“Soms moet je ze knock-out slaan, omdat ze liggen te schreeuwen als biggen. Je wilt niet weten hoe de omstanders je dan aankijken,” zei de conducteur op het perron van Driebergen-Zeist.

Ik was onderweg naar Arnhem voor de groen-licht-procedure van derdejaars studenten Creative Writing. Door een kapotte bovenleiding was ik gestrand in Driebergen-Zeist, waar ik wachtte op mededocent Jasper, zodat we samen een prijzige taxi konden nemen. Om de tijd te doden had ik een gesprek aangeknoopt met de conducteur. Nadat ons gesprek over braampjes op bovenstellen, die bij grote wrijving leidingen laten knappen, klaar was, vroeg ik de conducteur over de vele  ‘aanrijdingen met een persoon’. Het antwoord waar deze column mee opent, was zijn reactie op de vraag of er wel eens zo’n poging tot zelfdoding mislukte.

Bovenleiding

Vorig jaar was ik na een dergelijke ‘vertraging’ zo slim geweest een studente te vragen haar gedicht voor te lezen alsof ‘de persoon’ van de ‘aanrijding met een persoon’ haar enige publiek was. Ze stormde voordat ze haar mond open kon doen huilend de klas uit. Ik leerde minder blind mijn intuïtie te volgen en bood mijn excuses aan.

“Weet je wel hoeveel mensen er jaarlijks voor de trein springen?” vroeg de conducteur. Het bleken er meer dan vijfhonderd te zijn. “De eerste blijft je bij,” vervolgde hij, ”van de tweede herinner je de dag en het tijdstip nog. Daarna wordt het lastiger om de verschillende gevallen uit elkaar te houden.”

Mijn respect voor conducteurs en machinisten groeide met de minuut, maar mijn nieuwsgierigheid ook. Ik vertelde over een verhaal dat mijn schoonvader aan mijn vrouw had verteld over een machinist die een vader met zijn dochtertje het spoor op had zien lopen en geen andere keuze had gehad dan zijn hoofd af te wenden van het onvermijdelijke drama. De conducteur keek niet op van het verhaal en deelde me mee dat conducteurs kunnen aangeven of ze wel of niet naar buiten gaan als er een kind bij een aanrijding betrokken is. In zijn geval, hij was vader, stond er op het formulier duidelijk ‘nee’. Hij vertelde ook dat hij in de trein regelmatig mensen had moeten reanimeren en dat hij dan bij kinderen nog net wat langer doorging. Het jongste kindje dat hij had gered, was een baby van drie maanden.

Misschien was ik bovengemiddeld geïnteresseerd in de verhalen van de conducteur omdat mijn vader vrijwilliger is geweest bij de ambulance. Tijdens een verjaardagsfeest hoorde ik zijn collega geërgerd vertellen over ramptoeristen bij een treinongeluk. “Normaalgezien worden menselijke resten in ondoorzichtige tassen gestopt,” zei de broeder, “maar wij hadden zo genoeg van die lui, dat we met doorzichtige tassen langs het ‘publiek’ liepen. Die waren snel weg.”

 

Deze column verscheen op 5-7-2014 in de Leeuwarder Courant

Posted in