Het Friese woord voor schaatsen is ‘reedride’. De schaatsen zelf noemen we ‘redens’. Of ik ze al uit het vet heb gehaald? Mijn noren heb ik niet meegenomen toen ik naar Groningen verhuisde. Ze zijn ongetwijfeld ook niet meer in het bezit van mijn vader en stiefmoeder.
Mijn eerste schaatsen waren geen houtjes, maar een soort ijzeren schaatsen met dubbele rijen ijzers en een rood gespje. Mijn zus had het er op geleerd en ergens eind jaren zeventig mocht ik ze aan. Er werd een stoel op de sloot gezet en daar mocht ik wat tegenaan duwen, terwijl mijn moeder toekeek vanachter de ramen van de verbouwde boerderij.
Later kwamen de houtjes en het gepruts met laarzen of sportschoenen, met dikke of dunne sokken. Ik ben nogal een koukleum, dus ik denk niet dat ik met veel plezier ging schaatsen. Als jongen was ik een huismus, zoals ik eerder schreef en waarschijnlijk moest mijn moeder me als het goed gevroren had, de deur echt uitschoppen, bij mijn treintjes en lego vandaan.
Mijn moeder kon overigens fantastisch schaatsen en dan vooral samen met mijn vader. Ze konden zowel naast als achter elkaar met mooie lange synchrone slagen de baan rond rijden. Dat liefdevolle tafereel alleen was al genoeg reden om de koude te trotseren.
Daarnaast had het iets gezelligs en was het ook een kans om te kijken of ik niet met dat ene meisje waar ik stiekem verliefd op was, misschien een rondje kon maken, om haar daarna voor een kwartje te trakteren op een plastic bekertje waterige chocolademelk.
Helaas werden de winters minder. Mijn moeder stierf en ik leerde nooit echt goed schaatsen. Over één van de laatste schaatstochten met mijn vader schreef ik onderstaand gedicht.
Hartelijks en veel vorst,
Tsead
bruidegom*
vader wildvreemd was zij niet met wie ik
aan de telefoon sprak over je mogelijk sterven
ik dacht dan zal ik zingen zingen om wat
ik nog van je weet voor de poorten van de hel
weg te slepen neem ik het vergeetboek
op schoot en begin uit dit dode schrift
dat ik niet machtiger ben
dan welke taal ook je op te vissen
zoals jij mij probeerde uit een wak
onder een brug te trekken
en jezelf in paniek een nat pak bezorgde
zo zal dit lied ook mij niet kunnen sparen
kom vader bind me de houtjes onder
ik heb mijn krappe jongenslaarsjes bijna aan
kom bind me de houtjes onder
het ijs is dun als je vermoeide gezicht
uit waterige ogen staar je me aan
kom nog een keer uit je dikke wollen graf
en bind me de houtjes onder
het water zal ons over zich heen zien vliegen
zo bracht moeder ons met de auto naar de vaart
waar onze eerste reis begon met haar alleen
in onze gedachten over doorzichtig zwart
over pas op kijk struikeltakken en
bevroren brasems vissticks grapte
ik probeerde het ijs te breken met
kinderhumor met kinderhanden
maar jij was bij je zieke vrouw thuis
en tegelijk bijna in je geboorteplaats de weilanden
waar door witte winterdeken groen gras
verstomde groen gras dat voorheen
je zachte zolen kende voeten die nu
zonder je meisje eenzaam met mij over triest water joegen
als geen ander beter nog dan moeder
kenden deze slootjes en weiden jou
dit dorp met zijn kerkhof vol bekenden
de gouden haan de spitse kerktoren
vlakbij de boerderij waar jij
jezelf leerde zenden en drummen
waar je vader je galopperen zag
het zadel een naakte paardenrug
vroeg ging de schep voor hem de grond in
die mij drievoudig zijn naam leende
toen ik nog geen vader heten kon
kom bind me de houtjes onder
ik heb de krappe groene jongenslaarsjes aan
bind me de houtjes onder
het ijs is dun als de tijdelijke afstand tussen ons
nu ik je over de grenzen heen droog kan aankijken
moet je me nog één keer de houtjes onderbinden
of klim nog één keer in de pen
en laat het papier ons over het ijs
zien vliegen jagen en janken
vertel nog eens hoe jij de leraar muziek
die jou met zijn sleutelbos een laffe
oorvijg gaf recht in z’n zak trapte
flauwgevallen zogenaamd
je verrekte het sorry te zeggen
tegen directeuren bleef met je kwaaie kop
thuis waar je tussen het kromme en het rechte
je eigen diepe pad van medelijden ploegde
zwaar als steen lag het gebrek aan vergiffenis
in je buik toen je het kruis niet meer
om je nek kon dragen en je moeder
geen hemels huis meer had om je in op te wachten
bind me de houtjes onder vader
deze wereld is de echte
tussen mij en haar was jij de brugman
nu is het zwaar zomer liggen mijn houtjes
ingevet in de kelder
voor ons dansen schrijvertjes over het water
het water is als een blauwe lei
zo schoon
zo donker
© Tsead Bruinja
uit De geboorte van het zwarte paard (Cossee, 2008)
*‘Brêgeman’, de titel van het Friese origineel van dit gedicht, is een oud Fries woord voor ‘bruidegom’. ‘Brêge’ betekent ‘brug’. Met ‘zenden’ wordt hier gedoeld op de activiteit van radiozendamateurs. De opa die mij ‘drievoudig’ zijn naam leende, heette Tjeerd Pieter Bruinja, de naam die ook in mijn paspoort staat. De regel ‘it is slim simmer’ is ontleend aan het gedicht ‘De blauwe hauk fan Wales / De blauwe havik van Wales’ van Tsjêbbe Hettinga uit diens bundel Frjemde kusten / Vreemde kusten (Uitgeverij Atlas, 1995).

Plaats een reactie