De eerste Bruinja die in deze krant aan het woord kwam, was mijn vader Foeke Bruinja. Hij sprak tijdens een avond over de samenvoeging van een aantal dorpen tot het huidige Damwoude. Het moet eind jaren zestig zijn geweest. Diezelfde vader zat enkele dagen voor kerst tegenover mij aan tafel in het huis van mijn zus en haar man in Beetsterzwaag. Eerder had ik hem al eens gevraagd naar zijn verhouding met zijn vader. Aangezien hij niet veel over hem sprak, dacht ik dat mijn opa en hij misschien geen goede relatie hadden gehad. Niets bleek minder waar. Mijn opa, die ook de naam Tjeerd Pieter Bruinja droeg, en die ik alleen ken van foto’s waarop ik meer aandacht lijk te hebben voor mijn grote oranje kiepauto dan voor hem, bleek een man van weinig woorden. Trots dat hij zijn naam doorgegeven had, overleed hij, voordat ik hem kon leren kennen.
Wellicht was ik nog meer geïnteresseerd geraakt in het verleden van mijn vader door het lezen van Nyk de Vries zijn nieuwe roman Renger. De Vries verwerkt daarin op ontroerende wijze het verhaal van zijn vader, een achterdochtige bouwvakker die de crisis van de jaren dertig nog heeft meegemaakt en die in zijn schuur te Noordbergum alle plankjes, spijkers en schroeven die op de bouwplaats overblijven bewaart. Die vader verbergt een groot geheim dat na zijn leven aan het licht komt. Hij heeft op verschillende rekeningen een klein vermogen gespaard, een erfenis waarmee Nyk de Vries later in alle vrijheid zijn prachtige roman schrijft.
Te Beetsterzwaag vlak voor de kerst kwamen er geen riante spaarbankboekjes tevoorschijn, maar mijn vader en mijn stiefmoeder hadden wel het trouwboekje van pake Tsead en beppe Aal meegenomen. Wij controleerden de jaren van hun overlijden en berekenden onze eigen leeftijd. We zagen dat zo’n tien jaar voor het nakomertje Foeke er een eerdere Foeke was geweest die het niet had overleefd. En toen vertelde mijn vader over de oorlog.
Het was 1945. Het einde van de oorlog naderde. De Duitsers waren teruggedrongen tot het Noorden en pake Tsead, de pachtboer van weinig woorden, werd opgeroepen om schuttersputjes te gaan graven in Drenthe. Na enkele dagen stonden de uiers van de koeien bijna op ploffen. Beppe Aal richtte zich daarom tot de plaatselijke bevelhebbers en moet daarbij flink voortvarend te werk zijn gegaan. Want even later zat ze op de bok van een wagen om haar man op te halen. De koeien konden weer worden gemolken.
Diezelfde nacht, volgende week vrijdag zeventig jaar en precies negen maanden geleden, waren pake Tsead en beppe Aal zo blij om elkaar weer te zien dat ze een tweede Foeke verwekten. Wij keken elkaar aan, daar in Beetsterzwaag vlak voor de kerst 2015. Wij keken elkaar aan dankzij de Duitsers.
*
Deze column verscheen eerder in de Leeuwarder Courant – www.lc.nl
