Wij beoordelen elkaar op hoe wij genieten. Als ik iemand een heel concert lang als een idioot zie staan meeschreeuwen, voel ik niet de aandrang om hem beter te leren kennen. Als iemand meer bezig is met zijn alcoholinname en het bespreken van de dagelijkse besognes dan met een hartverscheurende gitaarsolo, hoef ik hem niet als vriend. Maar als iemand zich durft te laten meeslepen, gelooft in de magie van de vervoering en tegelijkertijd niet bang is om te onderzoeken waardoor hij nu eigenlijk in vervoering raakt, word ik geïnteresseerd.
Dat gebeurde toen ik classicus en dichter Piet Gebrandy bij het radioprogramma Nooit Meer Slapen hoorde. Hij was er te gast vanwege de essaybundel De jacht op het sublieme, waarin hij niet alleen zijn bewondering voor dichters en denkers uit heden en verleden onderzoekt, maar het ook heeft over de complexiteit van de liefde:
…hoe we haar moeten definiëren weten we niet. Zeker, er zijn simplisten als Dick Swaab die, in de veronderstelling dat wij ons brein zijn, ook liefde aan neuraal vuurwerk zullen toeschrijven, maar zelfs de compleetste opsomming van fysieke factoren zal nooit kunnen uitdrukken wat het betekent verliefd te zijn of van iemand te houden.
Ook het lezen van een gedicht is voor Gerbrandy een fysieke en complexe ervaring. Hij stelt zich een spreker voor en laat die weerklinken in zijn hoofd. Dat contact zoeken met de stem van de dichter lijkt misschien een futiele bezigheid, maar hoe vaak is het najagen van de liefde dat ook niet?
Zondag sprak ik met mijn zwager Bert over het toekomstige liefdespad van mijn twaalfjarige neefje. Ik zei dat de blauwtjes die ik heb gelopen niet op twee handen te tellen zijn. Waarna Bert vertelde dat hij voor mijn zus geen enekele andere vrouw had bemind. Hij wist van jongs af hoe hij “het wilde” en zo had hij het gekregen. Als wanhopige zestienjarige had ik vast graag met iemand als Bert willen ruilen; de veertigjarige Tsead kijkt echter met een gevoel van trots terug op al zijn mislukkingen.
Als ik De jacht op het sublieme lees, krijg ik niet accuut zin weer een blauwtje te lopen, maar wel om opnieuw verliefd te worden op een gedicht en me in een oeuvre onder te dompelen. Gerbrandy laat zien wat voor beloning er wacht wanneer je het hele werk van een schijnbaar ontoegankelijk dichter als Kees Ouwens “in je laat weerklinken” en met hem meezoekt langs “monotheïsme, polytheïsme en vaag pantheïsme” om voorbij de “duisternis, heel even het verblindend licht” te ervaren van een Zeeuwse zonsondergang: “de scheldemond, breskens’ / haven, het westelijk zonlicht aan scherven, schitterend / gebroken // op vlissingens rede // en van een lieflijkheid die wij niet bereiken kunnen.”
Het woord moet door de mond naar binnen.
- Auteur: Piet Gerbrandy
- Aantal pagina's: 288
- Uitvoering: Paperback
- Prijs: €29,90
Deze column verscheen op 28 november 2014 in de Leeuwarder Courant - http://www.lc.nl/
