Lieve Erik,
"Weet je wat ik wel zou willen zijn? Een bloemetjesgordijn!" klonk door de huiskamer, terwijl ik naar een legoblokje zocht voor een pompstation of kasteel. Sinds zondag 30 maart 2014, de dag dat je hart te vroeg stil ging staan, is die regel verbonden met jou. Jij zou daar waarschijnlijk hard om hebben gelachen, al lag je liefde voor muziek bij Coltrane, Schumann en The Soft Machine.
Je schreef prachtige brieven aan je overleden helden in Met de meeste hoogachting. De trots van je vader bij de presentatie ontroerde mij. Ik geloof niet in een leven na de dood, dus is het eigenlijk idioot dat ik deze brief aan je schrijf. Vanwege jouw brieven durf ik het toch aan.
Ik weet niet wat jij het liefst had willen zijn, misschien wel uitmuntend jazzdrummer. Op je vijftigste verjaardag speelde je met je bandje. Je liet de dichteres Anneke Brassinga als een bezetene rondspringen en dansen. Ik had een gedicht voor je geschreven, waarin ik sprak over alles wat wij hadden gedeeld: het bed, vanwege een matineus optreden in Groningen na de avond waarop we beiden niet de volgende Dichter des Vaderlands werden, en mijn hashpijpje, waar je 's nachts na een literaire avond in café de Weber nog wel eens een trekje van wilde nemen.
Het enige dat ik niet van je wist, was met welke stokken je drumde: "een 5 of 7A een 2 of 5B, eiken of esdoorn." Je hebt me het antwoord gemaild en ik ben het weer vergeten.
Wat ik niet zal vergeten is hoe je je slaperige hoofd uit je Rotterdamse hotelkamer stak toen het brandalarm afging om zes uur 's ochtends. Ons alcoholpromillage, gesponsord door Poetry International, en jouw hartstochtelijke liefde voor muziek en literatuur, hadden die tent gemakkelijk in lichterlaaie kunnen zetten. Het bleek om een toerist te gaan die een beschuitje in het broodrooster had gestopt. We snurkten vrolijk verder.
Waarom ik moest denken aan het bloemetjesgordijn? Omdat ik een gedicht van jou zocht voor je overlijdensadvertentie en daarbij vaak in de lach schoot, omdat je in je gedichten graag in de huid kroop van andere dingen en wezens, bijvoorbeeld in 'Allesdier': "Aan de slootkant ontspruiten mij uiers / in de lucht steken mij veren in de huid. // In de modder achter sommige boerderijen / groeit mij een wroetschijf in de snuit."
Ik geloof niet in een hiernamaals, Erik, maar toch hoop ik dat daar een platenspeler voor je klaarstaat en een luie stoel. Er is vast ook een zaal waar een drumstel voor je is neergezet en een band, met McCoy Tyner op toetsen en Coltrane op sax. Dank voor je Love Supreme.
Muzikant Bas Andriessen plaatste bovenstaande opname uit 1999 online. "In 1999 mocht ik samen met enkele andere musici meerdere dichters muzikaal improviserend begeleiden bij festival De Wintertuin in Nijmegen." Eén van die dichters was Erik Menkveld.
Meer werk over en van Erik Menkveld:
http://www.kb.nl/dichter-op-het-scherm/moderne-nederlandse-dichters/erik-menkveld
http://www.poetryinternationalweb.net/pi/site/poet/item/4005/6/Erik-Menkveld
http://www.vn.nl/Artikel-Literatuur/Erik-Menkveld-1959-2014-Dichten-is-handwerk.htm
http://www.nederlandsepoezie.org/dichters/m/menkveld.html
http://www.gedichten.nl/schrijver/Erik+Menkveld
http://www.nrc.nl/boeken/2014/03/31/dichter-en-schrijver-erik-menkveld-overleden/
http://www.woestenledig.com/woestenledig/2008/12/erik-menkveld-ik-ben-alleen-maar-een-dichter.html
Het hele 'Allesdier' uit Schapen Nu (De Bezige Bij, 2001)
ALLESDIER
in de lucht steken mij veren in de huid.
In de modder achter sommige boerderijen
groeit mij een wroetschijf aan de snuit.
Boven de mesthoop of onder het kroos:
zo nodig schift ik in zwermen of scholen.
Gehuld in de grijsbruine vlieghuid
die tussen mijn ledematen spant
hang ik in schuren of verlaten groeven
ondersteboven in slaaptoestand.
Als kudde omgeef ik handen en voeten
met hoorn en schakel ik moeiteloos
van zool- of teen- naar hoefgang over.
Omzichtige lippen strek ik op savannes
naar hoge blaadjes tussen doorns. Ook
loopt me het bloed daar over de strepen
of geeuw ik uit eeuwige leeuwheid loom.
Vaak laat ik poten en pels achterwege
in zee, moeras of zandwoestijn. Daar
moet ik week of felgekleurd of giftig zijn.
En dan heb ik tal van mogelijkheden
waar ik nooit meer voor de dag mee kom:
piek op het voorhoofd, verzengende
adem, een paardenlijf met mensenromp.
Dat heeft me altijd dwarsgezeten: elk dier
dat men ziet is een fractie van mij.
Kijk maar: in dit oerbos burl ik en schurk
langs een stam met mijn schoffelgewei
terwijl mijn slurf, mijn rugvin, mijn stekels
in deze biotoop niet zichtbaar zijn.
Wat zou ik mij graag eens in volle glorie
voordoen, al past daar geen omgeving bij.