Een afgewogen stuk in de Trouw vandaag over 'hingje net alle klean op deselde kapstôk / hang niet alle kleren aan dezelfde kapstok' door Janita Monna:

Wat mist is de dichter zelf 

Weinig geladen taal afgewisseld met regels die nieuwsgierig maken
 
Het kan de lezer van deze krant niet zijn ontgaan: Leeuwarden is Culturele Hoofdstad. Een jaar is de Friese stad, is de hele provincie, ondergedompeld in kunst en cultuur. In theater, beeldende kunst, literatuur.
 
En dus ook in poëzie. Want goeie dichters, daar zit Friesland niet om verlegen. Een van de groten, Tsjêbbe Hettinga (1949-2013) wordt dit jaar in zijn geboortedorp Burgwerd geëerd met een voorstelling geïnspireerd op zijn werk.
 
Ook de scheve Leeuwarder toren, de Oldehove, is decor voor taal, voor poëzie: komende maanden is een werk dat dichter Tsead Bruinja maakte in samenwerking met Herman van Veen en Jules van Hulst op de bijna veertig meter hoge toren te zien.
 
'foarlopich lân / voorlopig land' heet de cyclus die Bruinja voor het project schreef, en die is ook te lezen in zijn nieuwe bundel.
 
'hingje net alle klean op deselde kapstôk / hang niet alle kleren aan dezelfde kapstok' is een tweetalige bundel – Bruinja schrijft zowel in het Fries als in het Nederlands.
 
Zijn vorige bundel, het 'Nederlandstalige Binnenwereld, buitenwijk, natuurlijke omstandigheden' (2015), was een voorlopig hoogtepunt in zijn oeuvre. Waar Bruinja zich in eerder werk wel kon verliezen in anekdotiek, vond hij hier in muzikale regels een balans tussen huiselijkheid en maatschappij.
 
In 'kapstok' heeft hij zich vrijwel weggeschreven. De dichter, die mooie autobiografische verzen schreef – over zijn vader en over zijn jeugd – is naar de achtergrond verdwenen. Onder meer om plaats te maken voor Titus Brandsma, de Friese pater die zich verzette tegen het nazisme, die werd opgepakt door de Duitsers en uiteindelijk stierf in Dachau. Bruinja draagt een reeks aan hem op. In sobere, eenvoudige taal, schetst hij zonder op effect uit te zijn, de omstandigheden waaronder Brandsma in het kamp leefde, hoe hij ook daar het goede wilde doen: 'in een brillendoos onder zijn oksel / bewaarde hij de hostie waar het hele kamp / mee gezegend werd'.
 
Lang niet altijd zijn de verzen helder: te vaak zijn zinnetjes in een staccato-ritme opeengestapeld en is een verband lastig te vinden: "een opstand aanvuren / de rand weghalen // het vuur kalmeren / de aankomst afzeggen".
 
Articulatie
 
Weinig geladen taal wisselt Bruinja af met regels die nieuwsgierig maken, met scherpe beelden: "het was onze eerste winter hier / elke dag namen wij een hap uit de zon / die anders was dan thuis".
 
De bundel besluit met een intrigerend sprookje over een dorpje waar een raadselachtige moeder en een zoon plotseling hun intrede doen. Bruinja weet de gesloten wereld van het dorp en zijn bewoners raak te vangen.
 
Maar uiteindelijk mist de bundel iets, en misschien is dat de dichter zelf. Misschien heeft Bruinja zichzelf net iets te veel weggeschreven.
 
ZE SCHOPTEN ANNO SJOERD EN ZE SCHOPTEN TITUS
 
ze schopten anno sjoerd en ze schopten titus
tot de pater bloedde en de bloedende zei
 
wij zullen voor die mensen bidden
zodat ze tot inzicht komen
 
collectieve armoede zou
de zaak kunnen keren
 
het kasteel van de ziel
kregen de laarzen niet kapot
 
in een brillendoos onder zijn oksel
bewaarde hij de hostie waar het hele kamp
mee gezegend werd
 
hij weigerde te geloven
dat de dorre grond
geen vrucht kon dragen
 
ze schopten titus en ze schopten anno sjoerd
in mijn ogen een raadsel
dat een raadsel vervloekt
 
ze schopten om schoenen die te smerig
een bed dat niet netjes genoeg
 
vertrouwen in het hoge
een smalle akker voor de een
onwrikbaar fundament
voor de ander
 
hij wist wat hij bij zich droeg
dat wat in alles zit
 
ook in de broeder
die lappen om de zweren
 
onder zijn voeten bond
*
 
SE SKOPTEN ANNO SJOERD EN SE SKOPTEN TITUS
 
se skopten anno sjoerd en se skopten titus
oant de pater blette en de bliedende sei
 
wy sille foar dy minsken bidde
sadat se ta ynsjoch komme
 
kollektive earmoed soe
de saak keare kinne
 
it kastiel fan de siel
krigen de learzens net stikken
 
yn in brilledoaze ûnder syn earmsholte
bewarre er de hosty dêr’t it hiele kamp
mei segene waard
 
hy wegere te leauwen
dat de toarre grûn
gjin frucht drage koe
 
se skopten titus en se skopten anno sjoerd
yn myn eagen in riedsel
dat in riedsel ferflokt
 
se skopten om skuon dy’t te smoarch
in bêd dat net kreas genôch
 
betrouwen yn it hege
in smelle ikker foar de ien
ûnwrikber fûnemint
foar de oar
 
hy wist wat er by him droech
dat wat yn alles sit
 
ek yn de broeder dy’t him
lapen om ’e swolmen
 
ûnder de fuotten bûn
 
*
 
Bron: Trouw, 10-2-2018
Posted in