Afbeelding door Martien Bos uit de NRC (Meer op http://www.antisomber.nl/)
Dit is de laatste recente recensie van Overwoekerd, ditmaal uit NRC Next & de NRC, maar dan met de hele gedichten waar de criticus op in is gegaan.
Kop NRC Next: Goddank: vrouw en voeten heb ik nog
Kop NRC: Alles is te groot voor het kleine dat ik lever
Overwoekerd bewijst het: in de dichter Tsead Bruinja schuilt vooral een columnist
Door Guus Middag
HIER OPETEN OF THUIS WEGGOOIEN?
de receptioniste geeft me een sticker met mijn gegevens
en een potje waar ik de sticker op mag plakken
daarna wijst ze me de wc aan
ik wil haar barvrouw noemen
haar om een biertje vragen
denk aan de snackbarhouder op vlieland
die de kroket uit de frituur haalde en vroeg
hier opeten of thuis weggooien?
als ik na wat nerveus gefriemel
haar het lauwwarme resultaat wil overhandigen
maakt ze een afwerend gebaar en schuift
vliegensvlug een geel bakje naar voren
alles is te groot voor het kleine dat ik lever
het potje het bakje en de lange lijst namen
die het kind later als een mand vuile was
met zich mee mag dragen
nu staat onze gezinswagen geparkeerd
in een straat waar ’s avonds door andermans kroost
auto’s in brand worden gestoken
maar niet onze auto staat vanavond in lichterlaaie
want wij gaan een weekendje weg
en ook als het ooit een meisje wordt
hoop ik dat zij bitterballen lust
Heeft u wel eens een gedicht gelezen over het inleveren van zaad? Tsead Bruinja schrijft erover, in zijn nieuwe bundel Overwoekerd. Bruinja vertelt over 'de receptioniste' die hem een sticker geeft, en een potje, en hem de wc wijst. Het is allemaal wat onwennig: “ik wil haar barvrouw noemen / haar om een biertje vragen'.
Maar zo is het natuurlijk niet. Nog een bijgedachte, opnieuw een uitvlucht om de gang naar het hokje nog wat te vertragen: “denk aan de snackbarhouder op vlieland / die de kroket uit de frituur haalde en vroeg / hier opeten of thuis weggooien? Dat is grappig, ja, maar er staat nu geen vlotte snackbarman met vlotte geintjes tegenover hem, maar een discrete verpleegkundige. En hij krijgt hier geen bakje om te legen, maar een potje om te vullen.
Er spelen allerlei leuke seksuele toespelingen mee, maar de aanleiding voor dit bezoek is niet leuk seksueel, maar medisch seksueel. Het is niet de bedoeling dat er thuis, of waar dan ook, nog iets 'weggegooid' wordt – het is de bedoeling dat het zaad nu eens vrucht gaat opleveren.
Als hij de mevrouw dan, 'na wat nerveus gefriemel, het potje met 'het lauwwarme resultaat' wil overhandigen, blijkt hij het weer niet goed te doen. Het kleine potje moet immers in het grote gele bakje, zo maakt zij hem duidelijk. Zo sluipt er geleidelijk een sfeer van algehele mislukking en mismoedigheid in het gedicht. 'Alles is te groot voor het kleine dat ik lever” verzucht hij – en daarmee lijkt hij niet alleen te doelen op de potjes en de bakjes van dit moment, maar op zijn hele leven tot nu toe.
Langzaam keert het gedicht terug van de lollige sfeer van bar en frituur naar de alledaagse straat waar hij woont. Voor de deur staat al 'onze gezinswagen” geparkeerd, maar het bijbehorende kind is er nog niet. Het is nog erger: hij woont in een buurt waar de auto's 's avonds in brand worden gestoken, en wel 'door andermans kroost’.
Daarmee had dit wrange portret van een onzekere man met kinderwens mooi kunnen eindigen. Maar er volgen nog twee strofen, die er weinig aan toevoegen, of misschien bedoeld zijn om het al te persoonlijke en wanhopige van het voorafgaande wat te relativeren: “en ook als het ooit een meisje wordt / hoop ik dat zij bitterballen lust.” Met deze slotwoorden wordt het frituurthema uit het begin hernomen – en verder zal met de elementen 'bitter' en 'bal' woordspelig verwezen zijn naar de verminderde vruchtbaarheid van de papa to be.
Zo gaat het vaak in de gedichten van Bruinja. Ze zijn, om het kort samen te vatten, te lang. En ze waaieren te veel uit. Het is ook de vraag of het in strikte zin nog wel gedichten zijn, met hun regels van enorm wisselende lengte, zonder rijm, zonder interpunctie, zonder dwingende structuur, met allerlei verspringingen en allerlei terloopse scènes tussendoor. Het zijn meer composities van invallen, met van alles en nog wat erbij. Ik had na afloop niet het gevoel een gedichtenbundel gelezen te hebben, maar eerder een willekeurige keuze uit een weblog, of uit een dagboek, of uit een serie columns.
Tsead Bruinja is een van de dichters die met een zekere regelmaat meedoen aan Dit is de dag (EO, radio 1, elke ochtend van 10.30 tot 11.30 uur). De dichter van de dag wordt gevraagd een uur lang mee te luisteren naar de gasten van die dag en intussen zijn gedicht te schrijven. Na afloop mag hij het voorlezen. Soms gaat het over het onderwerp van één gast, soms over alle onderwerpen samen, soms ook over de persoonlijke bijgedachten van de dichter zelf. Na de voordracht voelt iedereen zich altijd ongemakkelijk. Dan zeggen de presentatoren maar vlug dat het weer prachtig was en dat wij het later op de website allemaal nog eens kunnen nalezen.
Die sfeer van vluchtigheid en terloopsheid, alledaagse invallen vlot verbonden met actualiteit, met soms een scherpe waarneming tussendoor en soms een verrassend inzicht, vind ik hier veel terug. De aanleiding kan, zoals in het zaadlabgedicht, persoonlijk zijn en dan uitwaaieren naar iets algemeners, maar het kan ook omgekeerd.
In het lange, breed opgezette gedicht ‘Sneeuw’ brengt Bruinja een paar gruwelijke momenten uit de internationale actualiteit van het jaar 2008 in herinnering, waartegenover hij alleen maar wat klein persoonlijk nieuws kan plaatsen: de voorjaarsvakantie op een Duits waddeneiland, toen ze naakt over het strand gingen rennen, een bezoek aan de huisarts wegens maagklachten. En deze toch wat braaf en bedaagd klinkende conclusie: ‘in het jaar 2008 had ik goddank mijn vrouw mijn handen en voeten nog’. Het is geen revolutionair inzicht, maar dat is nu net het verrassende van Bruinja’s poëzie: hij is juist opvallend alledaags, redelijk en eerlijk. Hij weet dat hij niet mag klagen. Hij is blij dat hij leeft en hij weet dat het allemaal veel minder kan. En hij schrijft het nog op ook.
SNEEUW
in het jaar 2008 was ik geen vrouw van vijfenvijftig
lag ik niet drie dagen bedolven onder de sneeuw
werd mijn eigen vrouw niet door tien mannen verkracht
en levenloos uit een rijdende legertruck geworpen
werden onze kinderen niet van ons afgepakt
in het jaar 2008 was ik een man van vierendertig
rende ik samen met mijn vrouw
naakt over het strand van een duits waddeneiland
doken we een aprilkoude noordzee in
alles aan mij werd klein
in het jaar 2008 was ik niet zwart
deed ik geen gooi naar het presidentschap
waren er geen honderd geweren op me gericht
werd ik maar matig gehaat
in dat afgelopen jaar kwam ik te vaak bij mijn huisarts
die me zei minder te gaan drinken die me maagtabletten gaf
en ik dacht ik ben toch vierendertig en nog geen vierenzestig
en begon minder te drinken
in het jaar 2008 was ik geen vrouw van vijfenvijftig
die drie dagen onder de canadese sneeuw bedolven lag
voor wie ik haar diepgelovige man bij de keukentafel bidden zag
in het jaar 2008 had ik goddank mijn vrouw mijn handen
en voeten nog
Iemand anders zal misschien vinden dat er veel variatie in deze dikke bundel zit. Niet alleen de actualiteit uit binnen- en buitenland, afgezet tegen het eigen leed, het straatleed en het buurtleed, maar ook enkele liefdesliedjes, een paar aanzetten tot gedachten over religie en een paar probeersels met typetjes en stemmetjes en taaltjes (’je moet pompe met je hompe / slope met je blote pote’) en een paar stukken proza tussendoor.
LAMME
je moet pompe met je hompe
slope met je blote pote
zompe
stompe met je rompe
na het pompe
op je klompe
zompe
je moet kampe met die rampe
slope met je blote pote
dampe onder de lampe
nie klampe aan de rampe
dampe
je moet t slempe niet dempe
je moet slope met je blote pote
slempe
slempe tot je gaat zompe
zompe tot je gaat dampe
en nie
nee nooi nie
klampe aan de rampe
nie klampe aan de rampe
nie klampe
Maar onder al die vormen en stijloefeningen zit voor mijn gevoel steeds dezelfde dagelijkse waarnemer van de wereld. Misschien wil hij wel liever een columnist zijn dan een dichter, heb ik tijdens het lezen meer dan eens gedacht. Als hij een dichter wil zijn, dan zal hij volgens mij moeten kiezen uit de vele sprekers die hij nu nog allemaal naast elkaar aan het woord laat.
Er blijft weinig hangen van al die lange lappen tekst. Het meest sprekende gedicht is het allerlaatste, tevens het allerkortste. Drie regels maar, bijna een haiku. Het is de levensles van de jonge Tsead die zijn moeder veel te vroeg aan borstkanker ziet sterven:
je kijkt nooit hetzelfde naar haar
van jonge vrouwen
als je moeder een pruik draagt
Bron: NRC & NRC Next, 30-07-2010
Plaats een reactie