In 2000, toen er in de Twin Towers nog volop handel werd bedreven, complottheoretici en de mensen achter de complottheoretici even uit hun neus aten en mijn mailadres nog t.p.bruinja@let.rug.nl was, organiseerde ik met dichteres Maria van Daalen het poëziefestival No(o)rdschrift. Dit festival dat ook in Bremen en Leeuwarden plaatsvond, bood een podium aan alle talen en dialecten die gesproken worden tussen Leeuwarden en Bremen, van het Liwwadders tot aan het Plattdeutsch.

Plt

Ik moest denken aan No(o)rdschrift om meerdere redenen. De eerste reden is mijn reis naar India. Naast het voordragen van gedichten in het Fries, Nederlands en Engels, zal ik daar deelnemen aan een vertaalworkshop met dichters die schrijven in het Welsh, Duits, Portugees en de Indiase taal Kannada (ook wel ಕನ್ನಡ), een van de oudste Dravidische talen die door een kleine 38 miljoen sprekers wordt gebezigd.

Eigenlijk kun je wat we gaan doen geen vertalen noemen. We werken allemaal met gemankeerde Engelse werkvertalingen die we tijdens de workshop bevragen en repareren, waardoor je uiteindelijk niet op een perfecte vertaling uitkomt, maar wel meer over de oorspronkelijke taal en de poëzie leert. Er zullen onder die 38 miljoen ಕನ್ನಡ sprekers bovendien weinig Friezen zitten die de Kannada dichteres Mamta Sagar kunnen laten zeggen: ‘Skaden dy’t te gean kaam binne / fan de stêd fan it Ljocht / ferlieze harren skaaimerken yn tsjusterens / meitsje de haat ûngedien / lykas wetter dat har mingt mei wetter.”

Ook voor No(o)rdschrift nodigden we dichters uit om een vertaling te maken. We vroegen de deelnemers om ‘Sneeuwsonnet’ van C.O. Jellema ‘over te zetten’. De eerste regel “Toen ik, kind nog, door hoge vensters dromend” werd in het Fries van Albertina Soepboer “Doe’t ik bern wie, yn hege finsters dreamend”. In het Gronings van Peter Visser stond er “Dou ik, nog kiend, bie hoge roamen ston” (Visser verplaatste de ‘dreumerij’ naar de derde regel) en in het Plattdeutsch van Carl V. Scholz lazen we “Damals ik, Kind noch, drömern dör hoge Finster / sehg”.

Syn

De vertalingen werden voor een geïnteresseerd publiek voorgelezen en besproken in de Synagoge in de Folkingestraat. Zo’n vijfenvijftig jaar na De Tweede Wereldoorlog moest dat kunnen, leek ons. Maar een week voor het festival kwam er een brief binnen. Het dromende kind uit Jellema’s ‘Sneeuwsonnet’ kreeg onverwacht een Joods broertje.

In spijkerschrift werd ons in dat epistel een akelig verhaal verteld van een jongetje dat in een concentratiekamp brood had gestolen en daarvoor terecht werd gesteld. Ik snapte niet wat ik ermee aan moest. Was dit een bedreiging? Waar stond het jongetje voor? Van Daalen en ik brachten de brief naar de politie en hebben er niets meer over gehoord. Die brief was de andere reden waarom ik de afgelopen week aan aan No(o)rdschrift moest denken. Je suis menacé light.

Synagoge

SNEEUWSONNET

 

Toen ik, kind nog, door hoge vensters dromend
over de gracht heen zag besneeuwde velden
daarachter als oneindig, me voorstelde
hoe als een zwerver uit de verte komend

 

ik naar dat huis keek: achter lege ramen
het wit gezicht van iemand die er woonde
en woof – zo, in mijzelf terug, beloonde
ik mijn aanwezigheid in stille kamer. 

 

Vroeger is sneeuw; die kleine tijd van jaren
toedekkend lijkt wit warm, en je mag hopen
dat iemand uit een einder aan komt lopen,

 

zoals je wilde dat nu bij je waren
die niet meer zijn – hun vlakke land hetzelfde,
alsook hun hemel die dat overwelfde.

C.O. Jellema
Uit “Droomtijd” (Querido, 1999)

 

Posted in