Door Eppie Dam
Op de recensiewebsite Poëzierapport tekent Willem Thies, in 2008, Bruinja als ,,een dichter die teder en liefdevol kan zingen, maar ook stevige, ruige beelden en klanken kan gebruiken.
Zachtmoedig én stoer. Een strelende hand én een vuist.'' De woorden 'stoer' en 'vuist' mogen minder toepasselijk zijn, in essentie is het een typering die Bruinja's poëzie recht doet. Hij oogst van twee wallen, kent van het leven de lichtzijde en de duistere kant, zoals het een dichter van formaat betaamt.
De menselijke staat in al zijn facetten vormt de grondtoon van deze doorleefde en bezielde bundel. Het bestaan wordt overwoekerd door de dood, woede en verdriet, haat en liefde, geilheid en geloof, jaloezie en muziek. Maar, zo laat de dichter tienmaal weten, hij is 'er niet mee bezig'. Soms leidt die ongebonden houding tot inzicht, gevolgd door mildheid en aanvaarding.
Wat de wrede scherprechter betreft: 'nu zie ik voor me / hoe onze namen verdwijnen in een eindeloze grijze landingsbaan / voor het nageslacht' en 'elke dag is een goede / om met dat verdwijnen / te beginnen'. In een ander gedicht calculeert hij 'een te verdragen aantal tegenslagen' in. En, weer een ander gedicht, 'verwelken doen we morgen wel'.
Met 'Overwoekerd' schreef Tsead Bruinja een verontrustend, maar tegelijk vrolijk en bemoedigend dichtwerk. Hij herkent de chaos van de wereld en erkent het onverbiddelijke van de tijd, maar hij weigert er op voorhand aan ten onder te gaan. Zonder bitterheid of verbetenheid, enkel in het besef dat de kaarten van het bestaan nu eenmaal zo zijn geschud. Het weerhoudt hem niet om zich, vol overgave en met speelse vitaliteit, te richten op 'ons dagelijkse leven'.
'Wat durven wij te hopen', 'Bruintje Beer op de helft van zijn adembenemende graf', 'Goed nieuws', 'Mijn kokosnoot niet te lang' en 'Uw plaats in ons meedogenloze archief' zijn de parels in deze rijk geschakeerde bundel. Waarbij aangetekend dat Bruinja de Nederlandse taal vooral niet minder tot glans weet te brengen dan de Friese.

Plaats een reactie