“En doe je er nog wat naast?” werd mij gevraagd bij een optreden te Twijzel. Ik zei trots dat ik al elf jaar van de pen leef en dat ik gelukkig nooit naar de baas hoef. Dat laatste is niet helemaal waar, want ik heb deadlines, moet op tijd verschijnen op de kunstacademie waar ik lesgeef en krijg ik de griep, zoals afgelopen week, dan kan ik het me niet veroorloven om onder een dekentje op de bank te kruipen.
Mijn eerste baas was mijn moeder die mij als zevenjarig jongetje puin uit een oude gierput liet tillen. Voor 25 gulden kon je een fijne doos lego kopen destijds. Mijn tweede baas was mijn pake voor wie ik samen met mijn nichtje pakjestouw vlocht voor drie kwartjes per stuk. Daarna lonkte het grote geld, dat diende om leren jack, Nike’s en Levi’s 501 spijkerbroeken te kopen en verder aan waterig bier werd besteed in bar-dancing de Ringo te Veenklooster.
Voor een gulden of drie per uur werkte ik bij supermarkt de Boer te Kollum. Als volleerd brompot was ik regelmatig nors van klusjes voor mem en pake weggelopen. Nu moest ik het opnemen tegen bedrijfsleider Germ.
Germ liet graag het echte werk aan anderen over. Toen hij op een middag in zijn Engelse sportwagen terugkwam van het bezichtigen van een nieuw middenstands kasteeltje, had ik er schoon genoeg van. Kwaad kwakte ik mijn wit-groen gestreepte werkjas op zijn bureau. Hij kon erin stikken. Hoe Germ het deed, weet ik niet meer, maar even later bood ik mijn excuses aan en stond ik toch weer bierkratten te stapelen. De mooie meisjes van de broodafdeling speelden daarbij ongetwijfeld een rol.
Mijn laatste niet-literaire baantje was bij een cd-winkel in Groningen. Ik verkocht er klassieke muziek aan klanten als Harry “Cuby” Muskee en de dichter C.O. Jellema, die me zei mijn studie af te maken. Meestal verkocht ik niets en las ik moralistische streekromannetjes van de Kristlik Fryske Folks Bibleteek, ter voorbereiding van mijn glorieuze carrière als Fries dichter.
Na een korte aanvaring met de oude bazin, omdat ik ’s ochtends uit elke porie naar knoflook stonk, kreeg ik het aan de stok met haar dochter over een geruilde pauze. Ik wilde lunchen met mijn geliefde, die op het punt stond naar Barcelona te vertrekken voor een jaar. Dit was mijn laatste kans. Een werkjas had ik niet meer, maar wederom mocht een baas erin stikken.
Overigens was ik net weer gaan studeren en mocht ik rekenen op een flinke studiebeurs, dus zo stoer was ik niet. En eigenlijk werkte ik toch weer voor een baas, want de beurs was een lening, die ik nog steeds afbetaal. Ik ben mijn eigen baas, maar mijn echte baas is het geld.
Deze column verscheen in de Leeuwarder Courant van 26-9-2014
Meer over C.O. Jellema

