
Door Dieuwertje Mertens
Dichter des Vaderlands Tsead Bruinja mocht in de zomer van 2020 op uitnodiging van de Pompestichting met tbs’ers en hun behandelaars spreken. Dit resulteerde in de bundel Springtij; gedichten over het leven met tbs. ‘Documentaire-poëzie’, is de noemer die Bruinja eraan geeft.
In mijn twintiger jaren had ik een baantje op de medische post van een tbs-kliniek. De verpleger die me de eerste dag rondleidde, zei: ‘We onderscheiden grofweg zedendelinquenten – voornamelijk pedofielen – en moordenaars. De vrouwen hebben meestal hun kind omgebracht. Er zijn mensen met gevaarlijke wanen. Meer hoef je niet te weten.’ De ‘gevaarlijke’ tbs’ers die ik er zag, waren vooral terneergeslagen, gesedeerd of na een lang verblijf volledig geïnstitutionaliseerd. Bruinja voert de stemmen van verschillende tbs’ers op, in ieder gedicht ‘x’ genoemd. We kunnen ze onderscheiden door hun verhaal, achtergrond, sporen van gepersonaliseerd taalgebruik en de mate van samenhang waarmee ze hun verhaal vertellen.
Bruinja heeft ervoor gekozen om de stemmen niet rechtstreeks op te voeren, maar vanuit de derde persoon te dichten en af en toe een citaat zonder aanhalingstekens in te voegen. Daarmee creëert hij een afstand, die er in wezen natuurlijk ook is. Er is slechts één gedicht waarin ‘x’ rechtstreeks tot de lezer spreekt: ‘Ik wil niet de indruk wekken/ dat het altijd aan de ander ligt.’
x weet het ook niet meer
ik was iemand die ervoor gezorgd heeft
dat ik hier terecht ben gekomen
ik wil niet de indruk wekken
dat het altijd aan de ander ligt
ik was verslaafd
ik ben er vijftien jaar vanaf
ik ben geen leider
ik ben iemand die de schuld krijgt
ik heb de naam gekregen
dat ik een groep ontwricht
dat ik het team ontwricht
ik vind het moeilijk om kwetsbaar te zijn
ik ben bang dat ik overlopen word
ik weet niet meer hoe ik met mensen om moet gaan
ik vind dat het strafbaar gesteld moet worden
wanneer iemand niet zegt hoe hij mij ervaart
en daarmee de beeldvorming over mij beïnvloedt
het lijkt erop dat je helemaal perfect moet zijn
om geholpen te kunnen worden
ik sta altijd tien-nul achter
ik heb altijd gedacht dat ik die tien-nul
zou kunnen inhalen
ik ben blij dat iemand ziet
dat er bij mij groei is ontstaan
als ik alles zelf zou kunnen aanleren
zou ik hier niet zitten
Ontwapenend zijn de details, zoals de x die door onder meer zijn ‘nette overhemdje’ uit de toon valt in de kliniek en zich probeerde aan te passen door een hoody te dragen, ‘hij voelde zich er nooit gelukkig in’.
De gedichten bestaan steeds uit eenvoudige, onder elkaar gegroepeerde zinnen, met een enkele zorgvuldig geformuleerde uitschieter zoals: ‘als hij de zee woest hoort beuken/ is hij nietig onvatbaar.’
De dichter lijkt vooral te hebben ingegrepen in de selectie en ordening van de hem aangereikte verhalen. Soms vroeg ik me af in hoeverre er sprake is van poëzie. Er is immers geen sprake van meerduidigheid of afwijkend taalgebruik. De strofes zijn gerangschikt als thematisch samenhangende alinea’s. Er is sprake van een enkele herhaling of een losse zin in de schijnwerpers.
Maar het draait juist om wat er níét staat; de reden van het verblijf, hoe het leven daardoor werd verwoest. De Dichter des Vaderlands dicht: ‘volgens x leven ze niet hier/ ze worden geleefd (…) buiten is het leven’. Hij geeft deze aan de maatschappij onttrokken mensen een gezicht.
Springtij (Querido) – https://www.singeluitgeverijen.nl/querido/boek/springtij/