De komende dagen plaats ik hier een aantal recente recensies van Overwoekerd, maar dan met de hele gedichten waar de criticus/ca op in is gegaan.
Je wilt terug naar de regen
Door Piet gerbrandy
je gaat tegen haar aan liggen terwijl ze slaapt
als je je arm om haar heen slaat
legt ze haar hand op jouw hand
en brengt je arm tussen haar borsten
je weet dat het niet lekker ligt
en dat je je zo gaat omdraaien
dat je zo nooit in slaap zult vallen
je legt je hand net zo lang op de rug
van de gitaar tot het hout zacht wordt
en wijkt
warm water over je stramme schouders
morgen
Tsead Bruinja is een man van de wereld. Wie dat nog niet wist kan het lezen in zijn nieuwe bundel, waar zijn signalement ook vermeldt dat hij zeer behendig is, 'bijvoorbeeld in het doodrijden van bejaarde vrouwtjes bij het straatracen in de noordelijke provincies en dat hij het liefst op dronken gevoerde beren schiet in de bossen van Rusland samen met de koning van Spanje'. Misschien stopt hij binnenkort met dichten om gitaar te gaan spelen bij bands als 'Bloody Dick Swamp, Squirrel Nut Zippers of Phungusamongus. Ongetwijfeld zal Tsead ook daarin geil en succesvol blijken.' Dit is de conclusie: 'Niet wij maar Tsead leidt een waarlijk diep en tragisch leven.'
WORMING UP VON KWABBENSTEIN
Tsead Bruinja is een man van de wereld. Hij declameert graag wijsheden als: Zwitserland is wel duur. Als je daar chinees gaat halen ben je al een fortuin kwijt. Tsead is dus verstandig, maar wat weinigen weten is dat hij ook zeer behendig is, bijvoorbeeld in het doodrijden van bejaarde vrouwtjes bij het straatracen in de noordelijke provincies en dat hij het liefst op dronken gevoerde beren schiet in de bossen van Rusland samen met de koning van Spanje. Als Tsead er even doorheen zit verleent hij bovendien geheel pro deo de begrafenisondernemers in New York hulp bij het verwijderen en verhandelen van organen van pasgestorven leden uit de christelijke gemeenschap. Te verwachten valt dat Tsead binnenkort de roeping van de nobele dichterij zal verlaten om gitaar te gaan spelen bij bands als Bloody Dick Swamp, Squirrel Nut Zippers of Phungusamongus. Ongetwijfeld zal Tsead ook daarin geil en succesvol blijken. Wat we het meest aan Tsead zullen missen is de manier waarop hij als volleerd dictator een heel volk als de Tsjechen kon begroeten vanuit een open wagen. Tsead is gelukkig getrouwd, maar nog nooit klaargekomen in Cambodja, Thailand of op een van de Galapagoseilanden. Tsead vindt het ook jammer dat hij nog nooit iemand heeft geneukt in Hellhole Bay, South Carolina of in Big Beaver Lick, Kentucky. Wat dat betreft mogen wij onszelf in de klamme handjes knijpen. Niet wij maar Tsead leidt een waarlijk diep en tragisch leven.
De aanstekelijke grofheid van deze tekst contrasteert in hoge mate met de wat brave en vooral politiek correcte toon van de rest van de bundel. Bruinja is van meet af aan een romantisch dichter geweest, rokend en drinkend op zoek naar liefde, zich verwonderend over de gekte die we dagelijks om ons heen zien, en begaan met het lot van de minder bedeelden. Maar in de grond lijkt zijn persona toch vooral een huiselijke man, die ons net als Simon Carmiggelt en Frits Abrahams deelgenoot maakt van zijn maar al te degelijke huwelijk, waarbij het er uiteraard niet toe doet hoe waarheidsgetrouw het geschetste beeld is. Waar het om gaat is dat deze dichter het kennelijk van belang vindt de poëzie dicht bij huis te houden.
In het gedicht waarmee Bruinja solliciteerde naar het dichterschap des vaderlands presenteert hij een vakantiekiekje: 'in het jaar 2008 (…) rende ik samen met mijn vrouw/ naakt over het strand van een duits waddeneiland/ doken we een aprilkoude noordzee in/ alles aan mij werd klein'. Het gedicht begint echter zo:
SNEEUW
in het jaar 2008 was ik geen vrouw van vijfenvijftig
lag ik niet drie dagen bedolven onder de sneeuw
werd mijn eigen vrouw niet door tien mannen verkracht
en levenloos uit een rijdende legertruck geworpen
werden onze kinderen niet van ons afgepakt
in het jaar 2008 was ik een man van vierendertig
rende ik samen met mijn vrouw
naakt over het strand van een duits waddeneiland
doken we een aprilkoude noordzee in
alles aan mij werd klein
in het jaar 2008 was ik niet zwart
deed ik geen gooi naar het presidentschap
waren er geen honderd geweren op me gericht
werd ik maar matig gehaat
in dat afgelopen jaar kwam ik te vaak bij mijn huisarts
die me zei minder te gaan drinken die me maagtabletten gaf
en ik dacht ik ben toch vierendertig en nog geen vierenzestig
en begon minder te drinken
in het jaar 2008 was ik geen vrouw van vijfenvijftig
die drie dagen onder de canadese sneeuw bedolven lag
voor wie ik haar diepgelovige man bij de keukentafel bidden zag
in het jaar 2008 had ik goddank mijn vrouw mijn handen
en voeten nog
Aan de oprechtheid van Bruinja's engagement valt niet te twijfelen, het probleem is dat het er zo dik bovenop ligt. De dichter leest de krant, kijkt naar documentaires, selecteert wat pakkende fragmenten, monteert die tussen contrasterende footage uit zijn eigen leven en laat het morele oordeel over aan de lezer, die daar helaas geen seconde over hoeft na te denken. Het is te gemakkelijk.
Na een aantal strofen waarin onder meer enkele flitsen uit een oorlogsfilm te zien zijn, levert hij de moraal er zelfs pasklaar bij: 'wat durven wij te verwachten van dit leven/ waar durven we op te hopen meer dan op een goeie buurman/ een goeie vrouw haar hart als een vesting/ en een te verdragen aantal tegenslagen'. Dat zo'n dichter wordt ingehuurd door de EO, wekt geen verbazing.
WAT DURVEN WIJ TE HOPEN
terwijl ik ’s middags naar een oorlog kijk die ik niet heb meegemaakt
en buiten kinderen luidkeels thuiskomen van school
belt de buurman aan die gisteren via een sms zijn excuses aanbood
voor de geluidsoverlast van zijn verbouwing
er klinken even geen explosies uit de luidsprekers
waaruit ik normaal naar mijn favoriete muziek luister
liefdesliedjes
de aanwijzingen die de bouwvakkers elkaar geven
galmen door de lege kamer van de buurman
terwijl hij onze trap op komt
aan welke toekomst bouw jij lijkt elke tik van de hamer elke
krakende trede onder zijn vriendelijke voeten te zeggen
aan welke trommel bouw jij wil ik antwoorden
wat valt er te overwinnen in deze hinderlaag die we lichaam noemen
en tegen welk verlies kunnen we ons wapenen?
ik zie hoe het bouwstof van zijn pet valt en kort het zonlicht vangt
kijk dan over mijn schouder de kamer in
op de salontafel ligt mijn mobiel naast de bril van mijn vrouw
net voelde ik nog aan mijn wang hoe koud het gebutste ijzer was geworden
dat rond de toetsen klemt
in de film wrijft de soldaat inmiddels het bloed van zijn dode tegenstander
over zijn gezicht en gaat met twee mijnen op zijn borst
tussen de lijken liggen
wat durven wij te verwachten van dit leven
waar durven we op te hopen meer dan op een goeie buurman
een goeie vrouw haar hart als een vesting
en een te verdragen aantal tegenslagen
Gelukkig is niet de hele bundel zo gemakzuchtig. Bruinja heeft naam gemaakt met soepel vlietende, associatief schakelende poëzie die de wereld neemt voor wat hij is, een voor de meesten van ons doorgaans leefbare chaos waarin liefde en lelijkheid, grasland en stadsrumoer vlak naast elkaar liggen. In een strofe die blijkbaar refereert aan opmerkingen van eerdere recensenten, zegt hij: 'de een zei gatenkaas tegen mijn gedichten/ de ander zei licht valt van bovenaf door zijn regels'.
BRUINTJE BEER OP DE HELFT VAN ZIJN ADEMBENEMENDE GRAF
na een avond chinees zit ik lang genoeg op de wc
om me af te vragen of dit lichaam een geschenk is
of een straf
hoeveel unox heb ik nog te gaan
hoeveel iglo
hoeveel te jonge chardonnay
hoeveel blond haar op lange benen
ik breng mijn kind naar school en het hapert
ik breng mijn kind naar school
en ik krijg een brok in mijn keel
blond haar lange benen
ik heb mijn brievenbus dichtgeplakt
in de garage het stof van de versterker
afgeblazen de gitaar ingeplugd
en de roest uit de oude nummers gespeeld
verwelken doen we morgen wel
de nikkei beleefde een matige dag melden ze op rtl
maar mijn tong voelde fit aan
de een zei gatenkaas tegen mijn gedichten
de ander zei licht valt van bovenaf door zijn regels
als die met een gedachte aan de haal gaan
zie je het geschenk niet snel weer terug
ik zat te lachen om je vraag
ik heb je antwoord niet gehoord
zei je nou forward that fatwa?
ik zeg dank voor de sirenes
De beste gedichten in Overwoekerd roepen sterke beelden op die in hun waarde worden gelaten. Er is ruimte om de geest te laten dwalen. Hier bijvoorbeeld:
ik haal je van de straat
geef je onderdak
je wilt terug naar de regen
ik draag je naar je bed
geef je een kus
je wilt terug naar de regen
ik bak vers brood
maak geurige koffie
je wilt terug naar de regen
ik luister
schenk de wijn bij tot je slaapt
je wilt terug naar de regen
aan hoe je woelt zie ik het
aan hoe je voeten zich bewegen
je wilt terug naar de regen
terug naar de straat
maar wie draag ik dan naar mijn bed
wie kus ik voor wie bak ik het brood
voor wie laat ik de koffie geuren
naar wie luister ik en wie schenk ik bij
je wilt terug naar de regen
met je mee
over de drempel
de straat op
laat de deur open
laat de regen binnen
Waarom de aangesprokene terug wil, wordt open gelaten. In de slotregels gaat de spreker, en daarom ook de lezer 'met je mee/ over de drempel/ de straat op// laat de deur open/ laat de regen binnen'. Dat is af, in al zijn losheid.
Intrigerend is een surrealistisch prozafragment met de magistrale titel Ik dronk tot ik simpel genoeg was om van te houden. Centraal daarin staat een scène waarin twee geliefden 'zonder telefoon' midden in een weiland liggen: 'aan de linkerkant van het weiland ligt een vlakte, aan de rechterkant een vrouw in een telefooncel wachtend op een gesprek. vanaf de telefooncel loopt een draad. (…) als de vrouw de telefoon opneemt vliegen de vogels weg. ze nemen de bloemen mee, schreeuwt de man. hij wacht niet op de kiestoon. hij wacht op de vogels.' Het onvermogen van de man en de vrouw om elkaar te bereiken spiegelt de onverstoorbaarheid van de geliefden in het weiland. De ik rookt, drinkt en observeert, 'tot ik kalm genoeg was om de geliefden in het weiland te zien lachen'. Zo'n film behoeft geen voice-over.
IK DRONK TOT IK SIMPEL GENOEG WAS OM VAN TE HOUDEN
ik dronk tot ik simpel genoeg was om van te houden. ik liet van me houden. de aarde scheurde onder mijn voeten. ik dronk tot ik simpel genoeg was om van te houden. drank stak brand in mijn keel en stopte mijn gedachten. ik dronk tot ik simpel genoeg was om van te houden. ze belde en ik rilde. ze knokte voor wat ik verspilde. zoon van de gedachte. vader van het gebed. adder kronkelend om de poten van het grote ijzeren bed. caleidoscoop van korrelige beelden. ik rookte tot ik kalm genoeg was om te blijven. de aarde scheurde. ze belde en ik rilde. we knokten voor wat ik verspilde. de zoon van de gedachte. de vader van het gebed. een adder kronkelend om de poten van het grote ijzeren bed. ik rookte tot ik kalm genoeg was om van te houden.
de man die aan de andere kant staat te schreeuwen heeft geen geduld voor de kiestoon. ze neemt niet op. de man die aan de andere kant van de lijn staat te schreeuwen staat op een vlakte. voor hem een veld vol bloemen. midden in een weiland liggen twee geliefden zonder telefoon. aan de linkerkant van het weiland ligt een vlakte. aan de rechterkant een vrouw in een telefooncel wachtend op een gesprek. vanaf de telefooncel loopt een draad. midden in een weiland liggen twee geliefden zonder telefoon. boven hen een dikke witte draad. als de vrouw de telefoon opneemt vliegen de vogels weg. ze nemen de bloemen mee, schreeuwt de man. hij wacht wacht niet op de kiestoon. hij wacht op de vogels. dan.
hij sleept een kind door het zand. dat weigert. dat opveert. maak dat je hier wegkomt. maak dat je van soort verandert. dat je uitsterft. hij sleept een kind door het zand. dat hapert.
kringen onder haar ogen. spoel door. kaarsen op de taart. spoel door. kringen onder haar ogen. haar kind op stelten. word boos. beheers je woede. stel uit. spoel door. spoel door naar de vlakte. twee geliefden liggen in een weiland. zonder telefoon. zonder zicht op de telefooncel. zonder zicht op de vlakte. het strand scheurde onder mijn voeten. het kind viel. ze belde en ik rilde. de bloemen verdwenen van de duinen. ik rookte tot ik kalm genoeg was om de geliefden in het weiland te zien lachen. dronk tot ik stil genoeg was om van te houden.
Misschien is Bruinja inderdaad te zeer een man van de wereld geworden, 'geil en succesvol' in de instituties van de Nederlandse literatuur, en neemt hij te weinig tijd om zijn poëzie te laten rijpen. Op een paar gedichten na is deze bundel niet geslaagd. Dat hij een belangwekkend dichter is, staat overigens buiten kijf.
Bron: De Groene Amsterdammer, 30 juni 2010
P.s. 'de een zei gatenkaas tegen mijn gedichten / de ander zei licht valt van bovenaf door zijn regels' is een bewerking van een quote van Tonnus Oosterhoff uit een artikel van hem over het boek Leegte, leegte die ademt (Vantilt 2006) van Yra van Dijk, waarin zij onderzoek doet naar de betekenis van typografisch wit in de in de moderne poëzie. Het hele artikel is te lezen op http://www.nrcboeken.nl/recensie/wat-er-staat-als-er-niets-staat

Geef een reactie op Tsead Reactie annuleren