Vanochtend lag ik vanaf een uur of zes half slapend wat regels uit te proberen, omdat ik vanochtend een gedicht moet schrijven voor het TV-programma Eénvandaag. Het gedicht moet over de verkiezingsstrijd gaan en het al dan niet democratische gehalte daarvan.
Terwijl ik de ene na de andere regel de revue liet passeren, zong er de hele tijd een oud gedicht door mijn hoofd. Het was een gedicht dat ik schreef naar aanleiding van Adorno’s uitspraak ‘na Auschwitz een gedicht te schrijven is barbaars.’
tong
wat ik wens
een helder hart
voor een donkere nacht
oren die stoppen met huilen
luisteren naar het dommelende schip
lied dat weer aan lippen
toekomt
er zingt een trein
door dit modderige landschap
door deze grijze lucht
er zingt een trein
aan weerszijden
van het doorkruiste
groeit gestaag
de stapel
witte veren
tong wat is je beroep
riet in de saxofoonmond
twijfelhart in rode torsowond
tango die in bloedhoofd woont
tong wat is je beroep
tong zeg dat afstand vorm is
tong hef op
uit Dat het zo hoorde (Contact, 2003)
Om het gedicht te horen, klik je hier!

Plaats een reactie