Poëzie van nu 113: ‘Wat deed ik daar’ van Tsead Bruinja

Mario Molegraaf belicht in deze rubriek recent verschenen bundels van Nederlandse en Vlaamse dichters. Deze keer schrijft hij over Wat deed ik daar van Tsead Bruinja:

Het is een heel mistige ochtend in Noord-Frankrijk. Ik ga naar Notre Dame de Lorette, een van de vele oorden in de omgeving waar de doden van de Eerste Wereldoorlog worden herdacht. ‘Zon en mist zorgden voor een vreemd effect, kerk en herdenkingstoren zweefden alsof ze een fata morgana waren,’ schreef ik in mijn reisdagboekje. Het treurigste was de ‘ring van de herinnering’, een ‘zich in een eindeloze cirkel uitstrekkend namenmonument, 550.000 van a tot z, allemaal gesneuveld in deze streek, en nu teruggebracht tot een naam, tussen vrienden en vijanden’.

Ik moest weer aan dit monument denken door het indrukwekkendste Nederlandse gedicht dat ik in lange tijd las: ‘hoeft een naam iets’ van Tsead Bruinja (1974), onderdeel van zijn nieuwe bundel Wat deed ik daar. Hij schreef het gedicht naar aanleiding van ‘het lezen van de 102.000 namen in Kamp Westerbork,’ zegt hij. Maar het is in allerlei onthutsende omstandigheden toepasselijk. Een gedicht dat iedereen moet lezen, een gedicht dat zelfs het kilste hart zal verwarmen.

P
Bron afbeelding: https://nl.pinterest.com/pin/523473156698017185/

Bruinja’s bundel is poëzie met een P. De p van persoonlijk en van onverholen provinciaal, hij schrijft ook in het Fries. De p van plankton en de p van pompoen. De p van paginaloos (inderdaad, paginanummers ontbreken in dit boek) waardoor ik als bespreker met plakpapiertjes aan de slag moet. De p van preek en de p van politiek. De dichter verwijst sarcastisch naar een bekende Wilders-leus: ‘wilt u meer of minder plankton?/ dan gaan we dat regelen’.

Een rijke bundel is het, alles tussen de p van plan en de p van persiflage. De p van polemiek, poëzie tegen prietpraat: ‘deel je je gebutste waarheden/ met je eigen schorem’. Maar zeker ook de p van pret en dus soms de p van plechtig, bijvoorbeeld in het namengedicht: ‘namen mogen alleen langzaam verdwijnen uit onze gedachten/ en niet voordat ze een afscheidsdansje hebben gemaakt/ op onze bevende lippen’. Ik zei daar bij Notre Dame de Lorette hardop een paar namen. Geen reactie vanuit de mist.

hoeft een naam iets?

elke naam moet ten minste
één keer worden gespeld op het gemeentehuis
vreugdevol door een ouder die met die naam een geloof
een held een vriend of een familielid in leven houdt
 
elke naam moet minstens vierduizend keer
worden geroepen vanuit een halfopen buitendeur
terwijl de warme lucht van het avondeten zich
door een keukenraam een koude kinderneus in krult
 
alle namen horen zeker vijfmaal op het puntje van de tong
van een beste vriend te liggen bij de vraag
naar wie zijn of haar beste vriend is
en waarom
 
geen één naam verdient het ongefluisterd te blijven
en niet via het oor van een geliefde
buitengewoon vaak de buik van die ander
te kriebelen
 
daar zijn namen voor gemaakt
 
namen horen een leven lang mee te gaan
en met een leven weet u heel goed
wat ik bedoel
 
namen mogen alleen langzaam verdwijnen uit onze gedachten
en niet voordat ze een afscheidsdansje hebben gemaakt
op onze beven de lippen
 
er is geen enkele reden om de naam
van een muur te schroeven
 
als die naam niet een nieuw huis
te wachten staat

Bron: https://www.mdnl.nl/?p=17640 – website Maatschappij der Nederlandse Letterkunde

Posted in