Friese
weemoedigheid
Tsead Bruinja
moest het verhaal van zijn jeugd kwijt
Door Janita Monna
De
zoektocht naar de verloren tijd, en naar de mensen,
het landschap, het huis en de spullen die daarmee verbonden waren, drijft
schrijvers, dichters en kunstenaars van alle tijden. Dat universele gevoel ligt
ook aan de basis van het tweetalige Gesammtkunstwerk ‘Stofsûgersjongers
/stofzuigerzangers’ van drie Friese kunstenaars: dichter Tsead Bruinja,
saxofonist Femke IJlstra en beeldend kunstenaar Mirka
Farabegoli.
Bruinja’s gedichten
voeren de boventoon. Ze leiden terug naar het Friesland van de jaren tachtig,
toen het ook crisis was, en de vader van de dichter werkloos werd. De familie
moest verkassen, in hun huis kwamen nieuwe mensen:
fennema had een zuur
hoofd en met dat hoofd
en dat wijf zou hij
in ons huis wonen.
Het verhaal gaat
verder, want Stofsûgersjongers /
Stofzuigerzangers is dan wel opgedeeld in afzonderlijke gedichten, het is
toch vooral een vertelling, een die zich bovendien moeilijk anders dan
autobiografisch lezen laat.
De jongen gaat naar
een andere school, probeert z’n (Friese) accent kwijt te raken, verliest z’n
moeder en kan daar aanvankelijk niet om huilen; als dichter is hij on the
road, verlangt hij naar zijn vrouw, zijn thuis, en ook weer niet. Hij treedt
op voor nauwelijks in te tomen scholieren en voor halflege theaterzaaltjes: “ik
was weer eens veel te vroeg voor het optreden// waarvoor een deel van de
poëzieliefhebbers thuisgebleven was”. Bruinja’s reis naar vroeger is het
herbeleven van pijn. Puberdepressies worden volwassen problemen. De dichter is
gedesillusioneerd, dichten lijkt voor hem iets
therapeutisch.
Dat
ismeteen het bezwaar tegen de bundel:
Bruinja doet wel pogingen zijn geschiedenis universeler te maken – soms
letterlijk: ‘om half zes komen nog altijd/ veel vaders thuis van hun werk’ –
maar dat heeft iets geforceerds. En zodra de dichter echt dichtbij komt, lijkt
hij de confrontatie niet aan te durven. Als het verdriet om de dood van zijn
moeder ter sprake komt, verschuilt hij zich achter de typografie: de regels
lopen naar beneden in de vorm van tranen.

Bruinja heeft al
eerder bewezen dat hij liefdevol kan schrijven over zijn afkomst, familie en
geliefden. Zijn Fries heeft van zichzelf een meeslepende weemoedigheid. Als hij
zich dwingt tot bondigheid, behoudt zijn poëzie die kracht ook in het
Nederlands. Maar hier laat hij te weinig suggestie toe en lijkt hij te graag een
verhaal kwijt te willen. Misschien had hij dat gewoon in proza moeten
doen.
Bruinja en IJlstra
wilden aanvankelijk een theaterprogramma maken. Het werd een fraai uitgegeven
boek, met etsen in kleur en een cd waarop de saxofoon heimwee en verlangen
vertolkt.
eet
smakelijk
ze
rookten nooit
dus
het asbakje bleef leeg
op
het dikke ronde tafelblad
waarop
tussen de middag door oma een pan met vette kippenvleugels
en
een schaal prei in maïzenasaus en aardappelen op werden
gezet
opa
zei dat ik de juslepel dieper door het vet moest halen
het
donkere is het lekkerste
mijn
sokken speelden met
de
barokke houten poten van de tafel
volgden
de bogen en punten
als
opa na de fles blanke vla
zei
dat hij even ging liggen
en
oma daarna op de bank in de voorkamer
tussen
het bespreken van de laatste showbizzroddels
met
de ogen begon te knipperen
sloop
ik langs mijn snurkende opa
met
de vier weken oude panorama uit de leesmap
naar
de wc in de schuur
om
te lezen over janny
die
op de foto was gegaan voor haar man
de
vrachtwagenchauffeur
zij
rookten nooit mijn opa en oma
maar
slapen en lekker eten
daar
wisten ze alles van
Bron: Trouw, 31-8-2013

Plaats een reactie