In de week van het bonnetje en het boek, stapte ik in de auto van Google Street View en neem plaats op de bijrijdersstoel. Ik stuur de wagen over de Heechfinne, de straatweg door de groene weilanden tussen Damwoude en Rinsumageest. De waanzin waar de stichting Collectieve Propaganda voor het Nederlandse Boek u deze week mee naar de winkel hoopt te lokken, gaat bij mij niet veel verder dan melancholie.
Die melancholie beperkt zich niet tot heimwee naar de grote witte verbouwde boerderij op de Heechfinne met daarin mijn eerste slaapkamer; het huis waar ons telefoonnummer nog uit vier cijfers bestond. Hij bestaat ook uit een verlangen naar de mensen van toen. Maar mijn googlechauffeur lijdt aan Amerikaanse oppervlakkigheid; ik krijg hem maar niet zo ver dat hij even het erf op rijdt van de familie Keegstra aan het einde van weg, zodat ik daar aan tafel kan gaan zitten om toe te kijken hoe de boer bij de thee een heel pak biscuitjes wegwerkt.
Dan maar terug naar de familie Zwaagstra, waar mijn moeder met de buurvrouw een keer in de twee jaar het plafond saust en het behang vervangt, omdat de weduwnaar en zijn twee zonen de tent niet blauw maar geel roken. Ik parkeer Mr. Google even in de berm, spring over de sloot zonder kletspoot te halen, luister naar de eeuwig vrijgezelle zoon Willem die me vraagt of ik nog een kusje van de juf heb gehad en leg in de woonkamer een plaat met piratenhits op de draaitafel terwijl ik de gesprekken tussen Froot, mijn moeder en boer Jerre afluister. “Wol it jonkje noch in folde koek?”
Het jonkje loopt naar de schuur waar de melktank staat. Ik krijg een lege uierzalfemmer mee, met vijf liter melk erin, ik loop er voorzichtig mee door de berm. De emmer is zwaar en als ik niet uitkijk, mors ik de helft op de weg en moet ik nog een keer lopen. Ik groet de vrouw van Eibert, maar niet Eibert zelf. De boer die tussen ons in woont, praat niet meer met ons sinds mijn vader per ongeluk zijn kat doodschoot. “Ik schoot in de lucht,” zei mijn vader toen de boer verhaal kwam halen. “De kogel moet van de weg zijn hoofd in zijn geketst.” De kat met onze duiven in zijn buik voerde maden en wormen. De moord op John F. Kennedy was er niets bij. Wij hadden onze eigen grassy knoll.
In de week van het bonnetje en het boek, stap ik in de auto van google. Ik had ook door de Voorstraat in Kollum kunnen rijden om te kijken of de populaire jongens nog op de brug staan in de winkelstraat voor de opticien. Maar ik stond daar nooit bij. Ik fietste er langs.
Deze column verscheen eerder in de Leeuwarder Courant: http://www.lc.nl/


