Veel van de schrijvers die in dit katern (deze column wordt gepubliceerd in het Cultureel supplement van de Leeuwarder Courant) worden besproken, zijn ontvangers van staatssteun. Zij hebben voor hun roman, gedichtenbundel of biografie een beurs aangevraagd bij het Nederlands Letterenfonds, zodat ze tijd vrij konden maken om aan hun boek te werken.

Voor concullega’s vormt die subsidie een bron van wantrouwen. Zo werd de beurs die Joost Zwagerman ontving onlangs op weinig subtiele wijze tegen het licht gehouden door het blad Propria Cures. Zwagermans schrijven zou überhaupt niet deugen en door opbrengsten uit andere bronnen zou hij eigenlijk helemaal niet in aanmerking mogen komen voor een beurs. Het feit dat zijn huidige vriendin werkzaam is bij hetzelfde fonds, moest dan wel de reden zijn dat Zwagerman toch nog een flinke som was toegekend. Dat die vriendin niet op de afdeling werkt die over de beurzen gaat en dat de hoogte en verstrekking van de beurs niet door de staf van het fonds, maar door externe adviseurs wordt bepaald, werd voor het gemak buiten beschouwing gelaten.

Where_am_i-e1334075234463

Nu ik zelf een vijfde Nederlandstalige bundel aan het voltooien ben, heb ik de aanvraag van drie jaar geleden er weer eens bijgenomen. Ik had destijds nog geen idee waar de bundel over zou gaan, maar ik moest wel iets bedenken. Ik gooide het op de vriendschap: “Het wordt een bundel over vriendschap, liefde en zingeving, waarmee ik totaal geen new age poëzie voor ogen heb, maar juist concrete gedichten over wat er tussen mensen gebeurt en in welk kader die ervaringen daarna worden geplaatst of getoetst.” Bij het Nederlands Letterenfonds zagen ze mijn plan wel zitten. De aanvraag en de beoordeling van eerder werk leverden mij € 20.000 op, steun die ongetwijfeld heeft bijgedragen aan de totstandkoming van de nieuwe bundel en vast ook aan mijn reputatie als apparatsjik en allemansvriend. Gelukkig ben ik een kleine vis en werkt mijn vrouw bij een natuurvoedingswinkel.

John Lennon zei ooit dat het leven is wat er gebeurt terwijl je andere plannen maakt. Dat lijkt ook te gelden voor mijn volgende bundel. Vriendschap maakt weliswaar een belangrijk deel uit van de eerste afdeling van het boek, maar daarna komen er hele andere thema’s aan bod, waaronder de huidige strijd in het Midden-Oosten en de erbarmelijke arbeidsomstandigheden in de fabriekjes waar onze telefoons worden gemaakt (beschreven door de ontrotse gebruiker van een Samsung Galaxy S II).

Die verschuiving in onderwerpskeuze is niet alleen veroorzaakt door de actualiteit; kort na de beursaanvraag was ik voor een optreden aan het bladeren door oud werk.  Ik verbaasde me over het grote aantal odes aan collega-dichters en gedichten over schoolvriendjes. Ik had die vijfde bundel al lang geschreven!

Schrijven moet zich niet te veel aantrekken van gemaakte plannen, en ik moet niet te veel terugkijken. Ik moet, gesubsidieerd of ongesubsidieerd, de wereld in.

P.s. als boekenweekbonustrack hieronder nog twee korte anekdotes die wegens ruimtegebrek niet in de column pasten.

Toen ik deel uitmaakte van de Commissie Letteren van de Raad voor Cultuur zat ik ooit tegenover Adriaan van Dis, die deel uitmaakte van het bestuur van de Stichting Schrijver School en Samenleving. Wij waren daar om te spreken over de toekomstplannen van de SSS, maar van Dis wilde ook nog even kwijt dat hij het idioot vond dat hij steeds voor zijn werkbeursaanvragen een plan moest bedenken. Wij wisten toch ook wel dat je tijdens het maken van een boek vrij moest zijn, zodat je je eigen ingevingen kon volgen. Ik antwoordde dat een romanschrijver als rechtgeaard verhalenverteller met gemak een plan voor een beursaanvraag moest kunnen bedenken en dat het Fonds bijna altijd begrip had voor eventuele koerswijzigingen. Dat had ik als broekje nooit mogen beweren. Van Dis negeerde mij tijdens de rest van het gesprek.

Image_Start20_Front_tcm148-13481

Zwagerman nam samen met Anneke Brassinga en Tomas Lieske een paar jaar geleden tijdens Poetry International deel aan een ronde tafelgesprek over het verschil tussen het schrijven van poëzie en proza. Terwijl Brassinga aan de hand van een van haar Nabokov-vertalingen uitlegde dat ze vooral de vrijheid in de literatuur waardeerde en de vakjes die er bij horen wat minder, zat Joost Zwagerman door zijn eigen bundel te bladeren. Zo nu en dan ontstond er een zinnig gesprek tussen gespreksleidster Margot Dijkgraaf, Brassinga en Lieske, maar Zwagerman leek daar geen aansluiting bij te vinden. Het hielp ook niet dat Lieske op Zwagermans uitleg van hoe hij een roman schrijft ('Ik weet het einde al en werk daarnaar toe'), nogal saai vond. Zwagerman probeerde toe te lichten hoe het net was als het instellen van een route op je Tom Tom, waarbij je op interessante zijwegen kon stuitten, maar dat wilde er bij Lieske niet in. Die reed geen auto en had dus ook nog nooit met een Tom Tom gewerkt.

Ik wens u een goed geplande of een totaal richtingloze boekenweek toe!

Posted in