldraad om je tuin spannen? Niet echt een vraag die je verwacht in poëzie. Toch komt die een aantal keer terug in de nieuwe dichtbundel van voormalig Dichter des Vaderlands, Tsead Bruinja. De vraag geeft als het ware de sfeer aan van de samenleving waarin deze bundel is ontstaan. Een sfeer van angst, bijvoorbeeld voor ‘keurig uitziende jonge mannen’ die doen alsof ze collecteren voor een goed doel, waarvoor buren elkaar waarschuwen via de app ‘Nextdoor’, waar dit citaat uit komt.
     
    Bruinja schreef met Wat deed ik daar een ‘voluptueus biografies visiedocument met intermezzo’s en af en toe een gedicht’, zo vermeldt het titelblad. De grote woorden en lege hulzen waarmee dat type documenten volstaan, ontbreken in deze bundel gelukkig, al bevat die wel iets wat je visie zou kunnen noemen.
     
    In veelvormige, spreektalige gedichten, met fragmenten die hier en daar rechtstreeks uit de werkelijkheid zijn geplukt (of met hulp van ChatGPT zijn ontstaan), en waarin Nederlands en Fries zijn vermengd – keren we terug naar de coronatijd; schetst Bruinja een samenleving van ‘zwoegen en haasten’ en laat hij de onderbuik spreken die ‘jeremieert over woorden/ die je niet mag gebruiken’.
     
     
    De serie gedichten die Bruinja maakte als Dichter des Vaderlands (2019-2020), op basis van gesprekken met ouderen in Friese zorginstellingen, lijken daarbij een soort tegenhanger. Mannen en vrouwen die erin aan het woord komen, tonen een wereld van (boeren)handwerk, waarin mensen elkaar kenden. Overigens niet per se een betere wereld – met broers die ‘graatmager uit het kamp in Duitsland kwamen’, kostwinners die ziek werden door werken met asbest. En toch klinkt er een toon van acceptatie: ‘We redden het wel. De gehaktbal kon wat kleiner of/ door de helft.’
     
    Bruinja laat zien dat verbondenheid nodig is om angst te lijf te gaan. Zijn visie is er een van ‘ken elkaar’. En daarbij past ook het onroerende gedicht dat hij schreef voor het oplezen van de namen in kamp Westerbork. ‘elke naam moet minstens vierduizend keer/ worden geroepen vanuit een halfopen buitendeur/ terwijl de warme lucht van het avondeten zich/ door een keukenraam een koude kinderneus in krult’.
     
    Omzien naar elkaar, naar het kind, en naar de oudere. Want daarmee eindigt de bundel. Met de hoop dat hetzelfde dorp dat nodig is om een kind op te voeden, er ook is ‘om die laatste jaren tot een fatsoenlijk einde te laten komen’.
     
     
    elke naam moet ten minste
    één keer worden gespeld op het gemeentehuis
    vreugdevol door een ouder die met die naam een geloof
    een held een vriend of een familielid in leven houdt
     
    elke naam moet minstens vierduizend keer
    worden geroepen vanuit een halfopen buitendeur
    terwijl de warme lucht van het avondeten zich
    door een keukenraam een koude kinderneus in krult
     
    alle namen horen zeker vijfmaal op het puntje van de tong
    van een beste vriend te liggen bij de vraag
    naar wie zijn of haar beste vriend is
    en waarom
     
    geen één naam verdient het ongefluisterd te blijven
    en niet via het oor van een geliefde
    buitengewoon vaak de buik van die ander
    te kriebelen
     
    daar zijn namen voor gemaakt
     
    namen horen een leven lang mee te gaan
    en met een leven weet u heel goed
    wat ik bedoel
     
    namen mogen alleen langzaam verdwijnen uit onze gedachten
    en niet voordat ze een afscheidsdansje hebben gemaakt
    op onze beven de lippen
     
    er is geen enkele reden om de naam
    van een muur te schroeven
     
    als die naam niet een nieuw huis
    te wachten staat

     
    Janita Monna (1971) is journalist en recensent. Ze was redacteur bij Poetry International en nam het initiatief voor de jaarlijkse Gedichtendag. Voor Trouw schrijft ze over poëzie.
     
    Wat_deed_ik_daar

    Wat deed ik daar is een bundel over ontgoocheling door een wereld die zorgt voor stramme weiden en gekneusde slootjes en een bundel vol betovering door de liefde, zonder wie het anders naakt zijn is. Maar het is ook een bundel met een neoarchaïsche ode aan Huizinga’s Herfsttij der Middeleeuwen en poëzie waarin Tsead Bruinja zich afvraagt waarover potvissen zouden roddelen als ze plaatsnamen in het Parlement van de Noordzee. Hier is een tobberige homo ludens van middelbare leeftijd aan het woord die uiteindelijk droomt dat:

    de kinderen met de kinderen langskomen

    en er een paar klompjes

    bij de achterdeur op de mat

    worden uitgeschopt

     


  • Richelpoezie

    • dichters in Theater de Richel tijdens de Poëzieweek 2025

    Met o.a. Mischa Andriessen, Tseroeja van den Bos (viool/ovb), Tsead Bruinja, Anne Louïse van Dool, Kees ’t Hart, Duo Heug, Erwin Hurenkamp, Ted van Lieshout, Tomas Lieske, Harm Hendrik ten Napel, Joost Oomen, Martijn den Ouden, Gustaaf Peek, Marc Reugebrink, Henk van der Waal, Bernard Weselling en Zea

    Op 31 januari tijdens de Poëzieweek strijken dichters uit het fonds van uitgeverij Querido neer in Theater de Richel om op uitnodiging van voormalig Dichter des Vaderlands (2019-2020) Tsead Bruinja en de uitgeverij voor te dragen uit eigen werk. Verwacht levendige, springerige, ingetogen en gortdroge voordrachten afgewisseld met geïmproviseerde muziek op viool, mondharp en elektronische wok.

    Locatie: Theater de Richel (voorheen Betty Asfalt Complex), Nwz. Voorburgwal 282, Amsterdam
    Aanvang: 20.00u
    Toegang: € 5,- (reserveren wordt sterk aanbevolen – https://theaterderichel.nl/agenda/)

    Websites:

    https://theaterderichel.nl/

    https://www.singeluitgeverijen.nl/querido/

  • (recensie door Hans Puper op Tzum)

    De nieuwe bundel van Tsead Bruinja, Wat deed ik daar, belooft de lezer ‘een voluptueus biografies visiedocument met intermezzo’s en af en toe een gedicht’. Reve had het hem niet kunnen verbeteren. De lezer verwacht nu dat er wel wat te lachen valt, en hij wordt niet teleurgesteld.

    De bundel heeft vijf afdelingen. Aan de eerste gaat een citaat vooraf uit Nextdoor, een ‘burenapp’ om berichten uit te wisselen, veelal waarschuwingen tegen onheil uit de boze buitenwereld: ‘Er collecteren twee keurig uitziende mannen voor de stichting Wilde Ganzen in de buurt. Zojuist op de Haarlemmer Houttuinen. Niet op ingaan. Hun pasje fondsenwerving klopt niet.’

    Drie afdelingen worden ingeleid met fragmenten uit een gedachtewisseling, die begint met een prangende vraag: ‘Mag ik prikkeldraad spannen over een tuinschutting om ongewenste bezoekers uit mijn tuin te houden? Wij hebben een tuin die aan de zijkant grenst aan de tuin van de buren. Nu hebben wij en de buurman de laatste tijd last van ongewenst bezoek.’ Er volgt een reeks antwoorden van buren die menen te weten wat wel en niet mag. Het laatste antwoord is, dat drie draden prikkeldraad zijn toegestaan, net als ingemetseld gebroken glas op een muur.

    Door de berichten te isoleren, krijgen ze een andere werking. Zijn ze een beeld van xenofobie? Alle grenzen dicht? Zou kunnen. Heel aardig is een eerder antwoord, dat in dit verband een humoristische, zo je wilt sarcastische lading krijgt: prikkeldraad zou ‘alleen en uitsluitend’ gebruikt mogen worden om het vee binnen de weide te houden.
    Er komen meer gedichten voor die refereren aan opinies die nog niet zo heel lang geleden alleen aan de borreltafel en op verjaardagen waren te horen, zoals ‘het rolt zo je gore mond uit’, waarin een verteller iemand toespreekt die zich kennelijk keert tegen ‘Gutmenschen’. De eerste vier disticha:

    opgelucht haal je dat bitse hart van je
    op aan een ronde tafel

    deel je je gebutste waarheden
    met je eigen schorem

    jeremieert over woorden
    die je niet mag gebruiken

    het is godgeklaagd
    wat je ermee bedoelt

    Dit gedicht, dat te lang is om in zijn geheel te citeren, eindigt met de omineuze regels: ‘je hebt het per slot van rekening / niet van jezelf’.

    Zoals bekend gebruikt Bruinja uiteenlopende dichtvormen, zo ook in deze bundel. Soms zijn de gedichten enigszins raadselachtig, andere zijn zeer toegankelijk. Van poëtische voorschriften moet hij niets hebben: ‘wanneer de regels die we hebben afgesproken / voor het schrijven van een gedicht wetten worden / zijn de gedichten die we schrijven voor de politie.’ In 2018 publiceerde Bruinja de Fries – Nederlandse bundel Hang niet alle kleren aan dezelfde kapstok. De titel zou een samenvatting van zijn poëtica kunnen zijn. Ook de inhoud varieert. Wat deed ik daar bevat onder andere geëngageerde gedichten en gedichten over poëzie, liefdesgedichten, een humoristische dialoog met ChatGPT over een ‘Ode aan de fietspomp via Campert’, een gedicht over de angst voor een komende oorlog, het doorstaan van verdriet of een depressie en een prachtig gedicht over de jeugd van de dichter in het weidse Friese land. Het is een van de vier gedichten die zowel in het Fries en Nederlands zijn opgenomen. Ik citeer twee mooie strofen, ritmisch en klankrijk, in beide talen:

    Het gedicht eindigt met de vertwijfelde vraag ‘hoe zou dat een anker kunnen zijn / voor een landschap dat ik verlaten heb’.

    Hoofdletters en interpunctie ontbreken (op één uitzondering na) in vier van de vijf afdelingen van de bundel, wat de meerduidigheid uiteraard versterkt. Lastig is dat er geen paginanummering is. Bruinja laat die vaker weg: is het een uitnodiging om de bundel lukraak open te slaan? Of een aanwijzing dat de volgorde er niet toe doet? Een teken dat alle gedichten gelijkwaardig zijn? Gelukkig is er wel een inhoudsopgave.

    In de derde afdeling, een mooie reeks met de titel ‘Een lieve vrouw was je moeder en een botte borstrok’, ontbreken de hoofdletters en interpunctie echter niet; de zinnen zijn volledig en de gedichten zeer toegankelijk. Dat heeft een duidelijke functie. Het zijn ‘portretgedichten’, die ontstonden na gesprekken met ouderen in Friese zorginstellingen. Bruinja bezocht hen met de muzikant Zea, fotografe Rosa van Ederen en een steeds wisselende gastdichter. De gedichten werden tijdens feestelijke bijeenkomsten gepresenteerd. Opvallend is het gebruik van een verleden tijd die fictie aan lijkt te kondigen: ‘En toen was ik Grytsje en kende ik Teatske sinds de schoolbanken / al vijfentachtig jaar’. Of: ‘Ik was mevrouw Knol’. Vergelijk het met de fantasierijke spelletjes van kinderen: ‘Dan was jij de vader, en ik was de moeder’. Als je bedenkt dat Bruinja van orale vertellingen gedichten maakte, die hun eigen vorm en werking hebben, is dit niet zo vreemd. Het zijn bovendien bewerkingen van de oorspronkelijke portretgedichten. Een van de mooiste is ‘Smirge bonken’.

    Smirge bonken

    En toen was ik Klaske die tegen een Duitse soldaat zei:
    ‘Hee jong, met die smirge bonken de trap ôf.
    Dat doen jim thús ok niet.’

    Voor de oorlog werkte ik op een groot stuk land waar ik
    om zes uur ’s ochtends met een aardappelschilmesje
    het onkruid tussen het vlas wegsneed.

    In diezelfde tijd ging ik een paar keer naar Assen
    om vader in het werkkamp een fles melk
    en een trommeltje pannenkoeken te brengen.

    Mijn zus Aaltsje haalde hem na de bevrijding op uit het ziekenhuis.
    Met vader achterop, die de pleuris nog in zijn lijf had, fietste ze
    binnen een dag van Assen over Drachten terug naar huis.

    Ze heeft een dag of wat op bed gelegen.
    Ze had de knollen aardig op.

    Een ‘voloptueus biografies visiedocument’. Lijvig en weelderig is de bundel zeker. Maar een document? Nee, natuurlijk niet. Zo’n geschrift stop je onderin een bureaula, een bundel van Bruinja niet. En over die biografische visie moet de lezer zelf maar oordelen.

    Hans Puper

    Tsead Bruinja – Wat deed ik daar. Gedichten. Querido, Amsterdam-Antwerpen. 96 blz. € 20,00.

    _______________________

    Naast deze recensie over de bundel zijn er tot nu toe ook twee interviews geweest:

    6a010536807f4d970b02c8d3c51bac200c-500wi
    Radio 1 Een Uur Cultuur met Teddy Tops

     

  • 20241016_131340

    Tsead Bruinja, dichter des vaderlands 2019-2020, heeft uit zijn recente bundel Wat deed ik daar (Querido, 2024) het gedicht ‘Zo varen de scheepjes’ gekozen voor een bijzondere uitgave door Sub Signo Leonis. De omslag is in blinddruk en voor het binnenwerk is transparant papier gebruikt. In een zee van schrijfmachineletters lichten de dichtregels op. Grafisch ontwerper Peterpaul Kloosterman verzorgde de vormgeving en typografie. De medewerkers van de Drukkerswerkplaats Gouda deden het zetten, drukken en binden.

    Scheepjes-DWP-SSL_6674-580x600   468042488_10161529469163070_2828523520591773470_n

    Uitgave 26,5 × 25,5 cm: 24 pagina’s totaal. De tekst is gezet uit de Schrijfmachineletter en gedrukt op de Grafix-N cilinderpers. Voor het papier hebben we gekozen voor Sirio Color Sabbia en Cromatico transparant. De oplage is 80 exemplaren.

    Meer op: https://acceptatie.drukkerswerkplaats.nl/product/tsead-bruinja-zo-varen-de-scheepjes/

     

     


    468192346_10161529470563070_6556107026575061253_n

    468192346_10161529470563070_6556107026575061253_n

    20241016_122035
    20241016_122035
    20241016_122035
    20241016_122035

     

  •  

    'Beeldspraak' is de podcast van Poëziecentrum. In deze maandelijkse reeks praat een kenner/liefhebber met een dichter over zijn/haar/hun nieuwe dichtbundel.

    470192417_1140162291443072_2265255834026822422_n

    In deze aflevering praat Benjamin De Roover met Tsead Bruinja over zijn nieuwe bundel "Wat deed ik daar" (Querido, 2024).

    Benjamin De Roover is dichter. Hij was jarenlang betrokken bij Auw La, een studentenvereniging voor poëzie en spoken word in Gent. Gedichten van hem verschenen onder meer in Samplekanon, Kluger Hans en Het Liegend Konijn. Hij is redacteur bij tijdschrift nY en werkt als boekhandelaar.

  • What is so special about the work of the American poet and luminary Walt Whitman (1819 – 1892), also known as ‘The National Poet of the United States’? And how does his literature provide an answer to complex issues? In this special live edition of Preston’s Poetry Podcast, poet and writer Preston Losack (originating from Dallas, Texas) welcomes poet Tsead Bruinja, and together they dive into the world of poetry while exploring his monumental work, 'Leaves of Grass'.

    Tsead and Preston read excerpts from this timeless masterpiece, share their insights, and discuss Tsead’s experience translating America’s Bard.

    Immerse yourself in a sensory journey that is just as captivating, sensual, and inspiring today as it was in 1855.

    https://open.spotify.com/episode/6VIKELKFt0B5fz0cHRxCnf?si=5c179cb905a74a45

  • Tsead Bruinja schrijft Boekenweekgedicht 2023

     Boekenweekgedicht ‘Anders ben ik met jou’ onthuld in dagblad Trouw

    • Voor het eerst Boekenweekgedicht ook in het Fries
    • Winnend verhaal schrijfwedstrijd gepubliceerd in AD Mezza

    BW23_A2_liggend_gedicht_23-BWK-831

    Het Boekenweekgedicht is dit jaar geschreven door Tsead Bruinja. Zijn gedicht ‘Anders ben ik met jou’ werd vanmorgen onthuld in dagblad Trouw, begeleid door een interview met de dichter. Bruinja heeft met zijn gedicht een primeur, want het verschijnt in zowel het Nederlands als het Fries. Het gedicht geeft de vele aspecten van het zijn weer die ook met het Boekenweekthema Ik ben alles belicht worden. Het wordt vanaf de start van de Boekenweek verspreid via 100.000 Boomerang-kaarten en is gedrukt op een speciale linnen tassen die boekhandels en bibliotheken cadeau gegeven.

    20230303_133951 20230303_133951

    Eveline Aendekerk: ‘Het Boekenweekthema "Ik ben alles" nodigt je uit om stil te staan bij wie je bent. Met het gedicht "Anders ben ik met jou" weet Tsead Bruinja verschillende versies van het ik gezicht te geven en toont hij op een prachtige en pakkende manier de veelzijdigheid van het individu in relatie met de ander.’

    oars bin ik mei dy

    eigen bin ik dy net langer frjemd
    omjûn ûntjûn opjûn troch dy
    mei wa’t it dik oan is

    mei wa’t ik troch it libben gean
    mei wa’t ik troch it libben moat
    bin ik oars

    oars bin ik mei dy
    oars en neaken

    eigen bin ik dy
    ûntsifere besifere
    opnaam dield

    eigen

    net langer frjemd

    beam fiich en blêd
    binne wy

    bleat yn ús genedige feltsjes fan ljocht

    strûpt troch hoechsto my
    ik dy besjoch

    op in swart bêd lykje ik wyt
    yn in swart hok
    kom ik los

    bliuw ik net langer skraal en lyts

    neaken bin ik
    mei dy is ik
    in oar nei

    wa’t ik sjen kin

     

    anders ben ik met jou

    eigen ben ik jou niet langer vreemd
    omgeven ontgeven opgegeven door jou
    met wie het dik aan is

    met wie ik door het leven ga
    met wie ik door het leven moet
    ben ik anders

    anders ben ik met jou
    anders en naakt

    eigen ben ik jou
    ontcijferd becijferd
    opgenomen gedeeld

    eigen

    niet langer vreemd

    boom vijg en blad
    zijn wij

    bloot in onze genadige huiden van licht

    gestroopt door hoe jij mij
    ik jou bezie

    op een zwart bed lijk ik wit
    in een zwart hok

    kom ik los

    blijf ik niet langer schriel en klein

    naakt ben ik
    met jou is ik
    een ander die

    ik kan bezien

    © Tsead Bruinja

    Ik ben alles

    De Boekenweekdichter wordt traditioneel op de zaterdag vóór de Boekenweek bekendgemaakt. Daarmee warmt hij het publiek vast op voor het grootse lezersfeest dat een week lang in alle boekhandels gevierd wordt. In de aanloop naar de 88ste Boekenweek werd tevens voor het eerst een schrijfwedstrijd voor korte verhalen georganiseerd. Winnaar Telle van Beek stuurde het verhaal 'Schuld’ in en won daarmee twee felbegeerde Boekenbalkaarten, een geldbedrag van € 1000 en publicatie van het verhaal.  ‘Schuld’ is vanaf vandaag in bijlage Mezza van het AD en op lezerscommunity Hebban.nl te lezen.

    De schrijfwedstrijd had net als de Boekenweek van 2023 het thema ‘Ik ben alles’, waarmee de pluriformiteit van onze identiteit wordt gevierd. Een bijzonder actueel thema. Want hoewel de zoektocht naar wie je bent van alle tijden is, voelt die in de huidige tijdgeest dwingender, complexer en spannender dan ooit. Met de veelheid aan rollen die we vervullen – die van ouder en kind, van partner en collega, van leerling en mentor – en de veelheid aan gezichten die we on- en offline tonen, is eenieder van ons de optelsom van al die componenten. Verhalen stellen ons in staat om onszelf en anderen beter te leren kennen. Verzonken in een verhaal is je identiteit even grenzeloos als je inlevingsvermogen. Je bent alles wat je denkt. Je bent alles wat je voelt. Je bent alles wat je nastreeft, wat je liefhebt, waar je van droomt.

    Boekenweek

    Lezers krijgen tijdens de Boekenweek het Boekenweekgeschenk, geschreven door Lize Spit, cadeau van de boekhandel bij besteding vanaf € 15 aan Nederlandstalige boeken. De 88ste Boekenweek, het traditionele lezersfeest in boekhandels en bibliotheken, vindt plaats van zaterdag 11 t/m zondag 19 maart en wordt op 10 maart geopend met het Boekenbal , dat dit jaar weer traditioneel plaatsvindt in ITA in Amsterdam.

    Het hele jaar door dichters

    De CPNB geeft poëzie het hele jaar een podium bij haar verschillende campagnes. Hiermee wordt een groot en divers publiek bereikt, zodat ook de lezers die normaal minder snel met poëzie in aanraking zouden komen, de kracht van poëzie leren kennen. De CPNB wordt daarbij ondersteund door het Van Beuningen/Peterich-fonds. In de periode 2021-2022 werden maar liefst 460.000 Boomerang-kaarten met poëzie over het land verspreid en werden de diverse gedichten door miljoenen mensen gezien op sociale media.

  • Afbeelding2
    © Rosa van Ederen – http://www.rosavanederen.nl/

    ‘Yn ’t deistige fine jo de blues’

    Tsead Bruinja is in Fryske dichter dy't al jierren yn Amsterdam wennet. Mar doe't er yn 2019 en 2020 Dichter des Vaderlands wie, woe hy syn wurkfjild perfoarst net ta de haadstêd beheine. Ferbining mei minsken dy't er by syn literêre optredens net sa faak tsjinkomt, dat wie syn doel. En hy besleat dy yn it Heitelân te sykjen.

    Troch Janna van der Meer

    Tsead: ‘Ik sjoch yn myn deistich libben net folle âlderen en dat fyn ik spitich. Se hawwe safolle te fertellen. Ik woe har portretten meitsje, yn poëzij, muzyk en byld. Sa kaam ik út by minsken fan boppe de tachtich.’
    Tsead betocht dat yn 2019 en wurke it idee út tegearre mei Dasja Koot. Hy woe nei alve soarchynstellingen gean en frege muzikant Arnold de Boer (artystenamme Zea) en fotograaf Rosa van Ederen om harren gearwurking. Dêrneist waard kontakt socht mei oare dichters, om in pool fan gastdichters te krijen. Sa wie der neist it fêste team fan trije artysten alle kearen in gastdichter oanwêzich.

    Underweis

    Tsead moete Rosa by Poetry International Rotterdam. Se wie fan de organisaasje. Dêrnei hat se ek in kear portretfoto's fan him makke. Arnold spilet gitaar en sjongt yn undergroundband The Ex. Hy lies De wizers yn it read, de earste Frysktalige bondel fan Tsead, en fûn dy sa prachtich dat er kontakt mei him socht. Doe frege er Tsead om in festifal yn Nijmegen te presintearjen en sûnt binne se in protte tegearre ûnderweis. Sa sjongt Arnold bygelyks by boekpresintaasjes fan Tsead.
    It portretteprojekt waard in partisipaasjeprojekt mei poëzy yn in ferbinende rol. It kaam mei fjouwer slagge edysjes wol fan ’e grûn, mar troch corona en de lockdowns moasten de artysten der te betiid mei ophâlde. Gelokkich woe Leeuwarden City of Literature it projekt trochsette.
    En sa barde it dat yn 2022 Tsead, Arnold, Rosa en kollega-dichters dochs noch de soarchynstellingen besochten. Fan septimber ôf gongen se op ’en paad en sprutsen se wiidweidich mei de bewenners. Uteinlik binne der 44 portretten makke. De gemid- delde leeftiid fan de portrettearre minsken wie likernôch 86 jier.

    Sûkerlatte

    ‘Wy wiene twa dagen per soarchynstelling oanwêzich’, fertelt Tsead. ‘De aktiviteiteliedster hie altyd fjouwer dielnimmers foar ús selektearre. Dêr waarden wy oan keppele. In proses dat hiel boartlik gie. Noflik by de kofje mei oranjekoeke of sûkerlatte.
    Ja, de kontakten gongen eins fansels. En it praten barde net allinnich op ’e stoel. As it mooglik wie, giene wy der op út. De middeis fan de twadde dei wie de foarstelling. Dan presintearren wy de foto's, ferskes en gedichten. It wie in tige yntinsyf proses. Oan de teksten wiene wy noch oant nachts let dwaande.’
    Rosa: ‘Ik vond het ontroerend dat de mensen die voorstellingen zo belangrijk vonden. Dat merkte je aan alles. Er was ook altijd veel familie en personeel aanwezig. Die laatsten kwamen zelfs als ze vrij waren. Sowieso merkten we dat het zorgpersoneel en de vrijwilligers enorm bij de bewoners betrokken zijn. Ze doen echt hun uiterste best om ze zo veel mogelijk aandacht te geven.’
    Arnold: ‘Oandacht is altiten goed foar in minske, mar wy hawwe harren artistike oandacht jûn. Wy seagen en lústeren nei dy âlderen as keunstners en dat wie nij. It joech in frisse blik, soms in nij ynsjoch. "Wy sille jim misse!" ha wy faak heard.’

    Heakje

    Rosa: ‘Ik maak geen gewone foto’s, maar probeer als fotograaf een verhaal in beeld te brengen. Soms was dat even wennen, of zelfs confronterend, maar de mensen waardeerden het wel. Ook ging ik met ze op pad. Bijvoorbeeld naar een plek waar iets speciaals in hun leven was gebeurd, dat kon iets heel kleins zijn. Zo vertelde een mevrouw mij over de zwaluwen in haar leven en dat er een haakje op de schuurdeur van haar ouderlijk huis zat, zodat deze niet dicht kon vallen. De zwaluwen moesten namelijk vrijelijk in en uit kunnen vliegen. Ik ben toen met haar, in de taxibus, naar dat huis gereden. Het haakje was er nog steeds, dat hebben we gefotografeerd.’

    _PIP Dokkum - Mev Van Laar De Vries AF-4066 _PIP Dokkum - Mev Van Laar De Vries AF-4066
    © Rosa van Ederen –
    http://www.rosavanederen.nl/

    Spegel

    Arnold: ‘Ik spegele se. Liet har harren libben op in nije manier sjen. Yn har beskiedenens, typysk foar dy generaasje, tochten se faak dat har ûnderfiningen net de muoite wurdich wienen. Alteast net spesjaal genôch om in ferske fan te meitsjen. Mar ik fyn it just moai om it lytse grut te meitsjen, it grutte ferhaal yn it lytse sjen te litten. Under in kuier spruts ik mei in frou oer har yntinse striid mei Parkinson. Dochs neamde se ek hyltiten moaie dingen. Se bleau dy sjen, hoe dreech it libben ek foar har wie . Doe’t ik dêr jûns in ferske oer makke, moast ik it faak oefenje, om foar te kommen dat ik de oare deis, by de presintaasje, folsjitte soe. Dy generaasje waard berne yn ’e krisis fan de tritiger jierren, belibbe de oarloch, de wederopbouw. It binne hurde wurkers. Wy praten in protte mei boeren, boere- arbeiders en supersterke froulju, dy't faak beheind wiene yn har ambysjes en mooglikheden. Se mochten net safolle. Ik ha faak spyt heard yn ’e ferhalen. Mar dy minsken kleie net.’
    Tsead: ‘De rol fan it leauwen wie faak grut yn it libben fan de minsken dy’t ik spruts. En dêrneist de mienskip. Se hawwe meastal in protte frijwilligerswurk dien. Ik fûn it ek bysûnder dat se faak sa lang troud wiene. Of in hiel lang houlik hân hienen. Ik bin sels skieden, dus dat wie soms konfrontearjend, mar ek hiel moai. Der waard bygelyks opfallend faak oer de earste moeting ferteld. Oer hoe’t se inoar fûn hienen. It makket neat út dat dat mear as sechtich jier lyn bard is. Dy ferhalen wurde noch altyd as wichtich beskôge en mei in protte wille ferteld.’
    Rosa: ‘Ik vind de gezichten van oude mensen prachtig. Je ziet er een heel leven in terug. Mensen willen ook graag praten, merkte ik. Ze hebben veel meegemaakt en dat deelden ze graag met ons.’

    Taal

    Arnold: ‘Om in ferske te meitsjen, gong ik op syk nei de poëzy en muzyk yn it libben fan dy âlderen. Dêr makke ik dan de fer- haalline fan. Der wie bygelyks in man dy’t yn syn libben gauris wat útwiksele hie. Lytse en grutte dingen. Sels it famke dat letter syn frou waard, hie earst ferkearing mei syn freon. Se ha ruile! Dat ruiljen meitsje ik dan ta tema.
    Taal spilet ek in rol. Jo prate in pear oeren mei ien en dan bliuwe bepaalde útspraken hingjen. Ik herinnerje my bygelyks: “Der binne in protte dingen dêr’t de doarkes fan iepen kinne.” En: “Wy krigen in twilling. Dat wie it klûntsje bûter yn ’e brij.” Soks nim ik dan op yn it ferske.’
    Tsead: ‘Ik besocht harren taal ek safolle mooglik yntakt te hâlden yn de gedichten dy’t ik makke, om harren persoanlikheid better út te drukken. Dy minsken prate trouwens in liniger Frysk as wy. Der itte minder hollanismen yn. Moai fyn ik dat! Dêrneist, ik kom út de Wâlden. As minsken in oar dialekt praten, woe ik dat hearre litte yn it gedicht. De gedichten binne dus hiel oars wurden as hoe't ik se gewoanlik skriuw, folle mear sjoernalistyk en columnysk. Ik wie de ferslachjouwer en liet my as sadanich ek sjen yn ’e gedichten.’

    Afbeelding4
    © Rosa van Ederen – http://www.rosavanederen.nl/

    Gewoan

    ‘Ik fyn fral it gewoane nijsgjirrich’, giet Tsead fierder. ‘Jo fine de blues yn it deis- tich libben. Dêrmei bedoel ik in soarte fan “zenblues”, it spirituele mankelike of it mankelike spirituele fan it deistige. In man fertelde my oer syn libben as net-leauwi- ge. Hoe’t hy altiten stribbe nei it freonlike, it sêfte. Sa moai. Ik moast derfan gûle. Ik hearde ek gauris oer it fersoargjen fan in partner. Dy leafdefolle tawijing…
    Myn sicht op de âlderein yn it algemien is net feroare, mar doe't corona útbriek en in protte fan dy minsken isolearre waarden, begriep ik better wat dat foar harren bet- sjutte. Ik hie no gesichten en ferhalen by wat eartiids in diffuze groep wie.
    Myn sicht op ’e skiednis is wol feroare. Dêrom moat der ek in twatalich boek, mei cd, fan dit projekt komme, fyn ik. Om al dy ferhalen, bylden en ferskes te bewa- rjen. Se jouwe in byld fan in generaasje, fan ús sosjale skiednis. En dat is foar folle mear minsken fan belang.’

    Janna van der Meer is sjoernalist, fotograaf en dichter

    yn it earste eigen hûs fan heit en mem

    hé jong met die smirge bonken fan de trap ôf
    dat doen jim thús ok niet sei klaske op har santjinde
    tsjin de dútske soldaat dy’t har heit begjin 45 heljen kaam
    om yn assen te greppeljen

    heit hie foar de oarloch wurk foar har fûn op in grut stik lân
    dêr’t se om seis oere moarns mei in ierappelskyldersmeske
    it ûnkrûd tusken it flaaks fuortsnijde

    de hiele dei wie se allinne

    om tsien oere wie it thús waarm iten
    om healwei trijen krige se tee
    seis oere jûns wie it wurk dien

    in pear kear hat se yn assen west
    om heit in tromp pankoeken te bringen
    en in flesse molke dy’t se ûnderweis
    by in boer helle

    de lêste kear dat der ien
    by harren út de húshâlding wei dy kant op gie
    wie it har âldste suster aaltsje

    om sân oare stuts aaltsje ôf op `e fyts
    om 12 oere wie se yn drachten en om in oere ôf 5
    wie se te plak yn in sikehûs yn assen

    de oare deis gie heit achterop by aaltsje
    mei de pleuris yn it liif

    se wie aardich tenein doe’t se thúskamen
    hat in dei of wat op bêd lein

    © Tsead Bruinja

    Boarne: De Moanne 

    20230228_122321
    Mear oer ús projekt op: https://leeuwardencityofliterature.nl/project/portretten-in-poezie/

  • De Friese dichters Tsead Bruinja, Nynke Laverman en Elmar Kuiper gebruiken verschillende talen in hun werk. Filmregisseur Ester Eva Damen maakte met hen een serie beeldvertellingen bij een Fries gedicht.

    Vergeten gevoelens

    Een deel van haar jeugd woonde Ester Eva in Fryslân. Ze heeft de Friese taal altijd mooi gevonden, ook al leerde ze die niet spreken of schrijven. Ze kwam terug met de camera om aansluiting te zoeken bij een tijd die ze in haar leven apart had gezet. Het horen van de Friese taal bracht haar bij vergeten gevoelens, net zoals geuren dat met het geheugen kunnen doen.

    Tsead1

    Uit de film 'Hok fan Rou'
    © Ester Eva Damen

    Tsead Bruinja (Rinsumageast, 1974) woont en werkt in Amsterdam. Hij was in 2019 en 2020 Dichter des Vaderlands. Ester Eva deelde met hem haar herinneringen aan schuurfeesten op het Friese platteland. Dat leidde tot een gedicht en de film 'Hok fan Rou'.

    In de film ontmoeten taal en bewegend beeld elkaar, met als doel om los van de letterlijke woorden tot iets nieuws te komen. Taal en beeld hebben eigen regels, maar kunnen wel samen spelen. Tijd wordt in taal anders beleefd dan in bewegend beeld. Een filmmontage heeft overeenkomsten met de associatieve mogelijkheden van een gedicht.