-
Het is bijna negen uur en ik zit in de trein naar Leeuwarden voor de opname van een talkshow van Omrop Fryslân. De redactie vroeg me een gedicht te schrijven over wat Friesland voor me betekent en wat het met me doet als ik er weer ben.
Toen ik net in Groningen woonde en een moeilijke jeugd achter me had gelaten in Kollum, betekende elke terugkeer naar Friesland een confrontatie met die jeugd, maar nu is het een plek waar ik erg graag kom, omdat er leuke mensen wonen en er een levendige literatuur bloeit.
Hieronder het gedicht, eerst in voorlopige werkvertaling en dan in het Fries.
Een fijne dag,
Tsead
*
terugkeer is het woord niet
terugkeer is het woord niet
voor wat er gebeurt als ik met mijn vrouw over de afsluitdijk rijd
of als ik in leeuwarden de trein uit stap en het perron op loop
thuiskomen is het ook niet want dat zou betekenen dat er aan friesland
nooit iets verandert en dat ik alleen maar onderweg
naar een melancholiek vertekend beeld ben
nee als ik de trein uit stap of langs zürich harlingen en pingjum rijd
dan zie ik nieuwe mensen nieuwe dichters en nieuwe poëzie
en dat die mensen onder dezelfde ruime luchten wonen
als waar ik onder geboren ben en dat er in die ruige wereld
waar de zwaagwesteinders en de mannen van de harkema weekends
in veenklooster vast nog wel eens met elkaar op de vuist gaan
en dat in diezelfde wereld de verbouwde boerderij waar mijn wieg stond er nog is
en de buurman die in de jaren zeventig alles noch met paard en wagen deed
al jaren onder de friese groene zoden ligt net als mijn moeder opa en oma
en dat ik daar niets aan kan veranderen
dat is voor mij ook friesland
maar terugkeer is het woord niet
*
weromgean is it wurd net
weromgean is it wurd net
foar wat der bart at ik mei myn frou de ôfslútdyk oer ryd
of at ik yn ljouwert de trein út stap en it perron op rin
thúskomme is it ek net want dat soe betsjutte dat der oan fryslân
noait wat feroaret en dat ik allinnich mar ûnderweis
nei in mankelyk fertekene ferline bin
nee at ik dy trein út stap of by zürich harns en pingjum delryd
dan sjoch ik út nei nije minsken nije dichters en nije poëzij
en dat dy minsken ûnder dyselde romme loften wenje
at wêr’t ik ûnder berne bin en dat der yn dy rûge wrâld
dêr’t de westereinders en de mannen fan `e harkema wykeins
yn feankleaster fêst noch wolris mei inoar op `e fûst sille
en dat yn dyselde wrâld de ferboude pleats dêr’t myn widze stie der noch is
en de buorman dy’t yn de jierren santich alles noch mei hynder en wein die
al jierren ûnder de fryske griene seadden leit lykas ús mem pake en beppe
en dat ik dêr neat oan feroarje kin
dat is foar my ek fryslân
mar weromgean is it wurd net
-
Na een column van Gerrit Komrij waarin hij vertelde dat de NPS geen ticket voor hem wilde betalen om naar een tv-uitzending te komen, hebben wij een collecte gehouden. Op het podium van festival Winternachten probeer ik Komrij symbolisch het ticket te overhandigen. Komrij vertelt daarna waarom hij nog steeds niet wil komen, maar roept niettemin de mensen op om toch op één van de genomineerden te stemmen.
Dichter Daniël Dee heeft meegelopen en de hele handel op film gezet. Een deel van de actie bestond ook uit het uitdelen van de DdV flyer met alle genomineerden daarop. Dat filmpje komt later. -
Uit: 'Nee, er is geen land om trots op te zijn'
Door Arie van den Berg
… Net als in zijn vorige bundels is niet elk gedicht in Angel raak. Dat is inherent aan het experimentele karakter van de poëzie van Tsead Bruinja. Zijn verzen zijn geen verslag van een onderzoek, maar het onderzoek zelf. …Een experiment is ook de vormgeving van deze publicatie. De krant is speels, maar dienstbaar aan de tekst vormgegeven en bevat naast de gedichten ook zes paginagrote illustraties. Op 18 december jl. was Angel gratis te downloaden vanaf het poëzieweblog www.decontrabas.com. Daarmee maakten dichter en uitgever een uitnodigend gebaar naar een jonger poëziepubliek. Ook in dit opzicht heeft Bruinja de kwaliteiten voor het vaderlandse dichterschap.
Bron: NRC, 16-01-2009
-
Angel van Tsead Bruinja door Ezra de Haan (Schrijver, dichter en journalist) Vaak is de krant slechts geschikt voor de vis van morgen. De bundel Angel van Tsead Bruinja bewijst dat het tegendeel ook mogelijk is. Verschenen in krantvorm zal zijn poëzie krachtig genoeg zijn om desondanks te overleven. In Angel bouwt Bruinja zijn tweetalige oeuvre uit op de vanzelfsprekende wijze die hem eigen is. Hoogstens is er nu meer sprake van woede dan in zijn vorige bundels…
Het spel met de taal begint al bij de titel. Je denkt bij Angel eerder aan een haak, de tong van een slang, een doorn, het stekende orgaan van een wesp of iets dat grieft zoals de angel der smart of het spitse ondereind van een mes, vijl of boor. Wie Fries of Duits spreekt, denkt meteen aan het woord hengel. Die wordt dan ook twee maal uitgeworpen op pagina 11 in een gedicht waarin veel van de bovengenoemde begrippen voorkomen. Niet alleen de hengel en de haak maar ook het grieven.
De bundel bestaat uit de delen: ‘Laat de onderhandelingen beginnen’,’ Het boek en de dood’, ‘Nee er is geen land om trots op te zijn’, ‘Een hiernamaals niet kunnen bedenken’, ‘Aan wat probeer ik zo traag en laks te ontkomen?’ en ‘Open’.
De woorden die Tsead Bruinja ons in Angel voorzet lijken karig. Naarmate je langer leest, kom je tot inzicht dat die gedachte een misvatting is. Die weinige woorden zijn goed doordacht en staan op hun plek. Een strofe lijkt op zich vaak al een gedicht. Meerdere strofen tezamen vormen een stevig bouwwerk dat op klank, beeld en gedachten is gebaseerd. De vorm wisselt. Een gedicht als ‘Vrede Kaak Laars Vrede’ bestaat uit niet meer dan twee keer dezelfde zelfstandige naamwoorden. ‘Martijn was een Hollandse schlemiel uit Zwaagwesteinde’ is een parlando gedicht, schrijnend in al zijn niets onziende eerlijkheid en door de opsommingen, alsof Bruinja het gebeurde en de ‘schuldigen’ met de vinger aanwijst.
En daarmee komen we bij de angel in deze bundel van Tsead Bruinja. Het gaat om schuld en het schuldig zijn, om de vraag of we onderdrukker of onderdaan zijn. In ‘Laat de onderhandelingen beginnen’ sijpelt het kwaad langzaam de nog poëtische wereld van Bruinja binnen. De rand van de wereld is scheermesscherp en bloed zit aan zijn vingers. In een volgend gedicht klinkt het woord moord. Bruinja twijfelt aan zijn eigen woorden in ‘Het had familie geweest kunnen zijn’. In ‘De wind gaat koud’ komt ook de oorlog en wat opa deed voorbij. Hij schrijft over het zwijgen als je spreken moet, maar er te bang voor bent en over de kiezen vijlen tot ze glad zijn. Met ieder gedicht lijkt Bruinja verder te willen gaan.
‘Het boek en de dood’ is een korte reeks gedichten waarin Schuld en de dood een belangrijke rol spelen. Schuld is een personage die weet dat de dood hem wacht. De dood heeft een band met Schuld. Beiden zetten ze Bruinja aan het werk om wellicht het boek Angel te schrijven.
‘Nee er is geen land om trots op te zijn’ is een statement. Meteen moet je aan de perfide politieke partij TON denken. Niet het eerste onderwerp waarover dichters schrijven. Maar Bruinja doet dit, schetst een wereld vol friendly fire en collateral damage, vraagt zich af wat hij zou doen, wat hij ooit deed en wie hij zou zijn… als het ooit oorlog wordt.
In ‘Aan wat probeer ik zo traag en laks te ontkomen?’ schroeft Tsead Bruinja zichzelf de duimschroeven nog wat vaster aan. Na twee gedichten waarin drank, drugs en vraatzucht te berde worden gebracht, gaat Bruinja te rade bij zichzelf in ‘Wat ontwijk ik?’ Waarom gaat hij het grote avontuur uit de weg en is hij tevreden met het wijntje op de bank voor de televisie? Tevreden met een vriendelijke kater, een aardig humeur en een pik die werkt. Het verstoppertje spelen met diepe gedachten die onaf op de zolder liggen. Het is de onprettige gedachtegang die ons allemaal met zekere regelmaat overkomt. We zijn zo tevreden en overtuigd van het behoud van dat wat we hebben dat slechts de dood van een naaste ons wakker kan schudden. Beter dan in ‘Je televisie is kapot’ kan dit niet beschreven worden.
Met ‘Open’ sluit Tsead Bruinja de bundel. Hij is terug bij af. Het is de wereld om hem heen. Die van mannen die aan een vrouw zitten zonder het te vragen. Bruinja’s vuisten die hij niet aan het werk zette. De bomen waaraan je iemand op kunt hangen. En het prijskaartje dat daaraan vastzit: Buutvrij voor zijn ziel of ga direct naar de gevangenis. Maar ook over het ouder worden. Het dunner worden van het haar, het slijten van darmen en longen. Het zijn de slagvelden in zijn hoofd. De angst voor zijn handen om de verkeerde strot.
Angel is een prachtbundel, bijzonder door de vormgeving en de diverse illustraties maar vooral door de gedichten die zowel in het Fries als het Nederlands te genieten zijn. Tijdens de presentatie in Perdu te Amsterdam las Tsead Bruinja ze voor. Het werd een duel tussen het ronkende, expressieve Fries en het nuchtere, kale Nederlands. Met kleine voorsprong won het Fries. Wie de bundel leest en hardop die Friese versie tot zich laat komen, merkt hoe woorden beeld worden. Het zijn gedichten die de stilte in zich dragen. Het wit tussen de regels klinkt door. Totdat de dichter het wel mooi vindt en oorverdovend toeslaat.
Bron: http://www.literatuurplein.nl/recensie.jsp?recensieId=86
-
De vijfde Friese dichtbundel van Tsead Bruinja (1974), Angel, die eind 2008 verscheen, is op zijn minst apart. Dat begint al bij de vorm, want je kunt je zelfs afvragen of je dit wel een dichtbundel kan noemen. Van Dale zegt dat een dichtbundel een verzameling gedichten is die in een boekdeel zijn verzameld. En Bruinja's nieuwe 'bundel' verschijnt als een krant op tabloidformaat.
Die verschijning biedt wel nieuwe mogelijkheden. Meestal staan er twee gedichten op een pagina (geflankeerd door een Nederlandse vertaling). Als je déze gedichten uit zou knippen en zou vouwen, zou je er bijna een bundeltje op 'normaal' formaat van kunnen maken. Maar er zijn ook twee gedichten die in een forser lettergrootte zijn afgedrukt en zo de hele krantenpagina nodig hebben (met op de pagina ernaast de vertaling), naast gedichten die zo lang zijn dat ze in de normale lettergrootte al de hele bladzij beslaan. In een 'gewone' dichtbundel zou zo'n gedicht over verschillende bladzijden verdeeld worden, wat niet hoeft in dit formaat. Bovendien staan er afbeeldingen van diverse kunstenaars tussen de gedichten en de verschillende afdelingen in de bundel, die nu op een flink formaat afgedrukt kunnen worden.
Dankzij het krantenformaat is ook de prijs van deze dichtbundel opvallend te noemen, want het gebeurt niet vaak dat je een nieuwe bundel met een vrij normaal aantal (een veertigtal) gedichten kunt kopen voor € 4,50. Bovendien was de bundel op 18 december, de dag van de presentatie in het Amsterdamse Perdu, gratis te downloaden. Volgens de onvolprezen site van De Contrabas van 19 december is dat 1100 keer gebeurd!
Naast de Friese gedichten en hoofdstuktitels staan Nederlandse vertalingen en ook het colofon is tweetalig, bijvoorbeeld 'Foarmjouwing / Vormgeving' (natuurlijk Gerrit Jan Slagter) of 'Byld / Beeld'. In de informatie op zijn eigen site staat dat Bruinja de gedichten in het Fries schreef en daarom noemde ik hierboven deze bundel dan ook een Friese bundel van deze dichter die afwisselend in het Fries en het Nederlands publiceert. Over de Nederlandse vertalingen kan ik deze keer overigens wat moeilijk echt enthousiast zijn.*
Opvallend genoeg wordt de titel niet vertaald, wat blijkbaar aangeeft dat we hier te maken hebben met het woord 'angel' dat in het Fries hetzelfde betekent als in het Nederlands, namelijk het steekorgaan van wespen en bijen. Gezien de soms stekelige inhoud van de gedichten is die betekenis van de titel logisch, hoewel ik best even gedacht heb aan de betekenis 'hengel', gezien ook het gedicht in de bundel dat begint met de regels 'hy hat de angel / twa kear útsmiten / en ynhelle' ('hij heeft de hengel / twee keer uitgeworpen / en ingehaald', p. 11).
De bundel is afwisselend, klankrijk en krachtig; wat dat betreft herken je de dichter die graag voorleest, of liever: voordraagt. De gedichten variëren in lengte, van het lange gedicht over het pesten van een klasgenoot tot een kort gedicht waarvan de zes regels, of liever de strofen, alleen bestaan uit drie woorden die een keer herhaald worden. De bundel is ook mooi opgebouwd. De eerste afdeling begint met de programmatische titel 'lit de ûnderhandelings begjinne' ('laat de onderhandelingen beginnen'). De eerste gedichten lijken aanvankelijk alleen wat sfeerbeschrijvingen te zijn: 'septimber / de bijen binne noch net útiten' (begin van het eerste gedicht: 'september / de bijen zijn nog niet uitgegeten'), terwijl het tweede gedicht begint met: 'it ljocht fan de fjoertoer / strykt oer de hûzen / en de tsjerke' ('het licht van de vuurtoren / strijkt over de huizen / en de kerk'). Maar beide gedichten eindigen in een ontkenning: 'myn hân is in kûmke / gjin latte' ('mijn hand is een kommetje / geen lat') en 'ik ha gjin flibe mear' ('ik heb geen spuug meer'). Dat zet al een beetje de toon voor het derde gedicht dat eindigt met het bloed dat de dichter aan zijn vingers heeft. Er sluipt steeds meer woede in de gedichten van deze afdeling, die eindigt met de regels 'flymskerp / de wrâld / de râne' ('vlijmscherp / de wereld / de rand' p.13).
In de volgende afdelingen wordt die woede nog manifester. Niet voor niets zegt de uitgever dat Angel een bundel is 'over agressie, schuld en woede, woede als wraak, maar ook woede die in de genen zit'. Bruinja zelf schreef in zijn zijn Volkskrantblog: 'Angel gaat over mij, mijn woede en over het gezin waar ik uit kom. Het is een bundel waarin ik mezelf en de mensen om me heen niet ontzie (…)'. Toch, hoewel de woede overduidelijk aanwezig is, vind ik het gezien deze woorden nog wel meevallen. Jazeker, de familie wordt wel aangevallen, bijvoorbeeld in: 'it soe famylje west ha kind / in wurd dat as in grouwe reedrider / myn beferzen tong spjalte' ('het had familie geweest kunnen / een woord dat als een loodware schaatser / mijn bevroren tong spleet', p.6). Maar nergens raakt de dichter de nuance kwijt en zo agressief is die woede nu toch ook weer niet. In de afdeling 'it boek en de dea', ingeleid door een tekening van Roos Custers, gaat het bovendien over schuld in vier prachtige gedichten, waarin zowel 'skuld' ('schuld') als de 'dea' ('dood') heel mooi gepersonifieerd worden. In die gedichten komen 'schuld' en 'de dood' bij de dichter op bezoek, met een boek waarvan het linnen van de rug gescheurd is en dat met een elastiek bij elkaar gehouden wordt. Als ze weggaan weet de dichter dat hij met 'dat boek' aan de gang moet. Hij legt de schuld zeker niet bij iemand anders.
Zo valt die woede en agressie naar anderen dus vooral wel mee omdat de dichter zichzelf totaal niet ontziet: 'moaie skriuwer bin ik' ('mooie schrijver ben ik', p.23) zegt hij, als hij in de derde afdeling geen hiernamaals kan bedenken, of zich niet voor kan stellen hoe hij erbij loopt als hij tachtig is. Hij maakt zichzelf niet beter dan hij is, als hij beschrijft hoe hij vroeger een klasgenootje pestte in het gedicht dat eindigt met: 'wy fielden ús lekker // wy wienen gemeen' ('wij voelden ons lekker // wij waren gemeen', p.24). Hij weet niet of hij verrader of verzetsman zou zijn in een oorlogssituatie, onderdaan of onderdrukker (p.25). En in de volgende afdeling beziet hij zichzelf als dertiger die 's avonds het liefst op de bank zit met een glas wijn: 'wat ûntwyk ik? // it grutte? / it wichtige? / it aventoer?' ('wat ontwijk ik? // het grote? / het belangrijke? / het avontuur?', p.29).
Bovendien wordt de woede en de agressie ook nog eens ruimschoots gecompenseerd door ontroering. De afdeling 'nee der is gjin lân om grutsk op te wêzen' ('nee er is geen land om trots op te zijn') bestaat uit twee gedichten, waarvan de eerste begint met 'buorfamke / at dyn tún baarnt // lit ik dy dan stikke / of bring ik dy de lytse dea' ('buurmeisje / als je tuin in brandt staat // laat ik je dan stikken / of breng ik je de kleine dood'). Het tweede gedicht eindigt met de regels: 'buorfamke / at dyn tún / wer baarnt // nim ik in suske mei / in mem / en in beppe' ('buurmeisje / als je tuin /weer in brand staat // neem ik een zusje mee / een moeder / en een oma', p. 20). Maar het meest ontroert het slot van de bundel, ingeleid door een motto uit een songtekst van Marillion: 'Why did you hurt the very one / That you should have protected?'. Het is het enige gedicht in de bundel dat een titel heeft: 'Gjin bertekaartsje' ('Geen geboortekaartje'). Daarin kondigt de dichter aan dat hij het er niet bij laat zitten. Hij blijft de tanden van zijn zaag slijpen, maar geeft ondertussen wel raad om goed voor vrouw en kinderen te zorgen en eindigt met de oproep 'lit har net allinnich / lit my net allinnich // skriuw in boek' ('laat haar niet alleen / laat mij niet alleen // schrijf een boek'. Wat een prachtige krant met gedichten.
* De Nederlandse vertalingen bij de Friese gedichten heeft Tsead Bruinja ongetwijfeld zelf gemaakt, zoals dat bij hem meestal het geval is. Van het Fries naar het Nederlands vertalen gaat deze dichter meestal goed af, al frons ik een enkele keer wel eens mijn wenkbrauwen. Nu is het niet zo moeilijk om over vertalingen van poëzie te zeuren, want óf de vertaling is niet poëtisch genoeg, wat nog wel eens het gevolg kan zijn van te letterlijk vertalen, óf de vertaling is te vrij zodat lezers die de oorspronkelijke taal niet kennen 'om de tuin geleid worden'.
Dat laatste beweert bijvoorbeeld Cornelis van der Wal van vertalingen van Jabik Veenbaas in de Spiegel van de Friese poëzie in zijn weblog van 28 december 2008. Hij vindt dat de redactie daar wat kritischer naar had moeten kijken. Vervolgens plaatst Van der Wal wel op 8 januari op zijn weblog zonder commentaar een gedicht van Arthur Rimbaud met een (prachtige!) Nederlandse vertaling van Paul Claes, die omwille van metrum en rijm soms veel verder gaat dan wat Veenbaas doet. Maar goed, Van der Wal raakt in zijn kritiek wel aan mijn gevoel bij deze vertalingen van Bruinja's gedichten: misschien had Bruinja wat kritischer naar zijn eigen vertalingen moeten kijken of iemand anders dat moeten laten doen.
Zoals ik al zei weet Bruinja over het algemeen zijn eigen (en soms ook andermans) gedichten adequaat van het Fries naar het Nederlands om te zetten, maar hier gebeurt dat mij net even te vaak niet goed genoeg. Soms blijft hij mij te dicht bij het Friese origineel; 'ik jou net genôch om dy film / om derhinne' wordt letterlijk vertaald in wat onhandig Nederlands met: 'ik geef niet genoeg om die film / om erheen' (p.4). De mooie dubbelzinnigheid van het Friese 'wat sykje ik / yn de frede' valt weg door de letterlijke vertaling 'wat zoek ik / in de vrede' (p.23). Aan de andere kant ontstaat er door de vertaling in het Nederlands soms een dubbelzinnigheid ('terwijl ik het nest opnam', p. 30) die er in het Fries niet staat ('wylst ik it nêst opkrige').
Opvallend zijn ook enkele afwijkingen van het origineel op plaatsen waar dat niet nodig lijkt: 'in ko dy't yn 'e stront / stiet' wordt naar stijf Nederlands vertaald met 'een koe die in eigen stront / staat' (p. 6). Soms lijkt de vertaling onnodig uit te leggen; 'de winterklean / skansearre' wordt dan bijvoorbeeld: 'de wintervacht / beschadigd' (p.11). En waarom niet het ook in het Nederlands gebruikelijke 'aanslaan' van een hond gebruiken, maar vertalen 'bang voor de hond die blaft' als er in het Fries staat: 'bang foar de hûn dy't oanslacht' (p. 20)? Of waarom een niet in het Fries woordenboek voorkomende samenstelling 'skûlliif' te gemakkelijk vertalen met 'buik'? En misschien maakt het voor de betekenis van het gedicht verder niet uit dat 'de konsjerzje' 'een conciërge' (p. 24) wordt, of 'de kij' gewoon 'koeien' (p. 35), maar toch.
Gemakzuchtig lijkt het ook als in een prachtig gedicht op p. 25 zowel het Friese 'ferdiel ik mysels' als drie strofen verder 'ferpatsje ik mysels' vertaald wordt met 'deel ik mezelf op'. Ronduit lelijk vind ik 'de andere zijn neus zit vol / en zijn lever is stuk' voor 'de oare hat de noas fol / en de lever stikken' (p. 28). En is het slordigheid (typfout? zetfout?) om 'sinajazzmuzyk' te vertalen met 'chinamuziek' (p. 29)? Net zoals het hopelijk slordigheid is dat 'spitigernôch baarnt der gjin twivel / leit der gjin ark' afgezwakt wordt tot: 'jammer genoeg ligt er geen twijfel / ligt er geen gereedschap' (p. 35) en een strofe verder 'gjin fûsten / om wat foarfallen is / rjocht te breidzjen' in het Nederlands wordt:'geen gereedschap of vuisten / om wat er gebeurd is / recht te breien'.
-
Tot nu toe heb ik zo'n vijf keer een gedicht voor het radioprogramma Dit is de dag mogen schrijven, steeds binnen een uur en over een of meerdere gasten van het programma.
Het gedicht dat ik vandaag moest schrijven, viel me zwaar, aangezien ik een gedicht moest schrijven voor een collega en dan nog wel Driek van Wissen, de huidige dichter des Vaderlands.
Uiteindelijk is het een aardigheidje geworden, dat vooral bedoeld was als een compliment op het werk van van Wissen, die van anderen al genoeg kritiek krijgt:
beste driek
de taal is het voertuig van de geest
maar de onze is een krakende wagen
hoorde ik je jaren geleden zeggen
en die waarschuwing is me bijgebleven
nu word je bijna uit je functie ontheven
en staan we ontroostbaar aan de kant
maar vrees niet er wacht je een eervol nieuw ambt
en dan wel één voor de rest van je lange leven
mocht ik je opvolgen
over de komende twee spannende weken
dan grijp ik namelijk snel mijn kans
en stel ik je als derde dichter des vaderlands
met alle plezier aan
als de eerste monteur des nederlands
Ik moet de hele tijd denken aan die reclame waarin gezegd werd: 'Gelukkig heeft hij meer verstand van verzekeren.' Dat kun je bij mij in ieder geval niet zeggen over het schrijven van rijmende gedichten ;o)
Dat het schrijven van een gedicht voor een collega nog iets beters op kan leveren, bewijst onderstaand gedicht dat ik op uitnodiging voor H.C. ten Berge maakte:
walmende ezelrug op een lentemorgen
roept de oud-boer aan het eind van zijn werkdag de ezel
dan galoppeert die op hem afen net als de oud-boer denkt dat het dier met hem mee komt
schiet de ezel voor hem langsde oud-boer lacht om het spel
en zijn vrouw lacht om de oud-boer
in de lege stal krijgt hij zijn voer
kruipt warmte van zijn stugge hand
in soepel veleen avond volgt met suiker op echte boter op vers witbrood
en een oude mosterdbeker met melkdrie uur zappen
zdf wdr nrd
nederland 1 en 2
appeltje schillen
leeuwarder courant
het circus van de slaapmorgen gaat de kiel weer aan
schieten de voeten na gekookt ei
en aardbeien in afgeknipte laarzen
mag de ezel het weiland inen voordat het spel zich ritueel herhaalt
dampt iets van de warmte uit de boerenhanden
van de avond ervoortijdens het vroege grazen
als een richtingloos gebed
uit de ezelsrugde onverschillige hemel in
Motto bij dit gedicht: 'als onderaards er is poëzie in de mens / ontgroeit zij de schors / een vogel rilt in mijn hand / de namiddagzon sneeuwt hiëroglyfen / rond de stam*
* uit Poolsneeuw H.C. ten Berge (Polak & Van Gennep)
-
Terwijl ik gisteravond mijn eerdere blog schreef, mijn mail checkte en met een schuin oog naar Pauw en Witteman keek, waar een man te gast was die op jonge leeftijd Alzheimer had gekregen, moest ik terugdenken aan de film Iris over de schrijfster Iris Murdoch, die aan dezelfde ziekte leed. Nadat ik die ontoerende film had gezien, schreef ik onderstaand gedicht:
MET EEN GROOT WIT NUMMER OP DE RUG
1.
in zijn glimmende rode wijde american football shirt
spreidt de jongen zijn armeneven lijkt hij zijn vriendin in de deuropening van de trein
de weg te versperrenmaar zodra hij begint te zwieren aan de beugels
en zijn gympen van teen naar hak
het perron loslatenzie ik met hoeveel speelse moeite
hij haar wil laten gaan2.
we willen praten
ze trekt haar schoenen uit
laat haar tenen kronkelen
door het topje van de pantywe willen schreeuwen
ze ontspant haar tenen
en strekt haar benen
over een krant
op het bankjealsof bloed weer mag stromen
laten we iets zoeken om te vieren
iets om te zingen3.
hij oud en warrig
zij slim en dementerendze verlaat zichzelf
en hij neemt geen afscheidzoekt naar nieuwe taal
waarin hij ontdekkingen vermoedwil haar niet kunnen bijhouden
het gebeurt in een film over een stel op leeftijd
waarin we de herinneringen van iris murdoch
uitzwaaien tot ze sterften hij met haar jurk in zijn handen achterblijft
het is laat en ik loop sniffend naar de keuken
waar morgen de nieuwe wasmachine wordt gebrachtwe zijn jong
ik gebruik het minder felle licht
zodat ik mezelf niet zal zien
maar bij het plassen mislukt hetik zie mijn sippe lippen
en op mijn borst boven het hemd
plakt een flinter oude kaas
die ik at bij de wijnsas ligt boven naast de wekker
en onze trouwfotode nieuwe wasmachine komt morgen
tussen half elf en half één
zegt de websitewie van ons gaat het eerst vraag ik me af
en redden we het met zijn tweeënhoeveel wasmachines mag dit uitzwaaien duren
-
Ben net thuis van een leuke avond op de Kring, waar Erik Menkveld en ik onze plannen mochten toelichten en er ook gedichten werden voorgelezen door Kristian Kanstadt en Peter M. van der Linden.
Van der Linden vertelde dat hij aan een bundel met verstilde gedichten werkt onder de titel Zendag en Menkveld las nieuwe gedichten die rijmden en die hij met kracht voorlas als een rasechte performer. Gebalde vuisten!
Menkveld publiceerde vandaag zijn plannen, die absoluut de moeite waard zijn. Ze zijn hier te lezen, net als de plannen van Ramsey Nasr.
Diana Ozon en Sven Ariaans praten met Erik Menkveld
Een vurige voordracht van Erik Menkveld
Kristian Kanstadt van ver (sorry)
Peter M. van der Linden
Publiek gefotografeerd tijdens mijn optreden. Ik beloof beterschap en een betere camera!
-
subversief
Poëzie
wanneer zij komt
eerbiedigt niets.
Geen vader en geen moeder.
Wanneer zij komt
uit een van haar spelonken
heeft ze lak aan de Staat, de Burgermaatschappij,
heeft ze schijt aan Verkeer en Waterstaat
en hinnikt ze
als een hitsige
hoer
voor het Paleis van de Dageraad.En pas daarna
denkt ze na: dan kust ze
op de ogen hen die slecht verdienen
wiegt ze aan haar borsten
hen die dorsten naar geluk
en naar rechtvaardigheidEn ze belooft het land in brand te steken
© Ferreira Gullar
© vertaling August WillemsenUit de bloemlezing Morgen is weer geen andere dag (Wagner & Van Santen,2003)
Bovenstaand gedicht las ik vannacht, nadat ik een hele avond had zitten mailen en eerst moest landen, voordat ik naar bed zou gaan. Met een half oog keek ik tijdens het lezen naar de film Cast Away met Tom Hanks, over een man die op een eiland strandt en daar op een gevonden voetbal een gezicht schildert. Hij geeft die bal een naam en voert er hele gesprekken mee. Waarschijnlijk is die denkbeeldige interactie hetgene dat er voor zorgt dat hij niet compleet doordraait. Het is een film die ik keer op keer kan zien.
Ik was dus wat in het bladeren in het werk van de Braziliaanse dichter Ferreira Gullar en bleef bij dit gedicht hangen, Waarom? Waarschijnlijk vanwege de vermenging van straattaal met literaire taal en het meedogenloze en verleidelijke karakter van het gedicht. Bovendien ben ik erg snel overtuigd van een gedicht als er iets in de fik gaat. Zo prevel ik met enige regelmaat en groot plezier 'brand brand in het kleine dorpje' van Tonnus Oosterhoff voor me uit.
Eerder liet ik op dit blog al een ouder gedicht lezen over een brandend huis. Nu wil ik tegenover het gedicht van Gullar twee gedichten uit mijn laatste bundel Angel plaatsen.buurmeisje
als je tuin in brand staatlaat ik je dan stikken
of breng ik je de kleine doodfriendly fire
collateral damagebang voor de hond die blaft
als ik met mijn vriend over het hek kombang voor je vader
die van werk en café
weer thuiskomtvoor zijn vrienden
en collega’s*
vriend als ik je meeneem
de brandende tuin in
van mijn buurmeisjeneem dan je zusje mee
dan vraag ik mijn moeder
en omahaar hond die zou blaffen
likt onze handeneen uitgerolde tuinslang
verzuipt machtig onkruid
kogels winterzaadbuurmeisje
als je tuin
weer in brand staatneem ik een zusje mee
een moeder
en een omaDe gedichten zijn onder andere een reactie op de invasies van het Amerikaanse leger in Irak en Afghanistan. Ik vroeg me af wat er zou gebeuren als men in plaats van met een groep mannen, met een groep vrouwen een land binnen zou gaan. Ik heb zo’n vermoeden dat er dan heel wat minder bloed vergoten zou worden. Pas bij het schrijven van het tweede gedicht had ik dat overigens door. Misschien zocht ik een vredigtegenwicht voor het agressieve begin. Ik kan me het niet meer precies herinneren.
Dat niet precieze weten, houdt het gedicht spannend voor me en daarom lees ik het graag voor. Het is net als een goede film die je al tig keer gezien hebt. Je weet hoe het afloopt en waar het over gaat, maar tegelijkertijd gaat die film over een vraag waar je geen vast antwoord op hebt.
Vanavond ga ik de rest van Cast Away kijken. Ik wil nog één keer langs de vertwijfeling en gekte schuren die Tom Hanks ondergaat als hij midden op zee zijn vriend de voetbal kwijtraakt. Daarna duik ik nog even in de gedichten van Gullar op zoek naar het vuur en de vertwijfeling van de poëzie.
Goeds,
Tsead








