Van het vliegveld van Cork in Ierland naar het stadje Fermoy is het zo’n drie kwartier rijden. Drie jaar geleden maakten de Groninger dichter Jan Glas, mijn vrouw en ik dat ritje voor het eerst. We kwamen aan op een donderdagavond. Het weer was Iers en regenachtig en in plaats van dat we naar onze slaapplaats werden gereden, werden we netjes afgeleverd bij de Elbow Lane Inn, een pub met een grote bruine ‘backroom’ waar lokale dichters aan het voorlezen waren en de luidruchtige eigenaar Billy, een grijze vrijgezel met een voorliefde voor opera, zijn dichtende stamgasten regelmatig interrumpeerde met een steek onder water en een schaterlach. Voor ik het wist had ik een pint in mijn handen en stond ik mee te ouwehoeren, totdat we na verschillende zangsessies en dronken vriendschapsverklaringen om vier uur ’s nachts met de taxi naar huis werden gebracht.
Ons Ierse thuis, dat Fermoy door de jaren heen werd, is geen vreedzaam huis gebleken. In het eerste jaar leek de organisatie een clubje lokale vrienden dat graag met elkaar afsprak in de pub. Gene Barry, dichter, therapeut en hoofdorganisator, leek met zijn vrouw Margo het meeste werk te verrichten. Maar Billy en zijn goede vriend Ciaran hielpen ook hard mee. Wij bleven nog een paar dagen en leerden zo de Fermoyse kostgangers wat beter kennen, dachten we. We aten ’s avonds met zijn allen in de tuin van Gene en Margo, reden door de prachtigste bergen aan de kust en we dronken vele pints in de pub van Billy.
Een jaar later was die idylle veranderd in een strijdveld. We stapten uit het vliegtuig niet meer zo Billy’s pub in, maar gingen rechtstreeks naar de keukentafel van Gene en Margo. Er was gedoe geweest over geld, mensen hadden elkaar uit zitten schelden en iemand had stiekem opnames gemaakt van gesprekken waarin nog meer werd gescholden. Bovendien had men een poging gedaan om de praktijk van Gene Barry in een kwaad daglicht te zetten door valse geruchten over hem te verspreiden.
Er volgden pogingen door dichters en vrienden om tot verzoening te komen, maar het kwaad was geschied. De tweede editie van het festival, die de hele club nog wel samen uit moest zitten, zou een editie worden van gemene sms’jes, hartproblemen en boze blikken.
Dit jaar bezoeken mijn vrouw en ik voor de derde keer Fermoy. Vier jaar geleden had men daar nog nooit van een poëziefestival gehoord en nu hebben ze er twee. Pubeigenaar Billy heeft zijn eigen ‘art festival’, met koorzang, amateurschilderkunst en poppenkast, en Gene en Margo hebben het Fermoy International Poetry festival, dat inmiddels verplaatst is naar een aantal andere pubs. We gaan voorlezen en drinken in The Forge Bar and Restaurant, The Grand Hotel en bij Charlie Mac’s, lopen onwillig en onwennig met een boogje om The Elbow Lane Inn en lachen wat ongemakkelijk om de nieuwe festivalslogan: “The friendliest poetry festival in the world.”
De derde editie van het vriendelijkste poëzie festival in de wereld verliep boven verwachting vreedzaam. Er waren wat scheve gezichten van pubeigenaren die hun doorgaans lege kroegen niet altijd genoeg gevuld zagen worden en er was een religieuze Amerikaan die midden in de nacht huilend de organisatie belde omdat zijn taxi vijf minuten te laat was, maar verder was het een grote verbroedering van lokale Ierse dichters met Amerikanen, Zuid-Afrikanen, Canadezen, Nederlanders en een skilerares uit Patagonië.
Tijdens het festival wordt er door het hele stadje opgetreden, ook bij de drogist – hier door de Amerikaanse dichteres Kay Kinghammer.
Janet Dickinson, de slanke Argentijnse skilerares van achter in de zestig, was er ook bij geweest tijdens de eerste editie van het festival. De burgeroorlog van de daaropvolgende editie had zij helaas moeten missen, waarschijnlijk wegens geldgebrek. Gekleed in een gebreid wit vest met daaronder een topje dat net niet haar gebruinde strakke buik verhulde, vertelde ze me hoe ze het dit jaar toch voor elkaar had gekregen om erbij te kunnen zijn.
Op een zondag was de dichteres nietsvermoedend boodschappen gaan doen bij haar plaatselijke supermarkt, toen bleek dat ze een grote TV had gewonnen in de loterij. Die TV had ze meteen verkocht, zodat ze het kaartje voor de bus kon kopen die er negen uur over zou doen om haar naar Buenos Aires te brengen, waarna ze nog negentien uur op pad zou zijn met het vliegtuig. Dat alles om in Fermoy achter haar glaasje rode wijn en met steevast een sigaret in de hand haar gedichten met ons te delen over ‘love’, ‘love’ en nog veel meer ‘love’. Voorafgaand aan haar laatste voordracht ging ze ging ze zelfs nog even voor een charmante lokale drinkebroer van zeventig op de knieën om hem een aanzoek te doen. Van die grijze Seamus hebben we de rest van de avond niets meer vernomen, al ging het gerucht dat hij ‘ja’ had gezegd.

Janet Dickinson vastgelegd door Jan Glas
Er werd hard om gelachen door de leden van de Amerikaanse poëziegroep Mad Swirl, die vorig jaar nog via skype vanuit Dallas hun wilde beatnikvoordrachten door de Ierse pubs lieten galmen. De dichter die het hardst lachte was de gespierde goedzak Johnny Olsen, een marinier van vierenveertig die in 1990 het Irakese leger van Saddam Hoessein uit Koeweit hielp verdrijven. Hij las een gedicht voor over the American Dream. Wij moesten even slikken toen hij begon over hoe hij een droom had gezien ‘twisted in Middle Eastern enemies’ eyes, who despise our freedoms and see our dreams as demonized things that these martyrs have destined themselves to destroy.’
Maar verder deed het meest vriendelijke poëziefestival precies wat er op het blikje stond. Wij werden een weekend lang vrienden voor het leven, net als tijden die geweldige eerste editie. Guinness stroomde door onze aderen en allemaal hadden we op ons eigen manier het gevoel de loterij te hebben gewonnen.

De rust is hersteld en Gene Barry, hier in Poetry International t-shirt, geniet.
Voor meer over het festival: http://www.fermoypoetryfestival.com/



