Gisteren plaatste ik de vertalingen van enkele gedichten van de Friese dichter Eppie Dam. Hieronder het tweede deel van die vertalingen. De Friese lezers raad ik aan om de bundel Fallend Ljocht, waar deze gedichten uit komen, aan te schaffen.
Ik heb de vertalingen, die door de auteur zelf gemaakt zijn, afgewisseld met voordrachten van de Friese dichters Abe de Vries en Elske Kampen uit Fallend Ljocht, gemaakt voor de website van het tijdschrift De Moanne.
Dam lijdt aan de ziekte van Huntington en moet het daardoor rustig aan doen, vandaar (en vooral vanwege de grote literaire kwaliteit van deze gedichten) zetten wij ons in voor het vergroten van Dams publiek.
WIST DAT HET KWAM
Wurmpje Europa krimpt door de crisis,
oud vel zoekt zijn heil bij een top euroloog;
ik, niet meer wetend wat winst of verlies is,
vraag aan de neuro hoeveel ik bewoog.
’t Lijkt al aan armen en benen te schorten.
Wist dat het kwam, maar wie had voorspeld
dat ik mijn hoofd nog de baas moest worden
nu zich crisis na crisis meldt –
KWABJEMANS VISIE
Mein Gehirn ist meine Dornenkrone
Herbert Falken
’k Las in uw breinboek, waarde doctor, echt,
dat zoals ooit de kerken door de classis,
ik geregeerd word door m’n eigen harses.
Maar kwabjeman, is daar alles mee gezegd?
Hebt u niet zelf aan banden ons gelegd,
de scepter zwaaiend op uw berg Parnassus?
Wat is uw weerwoord als een schepsel dwars is
en eigen wil kwam in een kop terecht?
Precies als u, meneer, ben ik een knaap,
genoeg verstand om wel zo vrij te denken
als wat aan driften opkomt bij de aap.
Ik ken mijn mechanismen en instincten,
maar slaaf – ? Ik vraag het recht voor de raap:
uit wie z’n koker komt dit, Swaab?
*
AAN DE GENMUTATIE OP CHROMOSOOM 4
I
Ik ken je niet, jij mij des te beter,
en anders wel mijn opa zaliger, die van die rare slinger
waarmee hij keer op keer te water raakte als hij dacht
dat naast de loopplank nog een loopplank was, geregeld
misgreep als hij losjesweg een dampaal wilde ronden,
maar intussen alweer kroos hapte en stekelbaarzen
in zijn gele borstrok ving. Hij heeft jou nooit gekend, maar
al struikelend het graf gevonden, en wij ons later schamen
voor ons commentaar, onwetend en nog splinterjong.
II
Ik ken je niet, jij mij des te beter,
en anders wel mijn Theun-oom zaliger, de boer die staande
aan het halster van zijn bovenlanders paardenrust ervoer,
maar later steigerde toen de bokkejaren ruiterstokken
van zijn onderdanen maakten. Hij wist dat het kwam
en door wie. Jij, spakensteker in de wielen van de sjees –
hij heeft van drempelvrees geweten, jou gekend aan botten-
stremsel en blokkades, op de fokkershand de rem gevoeld
die ooit de veulenbrieven tekende met een zwierige Th.
III
Ik ken je niet, jij mij des te beter,
en anders wel mijn moeder bijna zaliger, die verlegen
met je is, maar intussen zo vertrouwd dat ze je naam als
eigen noemt, zichzelf in ’t reine brengend met haar morsen,
als was je aangetrouwd en nam ze je grofheid voor lief. Zij
die allure zocht, goed en goud, bont en dure stoffen kocht,
haar heb ik gekend als ongemeen schoon en van nature
eisend. Aldoor minder geeft ze voor zichzelf, slijt met jou
haar effen dagen, amper troost aan slabben en doekjes.
IV
Ik ken je niet, jij mij des te beter,
en anders zeg je nu maar hoe en wat, dan weten we dat.
Ik heb je van verre, van horen en zeggen en zien,
straks uit eigen ondervinden, al zal dit erfelijk perspectief
mij enkel binden aan je ongerief, geen dag weer aan een zwart
en afgezworen geloof van aangeboren delen in verderfelijkheid.
Een schepsel moet niet klagen over koortsen die hem jagen:
het bloed geeft talent en tekort, begin en eindigheid door.
Zo staat het ervoor. Maar ik had m’n hoofd willen sparen.
AAN DE SLAK IN MIJN TUIN
Trage slak,
zonder ratel van rupsbanden kom je aanzetten,
je fluwelen kistjes één en al pantoffel – guerrilla
over stilgehouden paden.
Men ziet geen been
in een week en slepend lijf, ruggegraat
noch kaken in een weggemoffeld bekje –
niemand loopt zo naakt als jij.
Maar al kruipend ken je je doel al,
ogen op steeltjes, de stiekeme neus
van de landverkenner –
en als ik even niet kijk, ben je verder dan ik dacht.
Jij, op kousenvoeten gaande gast,
als dit de tuin is waar je wezen moet
en rechtstreeks
gaat je sluipspoor naar de bloemkool toe
laat er nog iets van over.
MAAR DAT LATER MIJN KOP
De dag dat ik het van je opvreten mag
en aan woorden geen beet krijgen kan,
op drinken geen slok, van eten geen hap –
ik zweer je, daar lig ik niet wakker van.
Heb mijn twijfel, meer dan vermoedens
van manie, depressie en dwang
– jij staat niet bekend om je goedheid –
maar ook daarvoor ben ik niet bang.
Maar dat later mijn kop massieve ideeën
in plaats van abstracties de ruimte biedt,
ik bid alle goden, fakirs en feeën:
dat niet.
Foto door Wim de Vries
Bron: http://www.boekfandemoanne.nl/skriuwer-fan-de-moanne
Meer over Eppie Dam online:
http://www.sirkwy.nl/titel/533#.VLYxYiuG8xI - informatie over de dichter op Sirkwy
http://home.planet.nl/~meul2882/fries/Dam,Eppie.html - recensies door Jelle van der Meulen
http://www.demoanne.nl/ - Fallend Ljocht is boek van de maand. Op deze site staat een interview met de dichter en meer opnames van gedichten uit de bundel door collega's.
http://www.annemiekschrijver.nl/geen-categorie/huis-om-stil-te-zijn/ – Gedicht met vertaling op de website van presentatrice Annemiek Schrijver.
Eppie Dam schrijft poëzierecensies voor de Leeuwarder Courant. Dichter en blogger Cornelis van der Wal maakte een handig overzicht van die recensies met links:


