Janita_monna
9 januari 2025
 
 
In veelvormige, spreektalige gedichten laat de voormalige Dichter des Vaderlands zien dat verbondenheid nodig is om de angst te lijf te gaan.
 
Wanneer mag je prikkeldraad om je tuin spannen? Niet echt een vraag die je verwacht in poëzie. Toch komt die een aantal keer terug in de nieuwe dichtbundel van voormalig Dichter des Vaderlands, Tsead Bruinja. De vraag geeft als het ware de sfeer aan van de samenleving waarin deze bundel is ontstaan. Een sfeer van angst, bijvoorbeeld voor ‘keurig uitziende jonge mannen’ die doen alsof ze collecteren voor een goed doel, waarvoor buren elkaar waarschuwen via de app ‘Nextdoor’, waar dit citaat uit komt.
 
Bruinja schreef met Wat deed ik daar een ‘voluptueus biografies visiedocument met intermezzo’s en af en toe een gedicht’, zo vermeldt het titelblad. De grote woorden en lege hulzen waarmee dat type documenten volstaan, ontbreken in deze bundel gelukkig, al bevat die wel iets wat je visie zou kunnen noemen.
 
In veelvormige, spreektalige gedichten, met fragmenten die hier en daar rechtstreeks uit de werkelijkheid zijn geplukt (of met hulp van ChatGPT zijn ontstaan), en waarin Nederlands en Fries zijn vermengd – keren we terug naar de coronatijd; schetst Bruinja een samenleving van ‘zwoegen en haasten’ en laat hij de onderbuik spreken die ‘jeremieert over woorden/ die je niet mag gebruiken’.
 
 
De serie gedichten die Bruinja maakte als Dichter des Vaderlands (2019-2020), op basis van gesprekken met ouderen in Friese zorginstellingen, lijken daarbij een soort tegenhanger. Mannen en vrouwen die erin aan het woord komen, tonen een wereld van (boeren)handwerk, waarin mensen elkaar kenden. Overigens niet per se een betere wereld – met broers die ‘graatmager uit het kamp in Duitsland kwamen’, kostwinners die ziek werden door werken met asbest. En toch klinkt er een toon van acceptatie: ‘We redden het wel. De gehaktbal kon wat kleiner of/ door de helft.’
 
Bruinja laat zien dat verbondenheid nodig is om angst te lijf te gaan. Zijn visie is er een van ‘ken elkaar’. En daarbij past ook het onroerende gedicht dat hij schreef voor het oplezen van de namen in kamp Westerbork. ‘elke naam moet minstens vierduizend keer/ worden geroepen vanuit een halfopen buitendeur/ terwijl de warme lucht van het avondeten zich/ door een keukenraam een koude kinderneus in krult’.
 
Omzien naar elkaar, naar het kind, en naar de oudere. Want daarmee eindigt de bundel. Met de hoop dat hetzelfde dorp dat nodig is om een kind op te voeden, er ook is ‘om die laatste jaren tot een fatsoenlijk einde te laten komen’.
 
 
elke naam moet ten minste
één keer worden gespeld op het gemeentehuis
vreugdevol door een ouder die met die naam een geloof
een held een vriend of een familielid in leven houdt
 
elke naam moet minstens vierduizend keer
worden geroepen vanuit een halfopen buitendeur
terwijl de warme lucht van het avondeten zich
door een keukenraam een koude kinderneus in krult
 
alle namen horen zeker vijfmaal op het puntje van de tong
van een beste vriend te liggen bij de vraag
naar wie zijn of haar beste vriend is
en waarom
 
geen één naam verdient het ongefluisterd te blijven
en niet via het oor van een geliefde
buitengewoon vaak de buik van die ander
te kriebelen
 
daar zijn namen voor gemaakt
 
namen horen een leven lang mee te gaan
en met een leven weet u heel goed
wat ik bedoel
 
namen mogen alleen langzaam verdwijnen uit onze gedachten
en niet voordat ze een afscheidsdansje hebben gemaakt
op onze beven de lippen
 
er is geen enkele reden om de naam
van een muur te schroeven
 
als die naam niet een nieuw huis
te wachten staat

 
Janita Monna (1971) is journalist en recensent. Ze was redacteur bij Poetry International en nam het initiatief voor de jaarlijkse Gedichtendag. Voor Trouw schrijft ze over poëzie.
 
Wat_deed_ik_daar

Wat deed ik daar is een bundel over ontgoocheling door een wereld die zorgt voor stramme weiden en gekneusde slootjes en een bundel vol betovering door de liefde, zonder wie het anders naakt zijn is. Maar het is ook een bundel met een neoarchaïsche ode aan Huizinga’s Herfsttij der Middeleeuwen en poëzie waarin Tsead Bruinja zich afvraagt waarover potvissen zouden roddelen als ze plaatsnamen in het Parlement van de Noordzee. Hier is een tobberige homo ludens van middelbare leeftijd aan het woord die uiteindelijk droomt dat:

de kinderen met de kinderen langskomen

en er een paar klompjes

bij de achterdeur op de mat

worden uitgeschopt

 


Posted in