Gisteren, een dag na de protestactie op het Museumplein in Amsterdam en een dag voordat Obama de Nachtwacht de beste backdrop voor zijn persconferenties ooit noemde, een dag nadat Rutte voor een internationaal gezelschap grapte dat zijn vrienden op de Antillen blij waren dat ze met Sinterklaas geen smink hoefden op te doen, begaf ik mij met goede vriendin Tamar naar De Nieuwe Liefde, het gebouw waar Huub Oosterhuis volop ruimte biedt aan de bezinning en de poëzie.
We gingen naar een middag over het werk van Mustafa Stitou met Senegalese zang, experimentele muziek op koffer en ritselpapier, een minicollege en een gastcolumn, maar vooral ook de poëzie van Stitou, die in het titelloze openingsgedicht van zijn meest recente bundel Tempel de doodskist van zijn vader niet langer kan dragen en hem daarom vraagt eruit op te staan om een eindje mee te lopen richting het graf.
Dat gedicht is prachtig en ontroerend, maar vooral ook indrukwekkend qua techniek. Stitou kan de dingen mooi traag maken: 'Diep voorovergebogen, voetje voor voetje, schreed ik wankelend voort.' Alles kost tijd in dit gedicht, terwijl voor een van de personages de tijd al voorbij is. Vader en zoon klinken vermoeid, zijn misschien zelfs moe van elkaar, want wanneer de vader uit de kist stapt, doet hij dat 'spottend-medelijdend, zoals altijd.' Dat laatste 'zoals altijd' zou een redacteur of poëziedocent er misschien uit willen hebben, maar hier is het nodig, net dat beetje te veel. Het benadrukt de lange zware tocht en de onveranderlijkheid van de houding van de vader tijdens diens leven.
Voordat wij waren gaan zitten, had iemand van de organisatie me gevraagd twee stoelen bezet te houden voor een gehandicapte mevrouw. Ik verwachtte een vors geval in een scootmobiel of een grote rolstoel, maar het bleek om een stel op leeftijd te gaan, waarbij de vrouw, een bekende psychologe, op krukken liep.
Er was nog een stoel over en daarop nam een goed verzorgde oudere mevrouw plaats, die al tijdens de eerste voordracht langzaam voorover begon te hellen totdat ze met haar rode gelippenstifte mond bijna mijn knieën had bereikt. Steeds als haar hoofd bijna op mijn been rustte, tilde ze zichzelf weer omhoog en zat dan twee tellen rechtop, waarna het hele buigen en hellen zich weer herhaalde.
Nadat dit een paar keer was voorgevallen tikte ik de mevrouw op haar schouder en vroeg ik haar of ze misschien slaperig was. 'Nee, ik verga van de pijn,' was het antwoord, waarop ik haar aanbood iets dichter tegen haar aan te komen zitten, zodat ze tegen me aan kon leunen.
Tijdens de Senegalese zang, het papiergeritsel, het koffergeroffel, het mini college en de column, gleed de mevrouw, die volgens de oude psychologe wel van stand moest zijn, want ze droeg een echt wit Chanel jasje en een chanel tasje, steeds zachtjes langs mijn zij, waarna ze zichzelf weer omhoog heiste, waarbij ze soms een messcherpe opmerking maakte over het programma.
Als je mijn Kollummer overbuurjongen Bert Klaver vroeger vroeg wat hij later wilde worden antwoordde hij vaak met 'steunend lid van het het Steunfonds.' Het waren de jaren tachtig, de jaren van 'No Future', ook in Kollum. Die woorden hebben nu een hele andere betekenis.
Op mijn rug torste ik de doodskist waarin mijn vader lag. Diep voorovergebogen, voetje voor voetje, schreed ik wankelend voort. Het ging steeds moeizamer, de last werd te groot, ik hield het niet meer. Voorzichtig liet ik mij neerzakken op de grond, languit, schoof onder de kist vandaan, lichtte het deksel op en fluisterde zonder aarzeling Vader, ik kan je niet dragen, het spijt me, kun je misschien een eindje meelopen?
Het duurde even voor hij zijn ogen opende. Zijn gezicht was ongeschoren, zijn haar zat verward. Hij droeg een lange witte onderbroek en een wit hemd. Toen zuchtte hij en schudde zijn hoofd, spottend-medelijdend, zoals altijd. Hij richtte zich op, stapte uit de kist, bewoog zich voort met kalme tred. Ik liep achter hem aan, ook ik zei niets.
De kist bleef achter, midden op het pad.
We kwamen aan bij het graf. Het was al gedolven. Zonder een woord vlijde hij zich neer. Ging liggen op zijn zij, draaide zich toen op zijn andere zij.
Hij moet van zijn god met zijn gezicht naar het oosten liggen, dacht ik, richting Mekka. Gelukkig vraagt hij me niet waar het oosten is, want ik weet het niet.
Hij vouwde zijn handen op elkaar, schoof ze als een kussen onder zijn hoofd, zuchtte weer diep en sloot zijn ogen en ik, ik zakte door mijn knieën, en met woeste armbewegingen dichtte ik het graf.
© 2013, Mustafa Stitou
Uit: Tempel (De Bezige Bij, Amsterdam, 2013)
Meer over Mustafa Stitou:
http://www.debezigebij.nl/web/Auteurs/Auteur/Mustafa-Stitou-1.htm
http://www.kb.nl/dichter-op-het-scherm/moderne-nederlandse-dichters/mustafa-stitou
De Nieuwe Liefde:
http://denieuweliefde.com/home/


