Vorig jaar kwam de prachtige bundel Fallend Ljocht / Vallend Licht uit van de Friese dichter Eppie Dam. Ik schreef er destijds een enthousiaste recensie over voor de Leeuwarder Courant. Dam vertaalde dat stuk en hij maakte een aantal Nederlandse vertalingen van de gedichten uit de bundel. Die vertalingen plaats ik hier met zijn toestemming, evenals een voordracht van een van zijn gedichten door mijzelf.
Dam lijdt aan de ziekte van Huntington en moet het daardoor rustig aan doen, waardoor het voor hem bijvoorbeeld lastig is om zelf zo'n opname te maken of om allerlei activiteiten te ontplooien op internet. Vandaar dat ik zijn werk hier graag een podium bied.
Laten we beginnen met Heer Huntington zelf:
Foto: Wim de Vries – www.devriesenluiks.nl
De vertaling van dit gedicht:
HET IS GRIJS EN HET ZIT IN JE HOOFD
Het is grijs en het zit in je hoofd.
Het is een raadsel, zoveel is bekend,
en het komt voor bij vijftienhonderd mensen.
Geen nationale trend, al komt het vaker voor
bij volk van Nijkerk, Elburg, Harderwijk
(‘Die foveluwe naait z'n eigen bloed’)
en wonderlijk genoeg, zo wil een onderzoek,
vaker in Amsterdam en Rotterdam,
Katwijk, Den Haag, en maar al te graag
in de Friese Zuidwesthoek.
Diagonaal het land doorkruisend, ben ik verhuisd
naar waar ik vandaan kom: de verschuilhoek,
waar taal niets opheeft met mysteries,
raadsels laag in aanzien staan
en van jongs af aan de wereld dichtgeplakt zat
met oude Kollumers: Nieuwsblad Noordoost-
Friesland – maar zodra je even je hielen licht,
een krant net zo open en kleurig als wat.
Ik wist waar het heenging en wie ik daar vond:
De Schim – ik kende hem –
die eerder in het geniep zijn crue verschijning
al aangekondigd had,
hier nu, beleefd
als een scharensliep die bleef, voor de deur stond,
zichzelf verwelkomde en afficheerde als heer.
Meneer volgens afspraak en zonder verwensing
ontvangen. Hem op de drempel
een fluim voor de voeten gemikt –
maar ik spuugde hem niet in het gezicht.
Het is grijs en het zit in je hoofd, het is een raadsel,
bekend bij een klein publiek: het komt voor bij één
op de tienduizend – mijn bescheiden
aandeel in de statistiek.
Eppie Dam

De door Dam vertaalde recensie over Fallend Ljocht:
Krom en tweespaltig heb ik gezongen
In 1872 schreef een Amerikaanse huisarts over vreemde bewegingen die zijn patiënten maakten. De zieken leken soms wel dansers, en dus noemde Huntington de aandoening ‘chorea’. Die dans, die later naar zijn ontdekker werd genoemd, is zich nu meester aan het maken van de dichter Eppie Dam. Dam heeft de dans aangenomen, maar niet zonder zijn partner nog een paar nieuwe pasjes te leren, namelijk die van zijn licht-humoristische, melancholieke en zoekende poëzie.
Eerder schreef Dam prachtige bundels over zijn vader en moeder. De dood was nooit ver weg, en liefde en acceptatie niet altijd even vanzelfsprekend. Bovendien verkende Dam met enige regelmaat de omgeving van het Kollumerpomp van zijn kinderjaren. Nu staat de toekomst voor de deur en die belooft niet veels goeds voor een man die het vaak van zijn hoofd moet hebben.
“Ik wist waar het heenging en wie ik daar vond: / De Schim – ik kende hem – / die eerder in het geniep zijn crue verschijning / al aangekondigd had, / hier nu, beleefd / als een scharensliep die bleef, voor de deur stond, / zichzelf verwelkomde en afficheerde als heer.”
Een mooi beeld heeft Dam hier gekozen voor de onwelkome gast, die er later voor zal zorgen dat hij “aan woorden geen beet krijgen kan”. Dat die ‘heer H.’ hem de teugels uit handen zal nemen, vindt de dichter niet het ergste. Hij vreest vooral dat zijn kop “massieve ideeën in plaats van abstracties de ruimte” zal geven.

Gelukkig heeft Dams danspartner nog niet de leiding. Voor abstracties en twijfel is in deze bundel ruimschoots plaats, bijvoorbeeld in het magnifieke vers Slotgebed waarin Dam de lange relatie met zijn god onderzoekt. Hij heeft hem “liefgehad zoals een kind dat kan, / met losse handen” én hij heeft “afstand genomen”, “als dichter haast uw tegenstrever”. Toch is het uiteindelijk aan “Hem” om uit te leggen” of Dam “heilige” of “heiden” is, misschien “beide”. De toon van dit grote gesprek is volwassen. Het wordt nooit week of onderdanig, maar het vers had wat mij betreft mogen eindigen met de twee voorlaatste regels “krom en tweespaltig / heb ik gezongen zoals ik liep”. “Maar noem het niet wanstaltig” waar het vers nu mee eindigt, wordt me te veel gedicteerd door het rijm met ‘tweespaltig’. Het zet een te dikke punt.
Verder geen klachten. Als de scharensliep Huntington al iets geslepen heeft dan zijn het de zoekende woorden van Dam, die hij wonderlijk knap in het gareel houdt.
Tsead Bruinja – Leeuwarder Courant, 15 augustus 2014
Als toetje drie gedichten. Morgen zal ik er nog een aantal plaatsen:
NOG EEN GELUK
Nog een geluk
dat je alleen je eigen gedichten hoeft te schrijven.
Stel je voor dat weidehommels behalve gonzen moesten blaffen
en de doffe roerdomp loeide ’s nachts drietonig in ’t moeras.
Eén uithaal van de oude haan zet roos en ramen open, en
zit een koe rechtop dan geeft ze geen poot als een hond.
Nog een geluk
dat je alleen je eigen gedachten hoeft te hebben.
Je kon je lol nog op, kreeg je die van paus en pias erbij.
Een mens werd gauw krankjorum met de kop van Wilders.
Wat moet een rifhaai met de hersens van een haas en andersom?
Ieder heeft voldoende stof tot denken, kijk naar de bomen.
Nog een geluk
dat je alleen je eigen geduchten hoeft te vrezen.
Vluchten zou je, kwelden je de spoken van een ander.
Weet een leek wat het is, levenslang te zijn wie je bent?
Wees niet bang voor Swaab en de namen in ’t register:
het gros van kwalen en fobieën gaat je deur voorbij.
Die van mij zag ik aankomen: heer H.,
taalkundig technicus met humor,
die draadjes verwisselt waar ik niet bij ben.
Nog een geluk dat hij me in de mond legt
dat ik gezond van leef en lijden ben, en ik zo monter
dat ik me beroep op het wonder van de verspreking.
*
EEN HEER GEVRAAGD OM EEN HINT
Had het open gezegd, heer Huntington,
recht in het gezicht het blijvend effect.
Ik loop niet weg – alsof ik dat kon –
dus toon me ronduit je duivels traject.
Wellicht dat een hint al helderheid geeft.
Jij bent immers thuis in ’t grijs labyrint
dat zelf zijn duistere netwerken heeft.
Zeg niet dat je mijn obstakels niet kent.
Ik sta aan ’t begin; jij weet van het eind.
Gun mij een doorkijk, zolang het duurt;
dan ga ik mijn bochten blind-omheind,
door de bomen het bos in gestuurd.

Foto door Reyer Boxem
http://www.reyerboxem.nl/
WELLUIDEND GRIEKS
Het is de dans die ik niet ontspringen kan.
Hij houdt er een te glorieuze naam op na:
Chorea Huntingtonea –
al worden dichters daar nog anders van.
Ik bijt op mijn tanden, wil kijken of
alles nog bekt zonder klitten,
als wist ik geen tongbreker-oefenstof
dan die me ooit in de kleren gaat zitten.
Welluidend Grieks, ik heb je genekt
nu mijn gehemelte, huig en lippen
je valse aria nog knauwend correct
in acht gearticuleerde stukjes knippen.
Meer over Eppie Dam online:
http://www.sirkwy.nl/titel/533#.VLYxYiuG8xI – informatie over de dichter op Sirkwy
http://home.planet.nl/~meul2882/fries/Dam,Eppie.html – recensies door Jelle van der Meulen
http://www.demoanne.nl/ - Fallend Ljocht is boek van de maand. Op deze site staat een interview met de dichter en meer opnames van gedichten uit de bundel door collega's.
Morgen meer Eppie Dam!
