Dit gedicht van Raj Mohan is opgenomen in "De eerste bloemlezing van de Nederlandse poëzie – 100 gedichten uit het Koninkrijk van 1945 tot nu" (Querido, november 2022). Het is afkomstig uit 'Bapauti/Erfenis' (In de Knipscheer, 2008). De vertaling uit het Sarnami werd gemaakt door de auteur.

https://www.indeknipscheer.com/raj-mohan-bapautierfenis/

karyá-ujjar

lipáy ke Hollánd ke gobar se
Sarnám ke denhi lukwáy gail
bakran ke riváj men
kaise sanáy ke
tani der khátir
ujjar ban gaili

thandhá des ke ági men
senkáy ke cháro kaiti
parosal paral soná ke tharyá men
duno háth moori pe dhar ke
sochilá
chhuri ka jáne
katat dhanthi ke pirá
kalchhul ka jáne
chhaunkal dál ke sawád

*

zwart-wit

ingesmeerd met Hollandse koemest
is niet meer te herkennen
mijn Surinaams lichaam
hoe toch in tradities van Hollanders
gemengd
ben ik voor even
wit geworden

in de haard van een koud en kil land
geroosterd aan alle zijden
op een gouden schaal opgediend
met beide handen op het hoofd
denk ik
wat weet een mes van de pijn
van de steel dat gesneden wordt
wat weet de pollepel van de smaak
van gefruite linzensoep

© Raj Mohan

https://www.singeluitgeverijen.nl/querido/boek/de-eerste-bloemlezing-van-de-nederlandse-poezie/

Bloem

Posted in