Hele horden studenten nemen deze maand hun intrek in hun eerste kamer. Mijn kamergeschiedenis begon twintig jaar geleden en eindigde in 2003.
Met een VWO-diploma op zak toog ik in 1994 naar Groningen om Engels te gaan studeren. In een kamertje van drie bij drie timmerde mijn vader een hoogslaper, met daaronder ruimte voor m’n bureau. Er was een gemeenschappelijke woonkamer, waar veel bami met satésaus werd gekookt, Beavis & Butthead werd gekeken en bier werd gedronken. De lege kratten brachten we niet terug naar de supermarkt, maar stapelden we op zodat ze als geïmproviseerde tafelpoten onder een oude kastdeur konden dienen. De betreffende jaren zeventig flat is ondertussen tegen de vlakte. De buitenwijk is er niet minder troosteloos op geworden.
Ik promoveerde uiteindelijk naar een grote kamer aan het spoor vlakbij het station, waar je ’s nachts in bed de goederentreinen langs voelde denderen. Vele liefdes passeerden mijn bed, maar bleken allemaal op doorreis, meestal door mijn eigen toedoen. Ik moest weg van die vrouwen en uit Groningen vandaan. Ik moest en zou naar Amsterdam.
Mijn verhuiswens bleek niet eenvoudig te vervullen. Ik moest genoegen nemen met een kamer in Diemen, een soort buitenwijk van Amsterdam. De huisbaas was een bankmedewerker van begin dertig, die met moeite vrienden maakte en weinig succes had bij de vrouwen. Wie intrek nam in een van de kleine kamertjes in zijn huis, diende dan ook zijn nieuwe boezemvriend te worden of met hem het bed te delen. Maandenlang lag er een rondborstig blondje uit Groningen in zijn bed aan wie hij de bezette kamer naast de mijne beloofd had. Trots vertelde hij dat de aspirant-medebewoonster haar lichaam wel eens aan mannen had aangeboden voor geld.
De huisbaas die mijn vriend wilde worden, bleek een pathologische leugenaar. Voor iemand die bij een bank werkt, zal dat misschien een handige eigenschap zijn, onze vriendschap kwam het niet ten goede. Zijn grootste leugen had betrekking op de oude Italiaanse vader die er soms een weekje zou zijn. De beste man was er het hele jaar door, zeurde voortdurend over zijn zoon, die hij maar een loser vond, en liet de hele dag het gas aan staan. Als een bezetene zocht ik naar weer een nieuwe woonplek.
Die plek vond ik in de vorm van een omgebouwd berghok op een zolder in Amsterdam-West. Voor vijfhonderd euro per maand mocht ik mijn intrek nemen in het hokje zonder verwarming, maar met geiser en bad. Als ik destijds bij het afwassen of douchen echter geen raam open had gedaan, was deze jonge Friese dichter aan een koolstofmonoxidevergiftiging overleden. Het waren avontuurlijke jaren. Ik speelde onhandig met de liefde en mijn leven. Ik ben blij dat ik nu mijn eigen veilige huis heb om bami in te eten.
Deze column verscheen op 29-8-2014 in de Leeuwarder Courant – http://www.lc.nl/