"Ga eens in gesprek met je huisdier", stond er afgelopen maandag als kop boven een stuk in de Trouw over filosofe Eva Meijer. Meijer publiceerde het boek Dierentalen waarin ze onder andere vertelt over hoe dolfijnen elkaar bij naam noemen. Ik vraag me dan meteen af hoe een dolfijnenkalf aan zijn of haar naam komt, maar het beantwoorden van dat soort vragen schijnt niet het doel van Meijers boek te zijn. Het gaat haar erom dat we het dier meer als een individu met rechten moeten leren zien in plaats van als een object. Laten we "niet alleen denken over, maar ook mét dieren."

Ik kan me geen gesprek herinneren met onze hond Astrid, maar ik zal ongetwijfeld tegen haar hebben aangekletst, want ik doe dat nu ook tegen de kat van onze buren, Djessims. Hele uitgebreide gesprekken zijn dat niet. Het gaat voornamelijk om "hallo, schatje", "wat ben je lief" en "wil je weer naar huis?".

IMG_5046

Met Astrid voerde ik tijdens mijn vroege tienerjaren iets langere conversaties. Tijdens oud en nieuw, misschien in 1989 of 1990, kroop ik naast haar onder het bed van mijn ouders, of eigenlijk het bed waar mijn vader en zijn nieuwe vrouw in sliepen. Astrid liep nooit de trap op, maar als ze vuurwerk hoorde, en in Kollum werd er flink met carbidbussen geknald, stoof ze naar boven. Ik probeerde haar gerust te stellen, maar ik denk niet dat ze mij verstond. Ze bleef maar piepen.

Jaren daarvoor gaf Astrid geen gehoor aan de woorden van mijn moeder toen ze een bunzing zag. Mijn moeder vertelde hoe ze Astrid angstig waarschuwde niet achter het beest aan te gaan, omdat het gemeen kon bijten en misschien wel ziektes met zich meedroeg. Maar Astrid zette de achtervolging in, nam het roofdiertje tussen haar kaken en sloeg het dood tegen een puinmuurtje. Mijn moeder glunderde. Een week later stond de bunzing opgezet op een boomstammetje in de gang. Voordat ik de trap opging naar mijn slaapkamer liet ik graag mijn vingers over de boze hoektanden in het open bekje gijden.

Na het overlijden van mijn moeder en het hertrouwen van mijn vader ging Astrid naar mijn opa, de vader van mijn moeder, in Oostrum. Een keer per week sprong ze op de achterbank van de rode Opel Kadett wanneer Pake Klaas naar Âldtsjerk reed om het graf van zijn dochter op te zoeken. Hij schijnt daar hele verhalen tegen haar te hebben gehouden. Van hem hoorden we dat bij het eerste bezoek Astrid, voor hem uit, in een keer het graf wist te vinden. Ze zat daar op hem te wachten terwijl hij met verse bloemen in zijn armen en schoongespoelde groentepotjes van HAK aan kwam lopen. De steen werd geboend. Het gesprek was begonnen.

*

Deze column verscheen eerder in de Leeuwarder Courant: www.lc.nl

Posted in