Het begint altijd met de liefde:
'k maak in gedachten vaak een bedevaart:
Dan sta 'k weer op de plek, die zomerdag,
Waar ik door de eikenlaan je komen zag;
Als reliquie heb ik dat beeld bewaard:
Uit zonn'ge boomen dropte op zonnige aard,
Overal neer de zonn'ge vinkenslag;
'k Zag op jouw goed gezicht die blije lach,
En 'k dacht op eens: Ben ik die liefde waard?
En één ding weet ik: als jij dood mocht gaan,
Zal 't zijn, als stond ik weer in de eikenlaan,
Toen jij zou komen met jouw lief gezicht.
Dan wordt die zomerdag, zoolang voorbij,
Een vizioen van toekomst, waarin jij
Mij staat te wachten in onwereldsch licht.
J.A. dèr Mouw (1863-1919)
Dit gedicht las ik voor het eerst voor in een oud schoolpand in Groningen. Samen met Sieger M. Geertsma, Tjitse Hofman en Klaske Havik, allen niet geheel toevallig ook opgenomen in de bloemlezing Vanuit de lucht – de eerste generatie dichters van de 21e eeuw (Uitg. Passage, 2001), nam ik deel aan een poëtische coveravond, een Langste dag avant la lettre, waarbij ik had gekozen voor het werk van dèr Mouw en de anderen o.a. gedichten lazen van Leopold, Gorter en van Ostaijen.
Ik weet niet meer waarom ik het werk van dèr Mouw destijds heb gekozen, maar waarschijnlijk werd ik geraakt door het muzikale aspect van zijn gedichten en de dromerige inhoud.
Dat het werk van dèr Mow soms erg grappig kon zijn, weten we van 'k ben Brahman', maar wat te denken van de volgende wonderlijke strofe:
Ver, ver – in droom – ik hoor mijn jagerskreet
Gillen door 't woud, als toen mijn arm de knods,
Moordend door steenklomp, met machtige bots
Op 't hunk'rend roofdier, bloedig, voedsel, smeet…
De 'droogdoek' en de 'kan' zijn ver te zoeken in dit woud en je begint bijna te begrijpen waarom 'Brahman' zonder meid zat.
Wie de rest wil horen van deze woeste bloederige droom, komt morgen in Amsterdam naar De Langste Dag of koopt het verzameld werk van dèr Mouw!


Plaats een reactie