"Je raakt iets aan wat ook van hen is," antwoordde de jonge dichteres Marieke Rijneveld afgelopen zaterdagmiddag tijdens de Uitmarkt in de Balie te Amsterdam. Boekenspecialist Wim Brands had Rijneveld en haar collega Maarten van der Graaff een half uur lang aan de tand gevoeld over hun gedichten en het gesprek was uitgekomen op het geloof. Rijneveld sprak over een roman waaraan ze werkte en vertelde dat ze daarin afstand van het geloof wilde nemen, maar dat ze ook voorzichtig wilde zijn vanwege haar familie. Haar zorgvuldigheid trof me.
Toen Brands zich daarvoor versprak en haar bundel Kalfsvlees noemde, verbeterde Rijneveld hem geduldig en zei dat de titel eigenlijk Kalfsvlies was. De presentator gaf zijn fout ruiterlijk toe en vroeg meteen: "Waarom is Kalfsvlies een betere titel dan Kalfsvlees?" De dichteres, tevens boerendochter, legde uit dat een kalf bij de geboorte een vruchtvlies over zijn kop heeft. De moeder moet dit vlies weglikken zodat het kalf adem kan halen.
Je zou in dat vlies bijna een metafoor zien voor de beschermende laag van een religieuze opvoeding, maar die gedachte verdween snel toen Rijneveld meldde dat ze haar brood verdiende met strontschuiven en melken bij een bedrijf dat iets met koeien deed. De voorzichtige dochter die van het geloof was gevallen, bleek volledig geaard.
Het lezen van Rijnevelds poëzie levert hetzelfde beeld op. In Kalfsvlies is een dichteres aan het woord met respect voor haar familie en, zoals mijn beppe zou zeggen, "een goeie kop op de schouders". Zo opent de bundel met de praktische vraag: "Hoe ga je naar bed als je net een schaap hebt overreden?" In de regels die daarop volgen wordt de veroorzaker van het ongeluk getroost met drank en liggen "koude handen als rauwe sukadelappen" op ogen waaruit even later de wijntranen komen biggelen. Rijneveld grossiert in dit soort vette opeengestapelde beelden en ik houd daar wel van. Er zijn al genoeg gedichten waarin zo veel mogelijk gezegd wordt in zo weinig mogelijk woorden. Klets mij maar de oren van de kop.
Uiteindelijk huilt de automobilist niet meer "om het schaap maar om wie de bestuurder troost". Waarna je als lezer achterblijft met de vraag wat nu eindelijk de geschiedenis is tussen die twee. Het schaap verdwijnt volledig uit beeld.
Ik had Rijneveld willen vertellen over de elektrische strontschuiver in de boerderij aan het einde van de landweg waar ik opgroeide, over hoe klasgenoot Bram en ik daarop gingen staan als we zeker wisten dat zijn vader binnen lag te dutten, over de golven koeienstront die voor ons uit rolden en dat er later wapens in het hooi gevonden waren. Maar ik stapte op mijn fiets naar huis waar de stamppot met rookworst klaarstond en mijn vrouw wachtte. Ik wilde iets aanraken wat ook van mij was.

